Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:609

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
17/141, 17/230 en 17/912
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Toewijzing en uitbetaling betalingsrechten GLB 2015, uitbetaling betalingsrechten GLB 2016

Gewijzigde besluiten, 2%-marge bij vaststelling percelen, schadevergoeding overschrijding redelijke termijn artikel 6 EVRM, proceskostenvergoeding voor verzoeken schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/141, 17/230 en 17/912

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2018 in de zaken tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: S. Boonstra),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.F. Bosma en mr. C. Cromheecke)

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

17/141

Bij besluit van 14 april 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 20 december 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit 1 herroepen en het aantal betalingsrechten opnieuw vastgesteld.

17/230

Bij besluit van 27 mei 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2015.

Bij besluit van 14 februari 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder de bezwaren van appellante gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit 2 herroepen en het bedrag van de uitbetaling voor het jaar 2015 opnieuw vastgesteld.

17/912

Bij besluit van 17 december 2016 (het primaire besluit 3) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2016.

Bij besluit van 10 mei 2017 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit 3 herroepen en het bedrag van de uitbetaling voor het jaar 2016 opnieuw vastgesteld.

17/141, 17/230 en 17/912

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 juni 2018 heeft verweerder meegedeeld dat hij de bestreden besluiten (gedeeltelijk) zal herzien.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Het College heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij besluit van 6 juli 2018 (het wijzigingsbesluit 1) heeft verweerder het bestreden besluit 1 herzien, de bezwaren van appellante gegrond verklaard, het primaire besluit 1 herroepen ten aanzien van de door appellante afgesloten overeenkomst met [naam 3] , de overige overwegingen in de beslissing op bezwaar 1 in stand gelaten en het aantal betalingsrechten opnieuw vastgesteld.

Bij brieven van 30 juli 2018 heeft appellante in de zaken 17/141 en 17/230 verzocht om veroordeling tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Bij brief van 10 augustus 2018 heeft appellante beroep ingesteld tegen het herziene bestreden besluit 1.

Bij brief van 21 augustus 2018 heeft verweerder het College een (ongedateerd) besluit toegezonden waarbij hij het bestreden besluit 2 heeft herzien (het wijzigingsbesluit 2), de bezwaren gegrond heeft verklaard, het primaire besluit 2 heeft herroepen, het bestreden besluit 2 vervallen heeft verklaard met uitzondering van zijn overwegingen ten aanzien van de door appellante ingediende ingebrekestelling, en het bedrag van de uitbetaling voor het jaar 2015 opnieuw heeft vastgesteld.

Desgevraagd heeft verweerder het College op 12 september 2018 telefonisch meegedeeld dat ook het bestreden besluit 3 op korte termijn zal worden herzien.

Bij brief van 17 september 2018 heeft het College partijen meegedeeld dat hij, gelet op de al genomen nieuwe beslissingen op bezwaar in de zaken 17/141 en 17/230 en de verwachte nog te nemen nieuwe beslissing op bezwaar in de zaak 17/912, aanleiding heeft gezien het onderzoek in alle drie zaken te heropenen.

Bij brieven van 21 september 2018 heeft het College appellante in de gelegenheid gesteld de beroepsgronden in de zaken 17/141 en 17/230 aan te vullen.

Bij brief van 8 oktober 2018 heeft appellante haar beroepsgronden in de zaken 17/141 en 17/230 aangevuld.

Bij besluit van 25 oktober 2018 heeft verweerder het bestreden besluit 3 herzien (het herziene bestreden besluit 3), de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit 3 herroepen en het bedrag van de uitbetaling voor het jaar 2016 opnieuw vastgesteld.

Bij brief van 30 oktober 2018 heeft appellante in zaak 17/912 haar beroep ingetrokken en het College verzocht verweerder op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de kosten te veroordelen.

Het College heeft in de zaken 17/141 en 17/230 het onderzoek gesloten, nadat partijen bij brieven van respectievelijk 30 oktober 2018 (appellante) en 31 oktober 2018 (verweerder) hadden verklaard dat zij geen gebruik wilden maken van het recht ter zitting nader te worden gehoord.

Overwegingen

17/141 en 17/230

1.1

Appellante heeft in haar Gecombineerde Opgave 2015 om toewijzing van betalingsrechten en uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 gevraagd. In haar Gecombineerde Opgave 2016 heeft appellante uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2016 verzocht.

1.2

Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder aan appellante 144,42 betalingsrechten toegewezen. Bij de vaststelling hiervan is verweerder uitgegaan van 144,42 hectare geconstateerde subsidiabele landbouwgrond. Bij uitspraak van het College van 29 mei 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:232) heeft het College in een beroep van [naam 3] geoordeeld dat verweerder alsnog rekening zal moeten houden met een privaatrechtelijke overeenkomst met betrekking tot de verhuur van 9,37 hectare landbouwgrond aan [naam 3] . Hangende beroep heeft verweerder bij het wijzigingsbesluit 1 naar aanleiding van genoemde uitspraak van het College alsnog rekening gehouden met de privaatrechtelijke overeenkomst van appellante met [naam 3] en heeft verweerder aan appellante 153,79 betalingsrechten toegewezen.

1.3

Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder aan appellante een basis- en vergroeningsbetaling toegekend van € 89.507,79 voor het jaar 2015. Bij het wijzigingsbesluit 2 heeft verweerder alsnog rekening gehouden met de onder 1.2 genoemde privaatrechtelijke overeenkomst en heeft verweerder aan appellante een basis- en vergroeningsbetaling toegekend van € 85.736,84 voor het jaar 2015.

1.4

In de wijzigingsbesluiten 1 en 2 heeft verweerder conform de beroepen van appellante alsnog rekening gehouden met de privaatrechtelijke overeenkomst tot verhuur van 9,37 betalingsrechten door appellante aan [naam 3] . Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht hebben de beroepen in de zaken 17/141 en 17/230 van rechtswege mede betrekking op de wijzigingsbesluiten 1 en 2.

2.1

Appellante heeft in beroep gemotiveerd aangevoerd dat zij het niet eens is met de vaststelling van de oppervlakten van de percelen 2, 3, 4, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 27, 31 en 33. In de (op de zaken 17/141 en 17/230 betrekking hebbende) brief van 8 oktober 2018 heeft appellante te kennen gegeven dat zij pro forma bij brief van 10 augustus 2018 beroep heeft ingesteld tegen het wijzigingsbesluit 1 nu dit besluit enkel ziet op het alsnog goedkeuren van de privaatrechtelijke overeenkomst tot verhuur van 9,37 betalingsrechten door appellante aan [naam 3] , terwijl het beroep ook ziet op de door verweerder geconstateerde oppervlakte op gewasperceelsniveau. De oppervlakteproblematiek wordt niet betrokken binnen de wijzigingsbesluiten 1 en 2. Appellante gaat ervan uit dat de oppervlakteproblematiek wordt meegenomen binnen de uitspraak.

2.2

Verweerder heeft in het verweerschrift verwezen naar artikel 5, derde lid, van Gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014), waaruit blijkt dat een lidstaat het subsidiabele maximumareaal per referentieperceel moet bepalen binnen een marge van maximaal 2%, rekening houdend met de omtrek en conditie van het referentieperceel. Bij kleine veranderingen binnen die marge hoeft de lidstaat het referentieperceel niet aan te passen en mag verweerder uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel. Dit is slechts anders indien sprake is van duidelijke veranderingen van de subsidiabele oppervlakte in het veld. Voor alle genoemde percelen, met uitzondering van perceel 14, geldt dat deze binnen de 2%-marge vallen, aldus verweerder. Met betrekking tot perceel 14 stelt verweerder zich verder op het standpunt dat hij de door appellante betwiste gedeelten heeft goedgekeurd. Appellante heeft ter zitting bevestigd dat perceel 14 niet langer in geschil is. Daarnaast heeft appellante ter zitting bevestigd dat ook de percelen die volgens verweerder binnen de 2%-marge vallen niet langer in geschil zijn, met uitzondering van perceel 3. De door appellante aangevraagde oppervlakte van perceel 3 bedraagt 4,40 hectare. Verweerder heeft in het primaire besluit 1 een oppervlakte van perceel 3 geconstateerd van 4,40 hectare, en in het bestreden besluit 1 een oppervlakte van 4,39 hectare. Bij het herziene bestreden besluit 1 heeft verweerder dit onderdeel van het besluit gehandhaafd.

2.3

Met betrekking tot perceel 3 handhaaft appellante het standpunt dat verweerder een daarin aanwezige greppel ten onrechte niet als subsidiabele landbouwgrond heeft aangemerkt. Appellante heeft daartoe gewezen op de uitspraak van het College van 5 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:494) onder 5 inzake de herbeoordeling van perceel 3 door verweerder bij de uitbetaling van toeslagrechten aan appellante over het jaar 2012, waarbij verweerder de oppervlakte van perceel 3 heeft vastgesteld op 4,48 hectare. Gesteld noch gebleken is echter dat deze greppel eerder niet aanwezig was, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een duidelijke verandering in de subsidiabele oppervlakte in het veld. Nu appellante voorts niet heeft betwist dat het verschil tussen de door haar in de Gecombineerde opgave 2015 aangevraagde oppervlakte (4,40 hectare) en de door verweerder vastgestelde maximale subsidiabele oppervlakte (4,39 hectare) niet meer dan 2% bedraagt, mag verweerder naar het oordeel van het College uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van het verschil (zie de uitspraak van het College van 29 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:197)).

2.4

Gelet op het voorgaande mocht verweerder, zowel bij de toewijzing van de betalingsrechten als bij de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling in 2015, naar het oordeel van het College uitgaan van de door verweerder vastgestelde oppervlakten van de onder 2.1 genoemde percelen.

3. Uit het voorgaande volgt dat de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 en de wijzigingsbesluiten 1 en 2 ongegrond zijn.

4. Appellante heeft bij brieven van 30 juli 2018 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

4.1

Het gaat hier om niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die zijn bekend gemaakt na 1 februari 2014. Gelet op vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) geldt in dat geval als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.13.2). Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

4.2

De redelijke termijn neemt een aanvang met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. De bezwaarschriften van appellante zijn door verweerder ontvangen op 18 april 2016 en 1 juni 2016. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 13 november 2018 de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar in beide zaken is overschreden, respectievelijk met ruim zes maanden en ruim vijf maanden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake.

4.3

Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt het onder 4.1 overwogene mee dat appellante recht heeft op een schadevergoeding van respectievelijk € 1.000,- (zaak 17/141) en € 500,- (zaak 17/230), derhalve in totaal € 1.500,-.

4.4

Het College stelt vast dat de overschrijding deels is toe te rekenen aan verweerder, nu de behandeling van de bezwaarschriften meer dan een half jaar (in beide zaken ongeveer acht maanden) in beslag heeft genomen, en deels is toe te rekenen aan het College, nu de behandeling van de beroepen meer dan anderhalf jaar (respectievelijk ruim 21 en ruim 20 maanden) heeft geduurd.

4.5

Het College zal gelet op het onder 4.4 overwogene op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder en de minister van Justitie en Veiligheid veroordelen tot betaling van een bedrag van ieder € 750,- aan appellante (zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.11.1).

17/141, 17/230 en 17/912

5.1

Het College zal verweerder veroordelen in de proceskosten, gelet op de door verweerder na het instellen van de beroepen genomen wijzigingsbesluiten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de brieven van 8 oktober 2018 met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De zaken worden daarbij aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

17/141 en 17/230

5.2

Voorts zal het College overgaan tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor het indienen van de verzoeken tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (1 punt voor het indienen van de verzoeken, wegingsfactor 0,5) ten laste van verweerder en van de minister van Justitie en Veiligheid (ieder voor de helft). De zaken worden daarbij aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

Beslissing

Het College:

in de zaken 17/141, 17/230

- verklaart de beroepen ongegrond;

in de zaken 17/141, 17/230 en 17/912

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 999,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.252,50;

in de zaken 17/141 en 17/230

- veroordeelt verweerder om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 750,- te betalen;

- veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 750,- te betalen;

- veroordeelt verweerder ter zake van het indienen van de verzoeken tot vergoeding voor immateriële schade in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 125,25;

- veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid ter zake van het indienen van de verzoeken tot vergoeding voor immateriële schade in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 125,25.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. T. Pavićević en mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.

w.g. H.L. van der Beek w.g. J.B.C. van der Veer