Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:607

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
17/1855
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001; weigering EIA-verklaring; tijdige aanmelding van de investering?; aannemingsovereenkomst met hoofdaannemer; wijziging soort LED-verlichtingssysteem

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1855

27652

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2018 in de zaak tussen

Exploitatiemaatschappij Altometer B.V., te Sliedrecht, appellante

(gemachtigde: mr. A.W. Niesert),

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om aan appellante een verklaring Energie-investeringsaftrek (EIA-verklaring) af te geven als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).

Bij besluit van 8 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2018. Appellante en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de kant van appellante zijn ook verschenen [naam 1] en [naam 2] . Van de kant van verweerder is ook verschenen [naam 3] .

Overwegingen

1. Appellante heeft op 25 november 2016 een aanmelding gedaan van de investering in een LED-verlichtingssysteem voor verlichting in of bij bedrijfsgebouwen. Daarbij heeft appellante een EIA-verklaring aangevraagd. Het geschil draait om de vraag of appellante deze aanmelding tijdig heeft gedaan.

2.1

Ingevolge artikel 3.42, eerste lid, van de Wet IB 2001, zoals dit ten tijde van het nemen van het primaire besluit luidde, wordt, indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door verweerder is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie‑investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie‑investeringsaftrek). Energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie‑investering is aangemeld bij verweerder, aldus artikel 3.42, zesde lid, van de Wet IB 2001.

2.2

De aanmelding van de aangegane verplichtingen ter zake van een energie-investering moet plaatsvinden binnen een termijn van drie maanden vanaf het aangaan van de verplichtingen, zo volgt uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling energie‑investeringsaftrek 2001 (de Uitvoeringsregeling).

3. Verweerder is slechts bevoegd een EIA-verklaring af te geven indien door hem is vastgesteld dat aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan, zo heeft het College eerder geoordeeld in zijn uitspraak van 18 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:217. Dit betekent dat verweerder dient vast te stellen op welk moment de verplichtingen door appellante ter zake van het bedrijfsmiddel zijn aangegaan en op basis daarvan te beslissen over de tijdigheid van indiening van de aanmelding van de investering in het bedrijfsmiddel en het verzoek om een EIA-verklaring.

4.1

Volgens vaste jurisprudentie van het College is het moment van aangaan van verplichtingen in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling het moment waarop partijen het niet meer in hun macht hebben zelf te bepalen dat de overeenkomst geen doorgang vindt.

4.2

Volgens appellante is zij de verplichting pas aangegaan in een mondeling overleg tussen een vertegenwoordiger van haar en een vertegenwoordiger van de hoofdaannemer. De datum waarop dit heeft plaatsgevonden is gelegen in de periode tussen de revisie van de verlichtingsplannen op 26 september 2016 en het plaatsen van de inkooporder door de onderaannemer voor het LED-verlichtingssysteem op 28 september 2016. Daarvan uitgaande zou de aanmelding op 25 november 2016 tijdig zijn gedaan.

4.3

Verweerder daarentegen meent dat de beslissing over het LED-verlichtingssysteem slechts een uitvoering en concretisering is van de eerder aangegane overeenkomst tussen appellante en de hoofdaannemer van 13 november 2015, zoals gewijzigd op 10 december 2015. Daarvan uitgaande zou de aanmelding op 25 november 2016 niet binnen drie maanden en dus te laat zijn gedaan.

5. Op 13 november 2015 heeft appellante met de hoofdaannemer een aannemingsovereenkomst gesloten. In artikel 2 is overeengekomen dat uitvoering plaatsvindt conform het bestek van project 131392. Op 10 december 2015 is de overeenkomst aangepast, in die zin dat is vermeld dat uitvoering plaatsvindt conform het bestek van project 131392 van 4 december 2015 en conform de documentenlijst van 4 december 2015. In het bestek is onder 70.11.30-a vermeld dat armaturen worden toegepast volgens de daarbij gevoegde armaturenlijst en voor de B-percelen conform de armaturenlijst 'Krodor'. De armaturenlijst heeft volgens een brief van appellante aan verweerder van 8 maart 2017 het karakter van een overzicht van types waaruit (zo mogelijk) een keuze kan worden gemaakt om aan de prestatie-eisen te voldoen.

6. Het College stelt vast – en partijen zijn het hierover met elkaar eens – dat de overeenkomst met de hoofdaannemer onder andere omvatte het aanbrengen van een LED‑verlichtingssysteem in de te realiseren bedrijfsgebouwen. De prestatie-eisen waaraan dat systeem zou moeten voldoen stonden op grond van de overeenkomst vast. Dat uiteindelijk is gekozen voor een ander LED-verlichtingssysteem dan in de armaturenlijst was opgenomen, brengt, reeds gelet op hetgeen appellante in de genoemde brief van 8 maart 2017 heeft verklaard omtrent de betekenis van de lijst, niet met zich dat moet worden aangenomen dat de overeenkomst op dit punt is gewijzigd. De conclusie luidt, dat appellante de verplichting inzake de LED-verlichting al is aangegaan bij de aannemingsovereenkomst.

7. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat de aanvraag voor een verklaring niet binnen drie maanden nadien kon worden gedaan omdat de verplichting inzake de LED‑verlichting nog niet voldoende bepaalbaar was volgt het College haar daarin niet. Voor het doen van de aanvraag was het immers blijkens het elektronische aanmeldingsformulier niet nodig reeds dadelijk de aantallen en de prijzen van de armaturen te vermelden. In dat kader stelt het College vast dat deze twee gegevens geen verplichte velden zijn op dat formulier. Zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, had appellante dan ook op een later moment de aanvraag kunnen aanvullen.

8. Nu appellante niet binnen een termijn van drie maanden vanaf het aangaan van de verplichtingen de aanmelding heeft gedaan, is niet voldaan aan een voor het afgeven van een EIA-verklaring noodzakelijke voorwaarde. Dit betekent dat verweerder gehouden was de EIA-verklaring te weigeren, op grond van artikel 3.42, zesde lid, van de Wet IB 2001, in samenhang gelezen met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling.

9. Voor zover appellante zich heeft beroepen op het vertrouwensbeginsel in verband met de informatie op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland over het verkrijgen van een EIA-verklaring, faalt dit. De mededeling op de website dat het bedrijfsmiddel volgens de hoofdregel binnen drie maanden na de opdracht tot levering moet worden gedaan is niet onverenigbaar met de inhoud van de Uitvoeringsregeling en voor zover een en ander appellante niet duidelijk was had zij verweerder om nadere informatie kunnen vragen dan wel daarover met verweerder in overleg kunnen treden. Het betoog van appellante dat verweerder de indruk heeft gewekt dat haar aanmelding inhoudelijk zou worden behandeld en dat verweerder met de vaststelling dat de aanmelding niet binnen drie maanden is gedaan, het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden, slaagt evenmin. Zoals het College hiervoor heeft overwogen, was verweerder gehouden de EIA-verklaring te weigeren. Dat verweerder in de aanloop naar de beoordeling van de aanvraag appellante om informatie heeft verzocht was louter ten dienste van een juiste besluitvorming en heeft, bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende bewoordingen, geen gerechtvaardigde verwachtingen omtrent de uitkomst daarvan bij appellante kunnen wekken.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. E.R. Eggeraat en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.

w.g. R.R. Winter w.g. M.B.L. van der Weele

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en de minister van Economische Zaken en Klimaat beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen (artikel 3.42, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001).