Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:597

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
17/1795 en 18/1736
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De knelgevallenregeling in artikel 12, tweede lid, van de Regeling biedt verweerder niet de mogelijkheid om rekening te houden met beoogde, maar niet gerealiseerde, groei van de veestapel.

De heffingen die zijn opgelegd op grond van de Regeling zijn niet in strijd met het in artikel 1 van het EP gewaarborgde recht op het ongestoord genot van eigendom. Gelet op de hoogte van de heffingen kan geen sprake zijn van een individuele en buitensporige last.

Wetsbepaling:

Artikel 12 van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (Regeling)

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 17/1795, 18/1736

16009

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2018 in de zaak tussen

melkveebedrijf [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J. Schmidt-Lo Fo Wung)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Krari, mr. M. Leegsma, mr. J.H. Eleveld en mr. J.P. Heinrich).

Procesverloop

Bij besluiten van 17 juni, 3 augustus, 23 september, 25 november 2017, respectievelijk 27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante heffingen opgelegd van € 888,- voor periode 1, van € 528,- voor periode 2, van € 137,- voor periode 3, van € 137,- voor periode 4 en een bonusgeldsom toegekend van € 678,- voor periode 5.

Bij besluiten van 26 oktober 2017 en 30 juli 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 12 april 2018 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Het onderzoek ter zitting is hervat op 27 september 2018, waarbij partijen zich lieten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Op 30 maart 2017 heeft appellante een verzoek als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Regeling ingediend om het referentieaantal te bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van diergezondheidsproblemen is geregistreerd (de melding). Daarbij is een diergeneeskundige verklaring van 24 maart 2017 gevoegd, die inhoudt dat het percentage runderen op het bedrijf van appellante dat lijdt aan de dierziekte mastitis sinds de ingebruikname van twee melkrobots eind 2013 extreem is toegenomen en beduidend hoger is dan op andere bedrijven. Volgens de veearts zijn de problemen begonnen vanaf de update van de melkrobots in mei 2014 en functioneren de robots nog steeds niet goed. In de periode na het installeren van de melkrobots zijn er meer runderen afgevoerd dan anders het geval zou zijn, zodat het dierenaantal op de peildatum lager was.

3.1

Verweerder ziet geen aanleiding om het referentieaantal te verhogen, omdat het referentieaantal op de peildatum door de dierziekte niet minimaal 5% lager (de 5%-eis) was.

3.2

Volgens appellante is haar veestapel sinds 2011 gestaag gegroeid en dat maskeert bij de toepassing van de 5%-eis de gevolgen van de dierziekte voor de omvang van de veestapel. Een redelijke uitleg van artikel 12, tweede lid, van de Regeling brengt met zich dat er, in plaats van het vaststellen van een eerder gelegen alternatieve peildatum, rekening wordt gehouden met de normale groei van het aantal runderen. In dat geval zouden elf runderen van appellante bij het vastgestelde referentieaantal moeten worden meegeteld en zou zij de 5%-eis wel halen. Voorts betoogt appellante dat de maatregelen op grond van de Regeling in strijd zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), omdat zij leiden tot een individuele en buitensporige last. Zij is namelijk vóór de peildatum onomkeerbare investeringen aangegaan die zij door de maatregelen niet kan terugverdienen. Ter zitting heeft appellante gevraagd haar de gelegenheid te bieden (nadere) gegevens en omstandigheden aan te voeren om aan te tonen dat er in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last.

4.1

Artikel 12, tweede lid, van de Regeling maakt het mogelijk het referentieaantal te bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van de diergezondheidsproblemen is geregistreerd. Daarvoor geldt als voorwaarde dat appellante aantoont dat het referentieaantal minimaal 5% lager is door die buitengewone omstandigheid. Het wetsartikel maakt het verhogen van het referentieaantal mogelijk door het vervroegen van het peilmoment. Die vormgeving en het doel van de Regeling staan naar het oordeel van het College in de weg aan een wetsuitleg die rekening houdt met een niet daadwerkelijk gerealiseerde, theoretische groei van de veestapel.

4.2

Reeds gelet op de hoogte van de heffingen kan naar het oordeel van het College geen sprake zijn van een individuele en buitensporige last. Het College ziet dan ook geen aanleiding om appellante nader de gelegenheid te bieden haar standpunt nader uit te werken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.

w.g. R.C. Stam w.g. L. ten Hove