Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:613

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
17/1711
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Ecologisch aandachtsgebied; vanggewassen; gekochte zaaizaden zelf mengen; niet voldaan aan voorwaarde dat etiketten moeten worden bewaard; motiveringsgebrek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1711

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2018 in de zaak tussen

Akkerbouwbedrijf [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. R. Scholten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellant ontvangt aan betalingsrechten (basisbetaling) en vergroeningsbetaling voor 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 25 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellant heeft in de op 12 mei 2016 ingediende Gecombineerde opgave 2016, die hij op 22 augustus 2016 heeft gewijzigd, verzocht om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling. Een van de vergroeningseisen is dat 5% van het bouwland als ecologisch aandachtsgebied wordt ingezet. Om aan deze eis te voldoen heeft appellant gekozen voor de Algemene lijst en wil hij het ecologische aandachtsgebied inrichten met vanggewassen.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellant als basis- en vergroeningsbetaling voor 2016 een bedrag van € 22.399,76 vastgesteld. Daarbij heeft verweerder van de voor uitbetaling opgegeven oppervlakte van 86,89 ha slechts 42,60 ha in aanmerking genomen bij het vaststellen van de vergroeningsbetaling, omdat van de verplichte 4,33 ha voor het ecologisch aandachtsgebied door appellant 0,00 ha is gerealiseerd. Volgens verweerder voldoet het geconstateerde vanggewas op de percelen 1, 4, 11, 12, 13, 14, 21, 23, 26, 28, 29 en 30 niet aan de voorwaarden voor het mengsel van zaaizaad en tellen de percelen 22 en 24 niet mee voor de invulling van het ecologisch aandachtsgebied, omdat sprake is van een vanggewas na mais op uitspoelingsgevoelige gronden.

2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant, dat verweerder voornoemde percelen ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen voor het ecologisch aandachtsgebied, ongegrond verklaard. Verweerder heeft in dit besluit uiteengezet dat er voorwaarden gelden om vanggewassen in te zetten als ecologisch aandachtsgebied. Deze voorwaarden houden onder meer in dat de datum van inzaai moet worden gemeld in de Gecombineerde opgave 2016, dat deze datum van inzaai niet later mag zijn dan 30 september 2016 en dat het vanggewas ten minste tien weken op het perceel aanwezig dient te zijn (bijlage 2 bij artikel 2.17, eerste lid, onderdeel d en categorie 1, onder B, sub 2, 5 en 6 van de Uitvoeringsregeling. Daarnaast zijn er volgens verweerder aanvullende voorwaarden bepaald waaronder vanggewassen kunnen worden geteeld. Een van deze voorwaarden is dat de aankoopbewijzen en etiketten van het gebruikte zaaizaad ten minste vijf jaar worden bewaard (bijlage 2 bij artikel 2.17, eerste lid, onderdeel d en categorie 1, onder B, sub 4 van de Uitvoeringsregeling). Volgens verweerder heeft appellant niet aan deze laatstgenoemde voorwaarde voldaan. Appellant heeft in de bezwaarfase alleen facturen van het door hem gekochte zaaizaad overgelegd, zodat niet aan alle voorwaarden is voldaan die worden gesteld voor het invullen van het ecologische aandachtsgebied. Dit betekent dat de in geding zijnde percelen terecht niet zijn aangemerkt als ecologisch aandachtsgebied, aldus verweerder.

3 Appellant voert in beroep aan dat het bewaren van aankoopbewijzen en etiketten slechts een voorwaarde is waaronder de vanggewassen kunnen worden geteeld, maar dat het geen bepaling van dwingende aard is. Om die reden is hij van mening dat ook op een andere objectief bepaalbare deugdelijke wijze kan worden aangetoond welke zaaizaden zijn aangekocht en welk mengsel is ingezaaid. Appellant heeft in dit verband een (ongedateerde) verklaring van de agrarisch toeleverancier [naam 3] B.V en drie facturen van het gekochte zaaizaad overlegd. Nu hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt wat is gekocht en wat als groenmengsel is ingezaaid, heeft hij aan alle in de Uitvoeringsregeling gestelde voorwaarden voldaan en maakt hij aanspraak op een volledige uitbetaling van de vergroeningsbetaling, aldus appellant.

4.1

Op grond van artikel 43, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) moet een landbouwer die recht heeft op betaling in het kader van de basisbetalingsregeling klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken in acht nemen, waaronder de aanwezigheid van een ecologisch aandachtsgebied op het landbouwareaal.

4.2

Artikel 2.17 van de Uitvoeringsregeling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Als ecologisch aandachtsgebied als bedoeld in artikel 46, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt beschouwd:

(…)

d. areaal, anders dan het areaal, bedoeld in het derde lid, en anders dan het areaal waarop artikel 45, negende lid, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 639/2014 van toepassing is, waarop combinaties van vanggewassen worden geteeld als bedoeld in bijlage 2, onder de voorwaarden die per categorie voor de desbetreffende soorten in deze bijlage zijn vermeld.

(…)”

Bijlage 2 bij artikel 2.17, eerste lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Categorie 1. Combinaties van vanggewassen (algemeen)
A. Lijst van vanggewassen die in combinatie met een of meer andere vanggewassen kunnen worden geteeld:

Bladrammenas Raphunus sativus
Gele mosterd Sinapsis alba

(…)


B. Voorwaarden waaronder de vanggewassen, bedoeld in onderdeel A, kunnen worden geteeld:

1. De combinatie van vanggewassen bestaat uit een zadenmengsel van ten minste twee soorten als bedoeld in onderdeel A.
2. De combinatie van vanggewassen, wordt na de oogst van het hoofdgewas en voor 1 oktober van het jaar van aanvraag gezaaid.
(…)

4. De landbouwer bewaart aankoopbewijzen en etiketten van het gebruikte zaaizaadmengsel gedurende 5 jaar in zijn administratie.
5. De landbouwer meldt de datum van inzaai uiterlijk op de dag van inzaai bij de minister door middel van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel.
6. De vanggewassen dienen ten minste 10 weken op het perceel aanwezig te zijn.
(…)”

4.4

Ingevolge artikel 17, vijfde lid, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014) worden de oppervlakte van elk landbouwperceel en, in voorkomend geval, het type, de omvang en de ligging van de ecologische aandachtsgebieden door de begunstigde ondubbelzinnig geïdentificeerd en opgegeven. Met betrekking tot de vergroeningsbetaling specificeert de begunstigde ook het gebruik van de aangegeven landbouwpercelen.

5.1

Het College overweegt als volgt.

5.2

Voor de percelen 1, 4, 11, 12, 13, 14, 21, 22, 23, 24, 26, 28, 29 en 30 heeft appellant in de Gecombineerde opgave 2016 opgegeven dat deze ten behoeve van de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied zullen worden ingezaaid met bladrammenas en gele mosterd. Niet in geschil is dat appellant deze zaaizaden heeft gekocht en vervolgens zelf heeft gemengd en ingezaaid. Evenmin is in geschil dat een zelf samengesteld zaaizaadmengsel van vanggewassen in beginsel mag worden gebruikt voor de invulling van het ecologisch aandachtsgebied.

5.3

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de landbouwer aankoopbewijzen en etiketten van het gebruikte zaaizaadmengsel moet bewaren om te kunnen aantonen dat dit zaaizaadmengsel voldoet aan de eisen die in bijlage 2 bij de Uitvoeringsregeling ten aanzien van de samenstelling zijn gesteld. Zo wordt door verweerder beoordeeld of de landbouwer een zaaizaadmengsel heeft gebruikt van ten minste twee soorten vanggewassen die voorkomen op de lijst vastgesteld in bijlage 2 bij de Uitvoeringsregeling. Nu appellant ervoor heeft gekozen om geen standaard mengsel van zaaizaden te kopen, maar losse componenten die hij vervolgens zelf heeft gemengd, kan hij niet beschikken over etiketten van een zaaizaadmengsel. Verweerder betwist dat laatste ook niet. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen uitleggen wat (de inhoud van) een etiket nog kan toevoegen aan de informatie die reeds blijkt uit de door appellant overgelegde aankoopbewijzen van de door hem gebruikte zaaizaden. Daarom is onduidelijk gebleven waarom verweerder desondanks van appellant verlangt dat hij in dit geval ook nog etiketten overlegt. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.

6 Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen. Het College stelt hiervoor een termijn van acht weken.

7 Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College verklaart

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van appellant met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1002,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, mr. T. Pavićević en mr. J.A.W. Scholten- Hinloopen, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. C.E.C.M. van Roosmalen