Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:615

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
18/1808
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking Amsterdamse taxivergunning, voorlopige voorziening, aanbieden taxivervoer, stil staan op een laad en lossen, lekke band, toewijzing verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1808

14910

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. W. Hoebba),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A.A.K. Pieters en mr. R.N. Ionescu).

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de taxivergunning van verzoeker op grond van de Taxiverordening Amsterdam 2012 voor het verrichten van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt (taxivergunning) ingetrokken per 29 augustus 2018.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2018.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat het primaire besluit voor verzoeker ingrijpende gevolgen met zich brengt nu zijn werkzaamheden als taxichauffeur zich in belangrijke mate richten op de Amsterdamse opstapmarkt (taxivervoer vanaf standplaatsen en via aanhouden op straat). De intrekking van zijn taxivergunning brengt met zich dat hij deze werkzaamheden niet meer kan uitvoeren. Volgens verzoeker is hierdoor sprake van een sterke daling van zijn verdienvermogen. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang gegeven.

3.1.

Verzoeker is werkzaam als taxichauffeur en biedt zijn diensten (hoofdzakelijk) in Amsterdam aan op de opstapmarkt. Verzoeker beschikte over de hiervoor vereiste taxivergunning.

3.2.

Op 20 december 2017 zijn de lijnbusbaanontheffing en de Amsterdamse taxivergunning (Taxxxivergunning) van verzoeker geschorst voor de duur van vier weken vanwege het negeren van een negenoog (verkeerslicht op de busbaan).

3.3.

Op 6 januari 2018 is door een toezichthouder van de gemeente Amsterdam (de verbalisant) een op ambtseed opgemaakt rapport van bevindingen (rapport) opgesteld. In het rapport is onder meer het volgende opgenomen. De verbalisant heeft waargenomen dat verzoeker op die datum omstreeks 9.15 uur met zijn voertuig met kenteken […] op de laad- en loshaven ter hoogte van het [naam 2] hotel stil stond. Deze locatie staat de verbalisant ambtshalve bekend als illegale taxistandplaats. De verbalisant zag dat het voertuig van blauwe taxikentekenplaten was voorzien, op het dashboard een geel bord stond met de tekst “TAXI”, geen daklicht was bevestigd en geen Taxxxivergunning zichtbaar was. Vervolgens heeft de verbalisant verzoeker gevraagd wat hij daar deed. Verzoeker antwoordde dat hij een belafspraak had met iemand uit het hotel, maar dat hij nog niet was gebeld. Verzoeker kon niet aantonen dat hij een belafspraak had. Na controle bleek dat de lijnbusbaanontheffing en de Taxxxivergunning voor een periode van vier weken waren geschorst. Na staande houding heeft verzoeker verklaard dat hij een belafspraak had, waaraan hij toevoegde “als ze bellen tenminste” en dat hij geen opstapmarkt doet.

3.4.

Op 21 februari 2018 heeft verweerder verzoeker bericht over zijn voornemen de taxivergunning in te trekken en hem in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Van deze gelegenheid heeft verzoeker gebruik gemaakt en nogmaals aangegeven dat hij geen opstapmarkt doet maar daar ter plekke was omdat hij wachtte op een belafspraak. Het enige wat hij verkeerd heeft gedaan was dus stilstaan op een laad- en loshaven, aldus verzoeker.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de taxivergunning van verzoeker ingetrokken omdat hij zonder geldige Taxxxivergunning vervoer heeft aangeboden op de Amsterdamse opstapmarkt op 6 januari 2018. Verzoeker is door een toezichthouder waargenomen op een laad- en loshaven die bekend staat als een illegale taxi opstaplocatie. Na controle bleek dat de lijnbusbaanontheffing en de Taxxxivergunning op dat moment waren geschorst. Verzoeker heeft zich volgens verweerder kenbaar gemaakt als beschikbare taxi voor de opstapmarkt en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ter plaatse was wegens besteld werk of met een ander doel dan het aanbieden van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt.

5. Verzoeker voert aan dat hij weet dat hij geen taxivervoer mocht aanbieden op de Amsterdamse opstapmarkt en dat hij dat ook niet gedaan heeft. De politie heeft zijn verklaring dat hij stond te wachten op een belafspraak verkeerd begrepen. Hij heeft juist willen verklaren dat hij geen opstapmarkt deed. De reden dat hij geparkeerd stond op de laad- en loshaven was omdat hij een lekke band had waarvoor hij de ANWB al had ingeschakeld. Voorts voert verzoeker aan dat de intrekking van zijn taxivergunning een inmenging is op zijn recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Verzoeker wordt ernstig beperkt in de uitoefening van zijn taxionderneming en de daarmee gepaard gaande economische belangen.

6.1.

In artikel 82, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 is bepaald dat bij of krachtens gemeentelijke verordening regels kunnen worden gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke openbare weg aangeboden taxivervoer. In het tweede lid is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde regels strekken tot aanvulling van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen en geen betrekking hebben op andere onderwerpen dan die van de artikelen 82a en 82b.

6.2.

Op grond van artikel 82a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet personenvervoer 2000 kunnen bij of krachtens gemeentelijke verordening regels worden gesteld over de eisen en verplichtingen te stellen aan bestuurders van een auto waarmee taxivervoer op de gemeentelijke openbare weg wordt aangeboden.

6.3.

In artikel 1.1 van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordering), zoals deze geldt vanaf 1 februari 2018, is bepaald dat in deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder aanbieden van taxivervoer: zich met de auto waarmee taxivervoer wordt verricht, op de door de gemeenteraad aangewezen delen van de openbare weg bevinden met het kennelijke doel van vervoerder of bestuurder consumenten te werven ten behoeve van

taxivervoer.

6.4.

Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening is het een chauffeur verboden om zonder Taxxxivergunning van het college op de in bijlage I aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden.

6.5.

In artikel 2.14 van de Taxiverordening heeft verweerder nadere voorschriften en beperkingen voor houders van een Taxxxivergunning gegeven.

6.6.

Op grond van artikel 3.3, eerste lid en onder b, van de Taxiverordening kan het college overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.12 en 2.14 sanctioneren met intrekking van de Taxxxivergunning.

6.7.

In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van de Nadere regels eisen chauffeurs 2018 is bepaald dat onder de minimale kwaliteitseis veiligheid, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, van de Taxiverordening in ieder geval wordt verstaan dat de chauffeur beschikt over de benodigde geldige ontheffingen, vergunningen en vergunningbewijzen om taxivervoer aan te mogen bieden.

7. Niet in geschil is dat de taxivergunning met ingang van 20 december 2017 voor de duur van vier weken is geschorst. Voorts is niet in geschil dat verzoeker stil stond op een laad- en loshaven op 6 januari 2018. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verzoeker vervoer aanbood zonder geldige vergunning en of verweerder bevoegd is om de taxivergunning van verzoeker in te trekken op grond van artikel 3.3, eerste lid, onder b, van de Taxiverordening.

8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het aan verweerder is om het bewijs te leveren van de feiten die hij ten grondslag legt aan de, voor verzoeker belastende, intrekking van de Taxxxivergunning.

9. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder niet geslaagd in het leveren van het bewijs dat verzoeker op 6 januari 2018 in de [adres] taxivervoer aanbood op de opstapmarkt.

9.1

In het rapport van bevindingen staat dat verzoeker op een laad- en loshaven stil stond die bekend staat als een illegale taxistandplaats en dat verzoeker nadat hij door de verbalisant is geïnformeerd over welke overtreding geconstateerd was, verklaard heeft dat hij een belafspraak had en dat hij geen opstapmarkt doet. In bezwaar heeft verzoeker echter aangevoerd dat hij op de laad- en loshaven stil stond vanwege een lekke band en hierbij twee verklaringen van collega taxichauffeurs overgelegd die zijn stelling onderbouwen. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat zijn band zacht werd en hij daarom aan de kant was gaan staan. De twee verklaringen van [naam 3] en [naam 4] vermelden beide dat ze verzoeker rond 9.30 uur op 6 januari 2018 met een lekke band hebben zien staan en dat de politie reeds bij hem stond. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij nadat hij was aangehouden door de politie een pechmelding bij de ANWB heeft gedaan en heeft hij een print van de website “Mijn ANWB” overgelegd waaruit volgt dat hij op 6 januari 2018, om 9.24 uur een melding voor een lekke band heeft gedaan voor zijn voertuig met kenteken […] . Bij resultaat staat vermeld “Gerepareerd (2B)”. Zijn rechtervoorband was lek, aldus verzoeker.

9.2

De voorzieningenrechter acht deze verklaringen niet op voorhand ongeloofwaardig en hetgeen verweerder hier tegenin heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigen niet hebben kunnen zien dat de rechterband van de taxi van verzoeker lek was. Verweerder baseert dit standpunt op het feit dat de taxi in de rijrichting was geparkeerd en voor een chauffeur die van achteren nadert de rechterbandvoorband dan niet goed kan worden waargenomen. Verzoeker heeft hier echter tegenover gesteld dat beide getuigen vanuit tegengestelde richting naderde en dat – mede gezien de ruimte tussen zijn taxi en de hiervoor geparkeerde politieauto – vanuit deze richting een lekke voorband kan worden waargenomen. Het College acht deze toelichting, gelet op de inhoud van de getuigenverklaringen, niet implausibel. De voorzieningenrechter betrekt bij zijn oordeel tevens de print van de website Mijn ANWB, waarvan de inbreng ter zitting gelet op de instemming van verweerder door de voorzieningenrechter niet in strijd met de goede procesorde wordt beschouwd. De inhoud van deze print is door verweerder als zodanig niet betwist en ondersteunt het standpunt van verzoeker dat hij zich op de laad- en loshaven bevond vanwege een lekke band. Verweerder stelt hier tegenover dat uit de Track & Trace gegevens zoals deze door hem zijn overgelegd, blijkt dat verzoeker al om 9.30 uur weer is weggereden van de laad- en losplaats en dat het gelet hierop niet na een melding die pas om 9.24 uur is gedaan door de ANWB kan zijn geholpen omdat hier een aanzienlijk langere tijd mee gemoeid moet zijn. Aan deze gegevens kan de voorzieningenrechter echter niet die betekenis toekennen die verweerder voor ogen heeft. Uit deze gegevens blijkt dat verzoeker, voordat hij werd aangehouden omstreeks 9.15 uur, voornamelijk korte ritjes heeft gereden. In zoverre acht de voorzieningenrechter de gegevens plausibel. De laatste rit van de Track & Trace gegevens ving aan om 9.30 uur en duurde tot 11.33 uur over een afstand van 19,6 km. Dat op dit punt de Track & Trace-gegevens geheel betrouwbaar zijn en verzoeker inderdaad zonder onderbreking een rit heeft gemaakt van meer dan twee uur, waarbij hij minder dan twintig kilometer heeft afgelegd acht het College niet zonder meer aannemelijk en in dit licht betwijfelt hij ook welke waarde toekomt aan het geregistreerde aanvangstijdstip van 9.30 uur. Anderzijds zijn deze gegevens ook niet zonder meer in strijd met de verklaring van verzoeker, te weten dat hij na de aanhouding naar een bandenzaak is gereden, alwaar hij zijn lekke band heeft laten repareren wat naar zijn zeggen ongeveer anderhalf uur heeft geduurd. Dat verzoeker geen melding heeft gemaakt van zijn zachte dan wel lekke band tijdens de aanhouding of in zijn zienswijze, acht de voorzieningenrechter niet van doorslaggevend belang. Verzoeker heeft verklaard dat omdat hem werd verweten dat hij vervoer aanbood op de opstapmarkt, hij zijn verweer aanvankelijk geheel hier tegen heeft gericht. Pas later heeft hij beseft dat hij zijn verweer verder kon uitbreiden. Evenmin van doorslaggevend belang acht de voorzieningenrechter de latere verklaring van de verbalisant, dat hij ten tijde van de staande houding geen lekke band heeft gezien. Deze verklaring sluit ook niet uit dat de taxi van verzoeker een lekke band had en is bovendien pas zeer geruime tijd later afgelegd.

10. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was verweerder gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet bevoegd de taxivergunning in te trekken. In dit licht behoeft verzoekers beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) geen bespreking.

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van 28 augustus 2018 met ingang van 25 oktober 2018, 10.00 uur, is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit met ingang van 25 oktober 2018, 10.00 uur, tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2018.

w.g. H.O. Kerkmeester w.g. C.S. de Waal