Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:545

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
17/351
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Uitbetaling betalingsrechten, subsidiabele oppervlakte van percelen, verruiging, luchtfoto’s

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/351

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2018 in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellanten

(gemachtigde: ing. H.A.H. Wolters),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Anvelink).

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 16 februari 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen op grond van gewijzigde regelgeving.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van appellanten gedeeltelijk gegrond verklaard en het bestreden besluit 1 herroepen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2018.

Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellanten hebben met het doen van hun Gecombineerde opgave op 13 juni 2015 betalingsrechten en de uitbetaling van de betalingsrechten en vergroeningsbetaling aangevraagd. Zij hebben daartoe 103 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 142,43 ha. Bij besluit van 14 april 2016 heeft verweerder aan appellanten 85,04 betalingsrechten toegekend.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellanten € 37.471,37 aan basisbetaling en vergroeningsbetaling toegekend voor het jaar 2015.

2. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en aan appellanten € 37.810,41 aan basisbetaling en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 toegekend. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat met ingang van 22 augustus 2016 de regelgeving over kortingen is gewijzigd en dat dit tot gevolg heeft dat verweerder het kortingsbedrag en daarmee de basisbetaling voor appellanten opnieuw heeft berekend. Appellanten krijgen nog steeds een korting nu de door appellanten aangevraagde oppervlakte groter is dan de goedgekeurde oppervlakte en dit verschil tussen beide meer is dan twee hectare, namelijk 3,48 hectare. Verweerder verwijst hierbij naar artikel 19bis, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en randvoorwaarden (Verordening 640/2014).

2.1

Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder de bezwaren van appellanten gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en komt het bestreden besluit 1 te vervallen. Verweerder heeft bij het bestreden besluit 2 aan appellanten € 37.916,39 aan basisbetaling en vergroeningsbetaling toegekend voor het jaar 2015. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat hij in het bestreden besluit 2 meer subsidiabele hectares heeft geconstateerd en dat de korting vanwege een afwijking in de oppervlakte dus wordt verminderd. Appellanten krijgen nog steeds een korting nu het verschil tussen de aangevraagde oppervlakte en de goedgekeurde oppervlakte meer dan twee hectare bedraagt, namelijk 2,92 ha.

3. Appellanten kunnen zich niet vinden in de hoogte van de basisbetaling en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015. De oorzaak hiervan is dat aan hen te weinig betalingsrechten zijn toegewezen, omdat de oppervlakten van een aantal voor de toekenning en de uitbetaling van de betalingsrechten opgegeven percelen zijn verkleind tot 0,00 ha. Dit omdat de opgegeven percelen geen subsidiabele gronden zouden zijn. Het bedrijf van appellanten is 100% biologisch wat resulteert in ruige graslanden die jaarlijks worden gemaaid en begraasd en wel degelijk voldoen aan de definitie van natuurlijk blijvend grasland. Aan appellanten is dan ook ten onrechte een korting wegens overdeclaratie opgelegd van € 870,60. Daarbij kunnen appellanten zich niet vinden in de door verweerder gehanteerde methode van controle door middel van luchtfoto’s. Een juiste beoordeling van bijvoorbeeld de schaduwwerking van overhangende bomen aan de randen van de percelen of het vaststellen van de perceelgrenzen kan naar mening van appellanten slechts gebeuren door middel van een controle ter plaatse.

4. Het College overweegt als volgt.

4.1

Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit 1 mede betrekking op

het bestreden besluit 2. Nu het bestreden besluit 1 is vervangen door het bestreden besluit 2 en gesteld noch gebleken is dat appellanten nog belang hebben bij de beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.2

Het College stelt voorop dat het besluit van 27 oktober 2016, waarbij verweerder het besluit van 14 april 2016 heeft gehandhaafd en waarbij aan appellanten 85,04 betalingsrechten zijn toegewezen, in rechte onaantastbaar is geworden, omdat appellanten daartegen geen beroep hebben ingesteld. Dit betekent dat het rechtsgevolg waarop dit besluit is gericht, namelijk de vaststelling van het aantal en de waarde van de aan appellanten toegewezen betalingsrechten, vaststaat.

4.3

Het College kan de beroepsgrond van appellanten dat verweerder een controle ter plaatse had moeten uitvoeren en de subsidiabele oppervlakten van de percelen niet heeft kunnen vaststellen aan de hand van luchtfoto’s niet volgen. Zoals het College eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:236)) is in Nederland het systeem voor identificatie van landbouwpercelen gebaseerd op topografische percelen, die dienst doen als referentiepercelen. Samen vormen zij de AAN-laag (Agrarisch Areaal Nederland). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een landsdekkende luchtfoto met een schaal van 1:2.500. Voorts heeft het College reeds geoordeeld dat de functie van het systeem van referentiepercelen is om informatie te leveren wat betreft de maximale subsidiabele oppervlakte, en dat verweerder de AAN-laag mag gebruiken om te controleren of, en zo ja in hoeverre de door de landbouwer opgegeven landbouwpercelen de maximale subsidiabele oppervlakte overschrijden. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat de subsidiabele oppervlakte van de door appellanten opgegeven percelen niet door middel van metingen op basis van luchtfoto’s konden worden vastgesteld. Gelet hierop is het College van oordeel dat de methode waarmee verweerder de geconstateerde oppervlakte heeft vastgesteld niet onjuist te achten is.

4.4

Voor de vaststelling van het bedrag aan basisbetaling en de vergroeningsbetaling is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder ‘subsidiabele hectare’ wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van

17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Onder ‘landbouwareaal’ wordt – voor zover hier van belang – verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als blijvend grasland en blijvend weiland (artikel 4, eerste lid, onder e, van Verordening 1307/2013).

4.5

Appellanten kunnen zich niet vinden in de door verweerder vastgestelde oppervlakten van de percelen 3, 7, 69, 94, 111, 150, 160, 166, 167, 214, 263 en 269. Wat betreft perceel 69 stelt het College vast, zoals ook ter zitting is besproken, dat appellanten bij dit perceel in de Gecombineerde opgave van 13 juni 2015 wel “Ja” hebben aangevinkt bij de opgave voor de betalingsrechten, maar dat er vervolgens voor dit perceel een oppervlakte van 0,00 ha is opgegeven. Nu appellanten 0,00 ha voor perceel 69 hebben opgegeven, heeft verweerder de oppervlakte van dit perceel terecht niet meegenomen voor de uitbetaling van de betalingsrechten.

4.6

Verweerder heeft de door appellanten opgegeven oppervlakte van de percelen 3, 94, 111, 166, 214 en 269 (deels) niet als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt in verband met verruiging van de percelen en heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van het College van 17 januari 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:11).

4.7

Wat betreft de percelen 166, 214 en 269, door appellanten opgegeven met de gewascodes natuurlijk grasland, tijdelijk grasland en blijvend grasland, heeft verweerder in het bestreden besluit 2 uiteengezet dat deze percelen dusdanig zijn verruigd dat deze percelen niet aangemerkt kunnen worden als landbouwgrond in de zin van artikel 32, tweede lid van Verordening 1307/2013. Appellanten hebben in het beroepschrift erkend dat de percelen 166 en 269 in 2015 enigszins verruigd zijn met als oorzaak het door de terreineigenaar gewenste beheer. Uit de door verweerder overgelegde luchtfoto’s van de percelen 166, 214 en 269 en de bespreking daarvan ter zitting is het College gebleken dat zich op de percelen in 2015 geen grasland maar ruigte bevond en er dus geen sprake is van landbouwareaal in de zin van artikel 4, eerste lid, onder e van Verordening 1307/2013.

4.8

Wat betreft de percelen 3, 94 en 111 heeft verweerder uiteengezet dat er aan de noordzijde van perceel 3, aan de zuidzijde van perceel 94 en op een groot gedeelte van perceel 111 dusdanig sprake is van verruiging dat deze delen van de percelen niet aangemerkt kunnen worden als landbouwgrond in de zin van artikel 32, tweede lid van Verordening 1307/2013. Het College stelt vast dat op de door verweerder overgelegde luchtfoto’s van de percelen 3, 94 en 111 is te zien dat de door verweerder afgewezen delen van deze percelen een andere structuur hebben dan de omliggende grond die verweerder als subsidiabele oppervlakte heeft aangemerkt en uit verstruiking en verruiging bestaan. Verweerder heeft deze delen van de percelen terecht niet aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond.

4.9

Wat betreft de percelen 7, 160, 167 en 263 hebben appellanten zich op het standpunt gesteld dat de verkleining van deze percelen door verweerder wordt veroorzaakt door schaduwwerking van overhangende bomen en niet door bomen die op de perceelgrenzen staan. Verweerder heeft uiteengezet dat zich aan de westzijde van de percelen 160 en 263 een afrastering bevindt en dat de perceelgrens terecht op de afrastering is geconstateerd nu een perceel niet groter kan zijn dan het afgerasterde deel. Voor wat betreft de overige perceelgrenzen van de percelen 160 en 263 en de perceelgrenzen aan de noord- en westzijde van perceel 7 en de west- en zuidzijde van perceel 167 stelt verweerder dat er sprake is van bomenrijen aan de rand van het perceel. De perceelgrenzen zijn daarbij geconstateerd tegen de bomenrij nu een bomenrij niet kan worden aangemerkt als landbouwareaal in de zin van artikel 4, eerste lid, onder e van Verordening 1307/2013. Uit de door verweerder overgelegde luchtfoto’s en het verhandelde ter zitting is het College niet gebleken dat verweerder de perceelgrenzen met betrekking tot eerder genoemde percelen onjuist heeft vastgesteld.

4.10

Wat betreft het verschil van 0,04 ha tussen de door appellanten opgegeven oppervlakte en de door verweerder geconstateerde oppervlakte voor perceel 150 heeft verweerder uiteengezet dat appellanten bij het doen van hun Gecombineerde opgave (een gedeelte van) een opslag, silo en zand hebben ingetekend en dat deze niet zijn aan te merken als landbouwgrond in de zin van artikel 32, tweede lid van Verordening 1307/2013. Het College oordeelt dat verweerder deze oppervlakten terecht niet als subsidiabele landbouwgrond heeft aangemerkt.

4.11

Uit het voorgaande volgt dat het verschil tussen de door appellanten aangevraagde oppervlakte en de door verweerder goedgekeurde oppervlakte 2,92 ha is. De voorwaarden voor het toepassen van een korting vloeien rechtstreeks voort uit artikel 19bis eerste lid, van Verordening 640/2014, namelijk indien dat verschil meer dan 3% van het geconstateerde areaal of meer dan twee hectare bedraagt. In geval van appellante is er sprake van een verschil van meer dan 2 ha, namelijk 2,92 ha en heeft verweerder dus terecht een administratieve sanctie toegepast.

5. Uit het voorgaande volgt verder dat het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit 2 ongegrond is.

6. Het College veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten, gelet op de door verweerder na het instellen van het beroep genomen besluit. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellanten te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2018.

w.g. T. Pavićević w.g. W.M.J.A. Duret