Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:585

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
17/1043
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

randvoorwaarden GLB, niet-emissiearm uitrijden mest, art 5 Bgm

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/267 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1043

5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2018 in de zaak tussen

[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. ir. J.L. Mieras),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 20% op de aan appellante voor het jaar 2016 te verlenen rechtstreekse betalingen.

Bij besluit van 28 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellante is eveneens verschenen [naam 2] , vennoot, en aan de zijde van verweerder is voorts verschenen [naam 3] , toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen

1.1

Appellante heeft voor 2016 rechtstreekse betalingen aangevraagd.

1.2

Op 22 april 2016 heeft een toezichthouder van de NVWA een controle gehouden op een perceel kleigrond van 16,14 hectare dat in gebruik is bij het bedrijf van appellante. Hiervan heeft hij een inspectieverslag, gedateerd 29 juni 2016, en een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, gedateerd 9 augustus 2016 (proces-verbaal), opgesteld. In het inspectieverslag is vermeld dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat op een perceel niet-beteeld bouwland met ongelijke grond drijfmest was uitgereden met een zodebemester, waarbij veel te veel mest op de grond in plaats van in de grond was gekomen.

1.3

In het proces-verbaal staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“(…)
Locatie:

Een perceel niet beteeld bouwland, gelegen aan de [adres] in [plaats] (…), groot 16,14 ha (…).

Bevinding(en):

Op 22 april 2016 (…) reed ik, verbalisant (…) over de [adres] in [plaats] (…). Daar zag ik een tractor met aangekoppeld een zodebemester rijden op bovengenoemd perceel. Langs de kant van de weg stond een wagen met oplegger (mesttank) die de aanvoer van de vloeibare dierlijke mest voor de bemester verzorgde middels een aanvoerslang (navelstreng).

Ik zag dat de tractor met bemester op het punt stond om het perceel te verlaten. De tractor stond reeds voor de afrit van het perceel. (…)
Ik zag dat het een niet beteeld geploegd perceel was. Daardoor lag de grond niet vlak, waardoor emissiearm uitrijden van vloeibare dierlijke mest met een zodebemester nauwelijks mogelijk is. In deze situaties is een lichte voorbehandeling van de grond bijna standaard noodzakelijk om het emissiearm uitrijden mogelijk te maken.
Ik zag dat de mest op veel plaatsen uit de sleufjes over het land liep en dat door het ongelijk liggende land de bemester ook niet overal een sleufje had kunnen maken Ik stelde derhalve vast dat de vloeibare dierlijke mest niet emissiearm was aangewend als bedoeld in artikel 5, lid 1 van het Besluit gebruik meststoffen en zoals beschreven in Bijlage 1, lid 3, onder a punt 2 bij het Besluit gebruik meststoffen op bouwland.


(…)

Onderstaand de via de mail ontvangen verklaring van verdachte [naam 2] :

‘Hierbij verklaar ik, [naam 2] (…) Dat ik omstreeks half april aan loonbedrijf [naam 4] opdracht heb gegeven om dierlijke mest uit te rijden op een perceel naast de boerderij. Kennelijk is op 22 april deze mest uitgereden en ben ik daar niet bij aanwezig geweest aangezien ik op een ander perceel aardappelen aan het poten was. Ik werk al jaren met [naam 4] en ga ervan uit dat die volgens de regels werkt, hetgeen volgens mij ook gebeurd is.(…)


(…)”

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellante een randvoorwaardenkorting opgelegd van 20% op de rechtstreekse betalingen in verband met de niet-naleving van de in artikel 5 van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm) opgenomen verplichting om dierlijke mest emissiearm aan te wenden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en de bij het primaire besluit opgelegde randvoorwaardenkorting gehandhaafd.

3.1

Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Bijlage II bij Verordening 1306/2013 verwijst naar de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreinigingen door nitraten uit agrarische bronnen. Deze beheerseisen zijn in Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.8, bij de Uitvoeringsregeling, waarin wordt verwezen naar artikel 5 van het Bgm.

3.2

Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, en artikel 5, eerste lid, van het Bgm, in samenhang met bijlage I bij het Bgm, punt 3, onder a en onder 2°, wordt bij het emissiearm aanwenden van drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib de drijfmest of het zuiveringsslib op niet-beteeld bouwland onmiddellijk in de grond gebracht door middel van apparatuur waarmee de mest of het slib uitsluitend in de grond wordt gebracht in sleufjes. De sleufjes hebben geen grotere breedte dan 5 centimeter en zijn minimaal 5 centimeter diep.

3.3

Ingevolge artikel 97, eerste lid, eerste alinea, van Verordening 1306/2013 wordt de in artikel 91 bedoelde administratieve sanctie opgelegd wanneer voorschriften betreffende de randvoorwaarden (waartoe de beheerseisen behoren) op enig moment in een bepaald kalenderjaar ("betrokken kalenderjaar") niet worden nageleefd en de niet-naleving in kwestie rechtstreeks kan worden toegeschreven aan de begunstigde die de steunaanvraag of de betalingsaanvraag in het betrokken kalenderjaar heeft ingediend.

4. Appellante heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte een randvoorwaardenkorting van 20% heeft toegepast op de steun die zij in het kader van het GLB ontvangt in 2016. Zij bestrijdt dat zij de mest niet op een juiste manier heeft aangewend. De omstandigheden voor het uitrijden van de mest waren goed en er werd een juist apparaat gebruikt. De loonwerker die de mest heeft uitgereden heeft jarenlange ervaring. Vast staat voorts dat de mest in de grond is gebracht door middel van sleufjes. Deze sleufjes hadden geen grotere breedte dan 5 centimeter en waren minimaal 5 centimeter diep. Daarmee is voldaan aan de wettelijke eisen. Dat het land vlak moet liggen is geen wettelijke eis. Voor hetzelfde feit heeft de loonwerker een strafbeschikking ontvangen, waartegen verzet is aangetekend. De politierechter heeft hem vervolgens vrijgesproken. De politierechter was het met de loonwerker eens dat de mest wel degelijk emissiearm was toegediend. Tijdens de hoorzitting in bezwaar is melding gemaakt van deze vrijspraak en ook de ambtenaar die de hoorzitting leidde was van oordeel dat de mest overeenkomstig de wettelijke eisen was aangewend en dat appellante ten onrechte een randvoorwaardenkorting was opgelegd. Hij zou bij de NVWA nagaan of de loonwerker inderdaad was vrijgesproken. Daarmee is bij appellante vertrouwen gewekt dat de zaak was opgelost. Appellante acht het onbegrijpelijk dat verweerder op basis van hetzelfde inspectieverslag tot een andere conclusie komt dan de strafrechter. Van opzet is ook geen sprake. Appellante heeft geen opdracht gegeven om de mest niet-emissiearm uit te rijden.

5.1

Het College stelt voorop dat voor het uitrijden van dierlijke mest op het desbetreffende perceel de randvoorwaarde geldt zoals opgenomen in artikel 5, eerste lid, van het Bgm in samenhang met bijlage I, punt 3, onder a onder a en onder 2, bij het Bgm, omdat het hier gaat om niet-beteeld bouwland. Dit betekent dat de mest onmiddellijk in de grond moet worden gebracht in sleufjes met een maximale breedte van 5 centimeter en een minimale diepte van 5 centimeter. Het College is, anders dan door appellante is bepleit, van oordeel deze norm niet slechts een inspanningsverplichting omvat om de drijfmest in de bodem te brengen. Reeds uit de tekst van deze bepalingen volgt dat de drijfmest daadwerkelijk in de bodem moet worden gebracht.

5.2

Uit het proces-verbaal blijkt dat op het desbetreffende perceel de mest op veel plaatsen uit de sleufjes liep en dat de zodebemester ook niet overal een sleufje had kunnen maken. Appellante heeft deze constatering niet weersproken. Op basis hiervan heeft verweerder terecht geconcludeerd dat appellante dierlijke meststoffen niet emissiearm heeft aangewend en dat zij aldus artikel 5 van het Bgm heeft overtreden. Dat de loonwerker door de strafrechter is vrijgesproken, doet niet af aan de hiervoor geconstateerde niet-naleving. Een vrijspraak betekent alleen dat de strafrechter het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen acht. De bestuursrechter is bij de vaststelling van de feiten en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter, nu in die procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Daarbij komt dat uit de toelichting van verweerder ter zitting bovendien is gebleken dat de officier van justitie in de desbetreffende strafzaak vrijspraak had gevorderd omdat hij meende dat de loonwerker had voldaan aan zijn inspanningsverplichting om te voorkomen dat de mest niet emissiearm zou worden aangewend en de strafrechter de officier in diens redenering heeft gevolgd. Zoals hiervoor reeds overwogen behelst de norm van artikel 5 van het Bgm niet slechts een inspanningsverplichting. Verweerder was daarom bevoegd om aan appellante een randvoorwaardenkorting op te leggen op alle door appellante in het jaar 2016 aangevraagde GLB-subsidies.

5.3

Ten aanzien van de stelling van appellante dat zij geen opzet had op het niet-naleven van de randvoorwaarde overweegt het College als volgt. In het door het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) gewezen arrest van 27 februari 2014, nr. C-396/12, Van der Ham (ECLI:EU:C:2014:98) heeft het Hof geoordeeld dat ingeval inbreuk op de vereiste randvoorwaarden is gemaakt door een derde die werkzaamheden in opdracht van een steunontvanger uitvoert, deze begunstigde aansprakelijk kan worden gesteld voor die inbreuk indien hij opzettelijk of nalatig heeft gehandeld door de keuze van de derde, het op hem uitgeoefende toezicht en de hem gegeven instructies, ongeacht het opzettelijke of nalatige karakter van de gedraging van deze derde. Het feit dat appellante de uitvoering van de werkzaamheden geheel aan een loonwerkersbedrijf heeft overgelaten, ontslaat haar dus niet van de verantwoordelijkheid voor het naleven van de randvoorwaarden. Het College onderschrijft op grond van het proces-verbaal en meer in het bijzonder de daarin opgenomen verklaring van de vennoot van appellante het standpunt van verweerder dat appellante de overtreding opzettelijk heeft begaan. Verweerder heeft in dit verband terecht erop gewezen dat de omstandigheden dat er sprake is van kleigrond en dat het perceel is geploegd voor appellante aanleiding hadden moeten zijn om hetzij vóór aanvang van de werkzaamheden de loonwerker specifieke instructies te geven over het al dan niet uitrijden van mest op kleigrond en een geploegd – en daarmee ongelijk – perceel, hetzij tijdens de werkzaamheden zodanig toezicht te houden dat (onmiddellijk) ingrijpen mogelijk was zodra zichtbaar werd dat het niet mogelijk was om op bepaalde stukken de mest emissiearm uit te rijden. Appellante heeft het een noch het ander gedaan. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante bewust het risico heeft aanvaard dat op haar perceel niet-nalevingen plaatsvonden. Dat betekent dat appellante (voorwaardelijk) opzettelijk een randvoorwaarde niet heeft nageleefd. Het betoog van appellante dat het loonwerkersbedrijf als professioneel en ervaren te boek staat, doet hieraan op zichzelf niet af (zie ook de uitspraak van het College van 3 december 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:467) onder 4.10). Verweerder was daarom verplicht om op grond van de artikelen 91 en 97 van Verordening 1306/2013 voor een geconstateerde niet-naleving die met opzet is begaan een randvoorwaardenkorting vast te stellen ter hoogte van, in de regel, 20%.

5.4

Voor zover appellante betoogt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel, moet worden geoordeeld dat dit betoog faalt. Blijkens het verslag van de hoorzitting heeft de voorzitter van de hoorcommissie meegedeeld dat hij de officiële beslissing van de rechter zal afwachten en dat de zaak daarna zal worden afgerond. Hieraan kon en mocht appellante niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat de voorzitter met appellante van oordeel was dat niet in strijd was gehandeld met artikel 5 van het Bgm en bijgevolg geen randvoorwaardenkorting zou worden opgelegd, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel reeds om die reden niet slaagt.

5.5

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht een randvoorwaardenkorting van 20% toegepast op de aan appellante voor het jaar 2016 te verlenen rechtstreekse betalingen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. A. Venekamp en mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2018.

w.g. H.L. van der Beek w.g. J.B.C. van der Veer