Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:544

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
17/1225
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB. Uitbetaling betalingsrechten 2016. Geen melding overdracht betalingsrechten voor uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 17/1225

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 oktober 2018 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. G.A.M. Verhoeven),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.F. Bosma en mr. L. Anvelink).

Procesverloop

Bij besluit van 31 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basis- en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 6 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en een bedrag van € 2.521,22 vastgesteld aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft op 13 mei 2016 bij de Gecombineerde opgave 2016 om uitbetaling van de betalingsrechten en vergroeningsbetaling gevraagd. In deze Gecombineerde opgave heeft appellante opgegeven dat zij 27,99 hectare (ha) landbouwgrond op basis van geliberaliseerde pacht in gebruik of beheer heeft en deze opgegeven voor uitbetaling. Voorts is eveneens op 13 mei 2016 een melding overdracht van betalingsrechten gedaan. Daarbij is gemeld dat de Firma [naam 2] ( [naam 2] ), verhuurder, aan appellante, huurder, 0,98 betalingsrechten heeft overgedragen.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2016 afgewezen omdat de toe te kennen betaling vanuit de basisbetalingsregeling lager is dan € 500,-, namelijk € 162,50 aan basis- en vergroeningsbetaling op basis van 0,98 betalingsrechten, en de betalingen vanuit de GLB alleen worden uitbetaald als het totaal uit te betalen bedrag groter is dan € 500,-.

1.3

Na bezwaar tegen het besluit toewijzing betalingsrechten 2015 heeft verweerder bij besluit van 5 april 2017 aan appellante 14,36 betalingsrechten toegewezen. Bij de vaststelling hiervan is verweerder uitgegaan van 28,73 ha geconstateerde subsidiabele landbouwgrond, waarvan 14,37 ha gehuurd met een private overeenkomst.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en een bedrag van € 2.521,22 vastgesteld aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016. Aan dit besluit heeft verweerder - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat er aan appellante niet meer betalingsrechten kunnen worden uitbetaald dan het aantal betalingsrechten waarover zij beschikt. Gelet op het toegewezen aantal betalingsrechten in 2015 en het aantal overgedragen betalingsrechten in 2016 gaat het op 15 mei 2016 in totaal om 15,34 betalingsrechten. Appellante heeft niet gesteld en verweerder is evenmin gebleken dat zij voor het jaar 2016 (meer) betalingsrechten heeft overgenomen.

2. Appellante kan zich niet verenigen met de hoogte van de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2016. Appellante heeft daartoe aangevoerd dat er bij de uitbetaling ten onrechte geen rekening is gehouden met de 14,37 betalingsrechten die zij heeft gehuurd van [naam 2] (verhuurder). Een melding van een overdracht van de betalingsrechten kon niet op de uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag voor 2016 worden gedaan omdat er - gelet op het nog lopende bezwaar met betrekking tot de weigering betalingsrechten en uitbetaling basis- en vergroeningsbetaling 2015 - ten tijde van de aanvraag nog geen betalingsrechten waren toegewezen aan de verhuurder en de verhuurder daar dus ook nog niet de beschikking over had. Wel heeft appellante de grond die zij van verhuurder in gebruik had in de Gecombineerde opgave 2016 vermeld. Appellante heeft dan ook het maximaal mogelijke gemeld. Verder heeft appellante aangevoerd dat verweerder ambtshalve bij de uitbetaling over 2016 rekening had moeten houden met de uitkomst van het bezwaar met betrekking tot de toewijzing en uitbetaling van de betalingsrechten over 2015. Appellante meent dat zij dit ook heeft mogen afleiden uit de berichtgeving van verweerder op diens website.

3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat appellante in de Gecombineerde opgave 2016 de uitbetaling van 27,99 betalingsrechten heeft gevraagd, terwijl zij daar niet over beschikt. Appellante heeft niet binnen de aanvraagperiode melding gemaakt van de overdracht van 14,37 betalingsrechten. Er is slechts melding gedaan van de overdracht van 0,98 betalingsrechten. In het geval er een (technische) onmogelijkheid was om melding te doen van de overdracht had het op de weg van appellante gelegen om daarover mondeling dan wel schriftelijk contact op te nemen. Dit heeft appellante nagelaten. Voor zover appellante meent dat zij op basis van de berichtgeving op de website er op mocht vertrouwen dat verweerder de aanvraag voor 2016 automatisch zou wijzingen naar aanleiding van de uitkomst van het bezwaar over de betalingsrechten voor 2015, is verweerder van mening dat er geen ongeclausuleerde toezegging aan appellante is gedaan. Tevens wijst verweerder op de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) dat geen beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan tegen een duidelijke bepaling van het gemeenschapsrecht.

4. Het geschil gaat om de vraag of verweerder de hoogte van de van de aan appellante uit te betalen basis- en vergroeningsbetaling voor 2016 juist heeft vastgesteld.

5.1

Ingevolge artikel 21, eerste lid en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) - voor zover hier van belang - wordt in het kader van de basisbetalingsregeling steun beschikbaar gesteld voor landbouwers die in het kader van deze verordening betalingsrechten verwerven door middel van een toewijzing of door middel van een overdracht krachtens artikel 34. Ingevolge artikel 34, eerste lid van Verordening 1307/2013 - voor zover hier van belang - kunnen betalingsrechten uitsluitend worden overgedragen aan een landbouwer die overeenkomstig artikel 9 het recht heeft op toekenning van rechtstreekse betalingen en in dezelfde lidstaat is gevestigd.

5.2

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling kan de aanspraak op betaling in enig jaar van aanvraag op basis van een overdracht van betalingsrechten als bedoeld in artikel 34 van Verordening 1307/2013, slechts worden gemaakt indien de landbouwer die de betalingsrechten heeft overgedragen de minister uiterlijk op de uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag in het desbetreffende jaar van aanvraag met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld in kennis heeft gesteld van de overdracht.

De uiterste datum van indiening is voor het jaar 2016 bepaald op 17 mei 2016.

5.3

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 641/2014 van de Commissie van 16 juni 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 641/2014) geldt - voor zover hier van belang - voor een steunaanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling, indien het aangegeven aantal betalingsrechten hoger is dan het aantal betalingsrechten waarover de begunstigde beschikt, de aangegeven betalingsrechten worden verlaagd tot het aantal betalingsrechten waarover de begunstigde beschikt.

6.1.1

Appellante heeft in de Gecombineerde opgave 2016 gevraagd om uitbetaling van 27,99 betalingsrechten. Vast staat dat appellante ten tijde van de aanvraag de beschikking had over 14,36 betalingsrechten. Eveneens staat vast dat er vóór 17 mei 2016 geen melding is gedaan van de overdracht van 14,37 betalingsrechten van verhuurder aan appellante. Op 13 mei 2016 is door verhuurder slechts melding gedaan van de overdracht van 0,98 betalingsrechten van verhuurder aan appellante. Voor zover appellante in dit verband heeft gesteld dat het systeemtechnisch niet mogelijk was om - tijdig - melding te doen van de overdracht van de (overige) 14,37 betalingsrechten, omdat er nog niet op het bezwaar van de verhuurder met betrekking tot de weigering betalingsrechten over 2015 was beslist, zodat deze nog niet beschikte over de aan appellante over te dragen betalingsrechten, had het op de weg van appellante gelegen, als indiener van de aanvraag, om tijdig contact op te nemen met verweerder in welk geval verweerder daarmee rekening had kunnen houden. Dat heeft appellante nagelaten, althans niet is komen vast te staan dat appellante telefonisch contact heeft gezocht met verweerder zoals zij heeft gesteld.

6.1.2

Anders dan appellante meent is het voor de uitbetaling van de betalingsrechten niet afdoende dat zij in de Gecombineerde opgave 2016 onder het kopje ‘Opgegeven oppervlakte per gebruikstitel’ heeft opgegeven ‘Geliberaliseerde pacht, 6 jaar of korter’ 27,99 ha. Daarmee is immers niet voldaan aan de voorwaarde als gesteld in artikel 2.12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling waar uitdrukkelijk is bepaald dat een landbouwer wordt geacht op de datum van indiening van zijn aanvraag over betalingsrechten te beschikken wanneer uiterlijk op die datum betalingsrechten definitief aan hem zijn overgedragen. Daarvan was in dit geval geen sprake.

6.2

Voor zover appellante heeft gemeend aan de door verweerder gegeven informatie het vertrouwen te kunnen ontlenen dat verweerder de uitkomst van de beslissing op bezwaar met betrekking tot de betalingsrechten voor 2015 automatisch zou verwerken in de aanvraag voor de uitbetaling over 2016, wat daar ook van zij, kan dat niet tot een andere uitkomst leiden. Het gaat, zoals verweerder terecht heeft gesteld, namelijk om volledig Unierechtelijk geregelde betalingen waarop het ongeschreven Unierechtelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 december 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:489), kan op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie het vertrouwensbeginsel niet tegen een duidelijke Unierechtelijke bepaling worden aangevoerd en kan een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het Unierecht belaste nationale autoriteit bij een marktdeelnemer geen gewettigd vertrouwen op een met het Unierecht strijdige behandeling opwekken (zie het arrest van 20 juni 2013, zaak C‑568/11, Agroferm (ECLI:EU:C:2013:407), punt 52 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit betekent dat appellantes beroep op het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Het voorgaande brengt mee dat aan appellante niet in weerwil van het in artikel 18, vijfde lid, van Verordening 640/2014 gestelde toch uitbetaling kan worden verkregen voor 27,99 ha.

6.3

Uit de hiervoor overwogene volgt dat verweerder de hoogte van de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2016 terecht heeft gebaseerd op in totaal 15,34 betalingsrechten.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, mr. J.A.M. van den Berk en
mr. H.G. Lubberdink, in aanwezigheid van mr. L.N. Nijhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2018.

w.g. T. Pavićević w.g. L.N. Nijhuis