Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:539

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
17/395
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling LNV-subsidies. Vaststelling subsidie. Europees Visserijfonds. Afwijking van subsidieverlening. Accountantskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/2027
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/395

27803

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2018 in de zaak tussen

Ursa Major Services B.V., te Emmeloord, appellante

(gemachtigde: mr. J.G.J. van den Bergh),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. W.C.M. Niekus-de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder voor het project 'Fryske fiskerij yn byld' de subsidie vastgesteld op € 85.248,-, op grond van de Regeling LNV-subsidies (de Regeling). Verweerder heeft een bedrag van € 15.634,- aan teveel uitgekeerde voorschotten van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 22 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de kant van appellante waren ook aanwezig [naam 1] en [naam 2] , van de kant van verweerder waren ook aanwezig [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1. Op 28 februari 2013 heeft verweerder subsidie verleend voor een bedrag van maximaal € 126.103,- voor het project 'Fryske fiskerij yn byld', een project in het kader van Duurzame ontwikkeling visserijgebieden, als bedoeld in artikel 4:33c van de Regeling. Het project is geselecteerd in verband met het Nederlandse Operationeel Programma ‘Perspectief voor een duurzame visserij’ dat wordt medegefinancierd uit het Europees Visserijfonds. Doel van het project was om met een documentaire over de visserij in Friesland, waarmee inzicht wordt gegeven in duurzame en innovatieve initiatieven, een positief beeld te geven van de visserijsector in Friesland. De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten, zo volgt uit artikel 34, tweede lid, van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012. Bij besluit van 18 december 2015 heeft verweerder de subsidieverlening gewijzigd.

2. Appellante richt zich tegen de weigering door verweerder om in het kader van het vaststellingsbesluit een aantal kostenposten aan te merken als subsidiabele kosten.

3.1

Appellante betoogt allereerst dat verweerder ten onrechte niet is uitgegaan van de gewijzigde uurtarieven voor de inzet van de Coöperatieve Producentenorganisatie Nederlandse Vissersbond U.A., waarvan appellante een 100% dochteronderneming is.

3.2

Het geschilpunt gaat over kostenpost H, met als omschrijving 'Inzet Ursa Major Services B.V.'. Voor deze kostenpost heeft appellante € 25.000,- subsidie aangevraagd, gebaseerd op een offerte van appellante van 8 januari 2013 die bij de aanvraag tot subsidieverlening is gevoegd. In de offerte zijn de werkzaamheden van drie werknemers van appellante opgenomen voor in totaal € 25.000,-, met uurtarieven van respectievelijk € 40,- en € 75,-. Bij het besluit tot subsidieverlening heeft verweerder de subsidie overeenkomstig de aanvraag verleend.

3.3

Bij de aanvraag tot subsidievaststelling heeft appellante voor kostenpost H een bedrag van € 17.837,58 opgevoerd. Dat bedrag is gebaseerd op uurtarieven van respectievelijk € 45,- en € 90,-, zoals deze blijken uit facturen van de Nederlandse Vissersbond aan appellante.

3.4

Het College is van oordeel dat verweerder bij de subsidievaststelling wat betreft kostenpost H appellante mocht houden aan de door haarzelf in de aanvraag om subsidieverlening gehanteerde uurtarieven. Verweerder diende immers op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de subsidie vast te stellen overeenkomstig de subsidieverlening, die op haar beurt is gebaseerd op de aanvraag van appellante. In artikel 4:95, vierde lid, van de Awb is de mogelijkheid opgenomen dat onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd. Appellante betoogt dat zij niettemin ervan uitging dat verweerder akkoord zou gaan met de hogere uurtarieven, nu verweerder een voorschot had verleend op basis van een aanvraag waarbij facturen waren gevoegd waarop de hogere uurtarieven waren vermeld. Het College is echter van oordeel dat appellante aan de verlening van het voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat, in afwijking van de subsidieverlening en zonder dat daarvoor een wijziging nodig zou zijn, de subsidie zou worden vastgesteld met toepassing van de hogere tarieven. In dat verband is van belang dat appellante in haar verzoek om een voorschot te verlenen wel de hogere tarieven heeft vermeld, maar die verhoging niet uitdrukkelijk aan de orde heeft gesteld en verweerder daarop in zijn besluit om een voorschot te verlenen niet uitdrukkelijk met die hogere tarieven akkoord is gegaan.

4.1

Appellante betoogt verder dat verweerder ten onrechte de kosten voor werkzaamheden van de accountant niet als subsidiabele kosten heeft aangemerkt. Dienaangaande overweegt het College als volgt. Artikel 4:33g, aanhef en onder b, van de, ingevolge overgangsrecht nog toepasselijke, Regeling bepaalt dat de kosten van een controleverklaring van een accountant, voor zover deze kosten niet meer bedragen dan € 2.500,-, in aanmerking komen voor subsidie. Het College stelt vast dat appellante bij haar aanvraag om subsidie onder meer een zodanig bedrag aan kosten voor een accountantsverklaring heeft opgevoerd en dat die kosten deel uitmaken van het bedrag dat door verweerder bij zijn besluit tot subsidieverlening als subsidiabele kosten is aangemerkt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu de werkzaamheden van de accountant niet zijn uitgevoerd tijdens de looptijd van het project, zij niet als subsidiabel kunnen worden aangemerkt. Het College verstaat deze redenering van verweerder aldus dat hij appellante bij de vaststelling van de subsidie tegenwerpt dat deze zich op dit punt niet heeft gehouden aan haar verplichting slechts werkzaamheden en daarmee samenhangende kosten op te voeren die uiterlijk op 31 december 2015, zijnde de, gewijzigde, einddatum van het project, zijn uitgevoerd en betaald. Verweerder heeft, naar deze in het verweerschrift heeft uiteen gezet, er bij het vormen van deze opvatting niet aan voorbij gezien dat in dit specifieke geval de accountantsverklaring pas na 31 december kon worden opgesteld omdat veel betalingen van facturen voor dit project nog in december 2015 hebben plaatsgevonden. Dat neemt, aldus verweerder, samengevat weergegeven, niet weg dat de hier toepasselijke regelgeving dwingt tot het door hem ingenomen standpunt. Bovendien heeft verweerder appellante bij een eerdere gelegenheid al gewaarschuwd de desbetreffende accountantsverklaring op tijd, dat wil zeggen voor 1 januari 2016 in te dienen. Het College volgt verweerder hierin niet.

4.2

Ingevolge artikel 55, vierde lid, van de, hier ingevolge overgangsrecht nog toepasselijke, Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (EVF‑verordening) worden de regels inzake de subsidiabiliteit van de uitgaven op nationaal niveau vastgesteld onder voorbehoud van de bij deze verordening vastgestelde uitzonderingen. De subsidieontvanger vangt het project aan binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening en voert het project uit binnen een periode van ten hoogste drie jaar, zo is bepaald in artikel 4:33f, eerste lid, van de Regeling. In artikel 43d van het, ingevolge overgangsrecht nog toepasselijke, Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012 (Openstellingsbesluit) is bepaald dat in afwijking van artikel 4:33f, eerste lid, van de Regeling de subsidieontvanger het project waarvoor subsidie is verleend, uitvoert voor 1 januari 2016. Wat onder project moet worden verstaan is neergelegd in artikel 1:1 van de Regeling, te weten: het geheel van activiteiten gericht op concrete resultaten ter verwezenlijking van de in de Regeling omschreven subsidiedoelstellingen. Een accountantsverklaring als hier aan de orde is op zich zelf bezien niet gericht op concrete resultaten ter verwezenlijking van de doelstelling genoemd in artikel 4:33c, eerste lid, van de Regeling, namelijk stimulering van duurzame ontwikkeling en verbetering van de levenskwaliteit in bepaalde visserijgebieden en maakt derhalve in zoverre geen deel uit van het project. Tekst en strekking van de Regeling noch het ter zake toepasselijke Europese steunkader verzetten zich er tegen dat kosten van een accountantsverklaring die ziet op dat project en die na afloop van het project in het kader van de aanvraag tot subsidievaststelling is afgegeven en ingediend, tot de subsidiabele kosten worden gerekend. Het bepaalde in artikel 4:33h van de Regeling beschouwt het College als een exponent van die strekking, nu daarin is bepaald dat, indien het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiebedrag € 125.000,- of meer bedraagt, in de beschikking tot subsidieverlening kan worden bepaald dat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat van een controleverklaring van een accountant. Dat ligt ook voor de hand omdat een zodanige verklaring in voorkomend geval pas na afloop van het project gefundeerd kan worden opgesteld en de verplichtingen van de subsidieontvanger niet zo ver gaan dat deze, om, zoals verweerder wenst, de verklaring voor of tegelijkertijd met het beëindigen van het project te kunnen indienen, de projectperiode niet ten volle zou kunnen benutten.

4.3

Appellante heeft anders dan verweerder meent, dan ook niet een op haar rustende (subsidie)verplichting geschonden en deswege is er ook geen grond om op dit punt de subsidie niet in overeenstemming met de subsidieverlening vast te stellen. Het door appellante ontwikkelde betoog slaagt. In zoverre is het bestreden besluit, nu voor toepassing van het bepaalde in artikel 4:46, tweede lid, onder b, van de Awb geen grond is, dus genomen in strijd met artikel 4: 46, eerste lid, van de Awb.

5. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de eigen bijdrage van Scienceview wel tot de subsidiabele kosten behoort. Het College stelt met verweerder vast dat het gaat om een eigen bijdrage van Scienceview van € 400,-, die is opgenomen in een offerte voor het maken van 100 DVD's inclusief de vormgeving voor een bedrag van € 1.173,-. De eigen bijdrage van Scienceview was niet opgenomen in de subsidieverlening en appellante heeft verweerder verzocht om de subsidieverlening in die zin te wijzigen. Dat verzoek heeft verweerder bij besluit van 18 december 2015 afgewezen. Appellante heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Nu het besluit van 18 december 2015 in rechte vast staat, kan appellante de rechtmatigheid daarvan niet alsnog in het kader van de vaststelling van de subsidie aan de orde stellen.

6. Het beroep is gegrond. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door de subsidie vast te stellen op € 86.748,- (dat wil zeggen het reeds vastgestelde subsidiebedrag van € 85.248,- vermeerderd met € 1.500,-, zijnde 60% van € 2.500,- aan opgevoerde kosten van een accountantsverklaring) en zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Het bedrag van de bij deze uitspraak vast te stellen subsidie blijft lager dan het bedrag aan betaalde voorschotten. Hiervan uitgaande is het bedrag dat nog resteert voor terugvordering € 14.134,-.

7. Het College veroordeelt verweerder tot slot in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit, bepaalt dat de subsidie van appellante wordt vastgesteld op € 86.748,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.L. van der Beek en mr. W. den Ouden, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018.

w.g. R.R. Winter w.g. M.B.L. van der Weele