Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:538

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
17/1263
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling LNV-subsidies. Europees Visserijfonds. Subsidievaststelling en terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1263

27810

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2018 in de zaak tussen

Ekofish Group B.V., te Urk, appellante

(gemachtigde: mr. J.G.J. van den Bergh),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. W.C.M. Niekus-de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder voor het project 'Vistuig met ballen' de subsidie vastgesteld op € 128.660,-, op grond van de Regeling LNV‑subsidies (de Regeling). Verweerder heeft een bedrag van € 140.391,- aan teveel uitgekeerde voorschotten van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 30 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante deels gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen, de subsidie vastgesteld op € 154.944,- en een bedrag van € 114.107,- teruggevorderd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de kant van appellante was ook aanwezig [naam 1] , van de kant van verweerder waren ook aanwezig [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

1. Op 15 mei 2012 heeft verweerder subsidie verleend voor een bedrag van maximaal € 336.314,- voor het project 'Vistuig met ballen', dat ziet op netvernieuwing. Het betreft een project in het kader van Innovatieprojecten in de visserij, als bedoeld in artikel 4:15 van de Regeling. Het project is geselecteerd in verband met het Nederlandse Operationeel Programma ‘Perspectief voor een duurzame visserij’ dat wordt medegefinancierd uit het Europees Visserijfonds. De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten, zo volgt uit artikel 34, tweede lid, van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012.

2.1

Appellante richt zich in de eerste plaats tegen de beslissing van verweerder om in het kader van het vaststellingsbesluit de kosten voor de inzet van deelloonvissers niet als subsidiabele kosten aan te merken.

2.2

In het besluit tot subsidieverlening heeft verweerder, in afwijking van de aanvraag van appellante, de loonkosten ten bedrage van € 7.000,- verbonden aan de 'Doorontwikkeling vistuig door eigen bemanning' niet als loonkosten aangemerkt (kostenpost A), maar als kosten derden (kostenpost B). Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit tot subsidieverlening, zodat dit besluit in rechte vaststaat. Voor zover appellante in beroep heeft betoogd dat verweerder ten onrechte eraan vasthoudt dat de kosten voor de inzet van deelloonvissers als kosten van derden en niet als loonkosten moeten worden gezien, volgt het College appellante niet. Verweerder was op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gehouden tot subsidievaststelling overeenkomstig de subsidieverlening.

2.3

In het besluit tot subsidieverlening heeft verweerder in het 'Overzicht Begroting en financiering' vermeld dat de kosten verbonden aan de 'Doorontwikkeling vistuig door eigen bemanning' alleen middels facturen worden uitbetaald. Het College stelt vast dat appellante geen facturen heeft overgelegd bij de aanvraag om subsidievaststelling. Reden daarvoor was dat er financiële problemen waren bij [naam 4] B.V., waarvan de vennootschappen van de deelloonvissers aandeelhouders waren. Gelet op het besluit tot subsidieverlening mocht verweerder besluiten om voor de inzet van de deelloonvissers geen kosten mee te tellen bij de subsidievaststelling. Dat de deelloonvissers wel uren aan het project hebben besteed, en dat zij leefgeld hebben ontvangen, zoals appellante heeft aangevoerd, maakt niet dat verweerder bij de subsidievaststelling ten onrechte heeft aangesloten bij de inhoud van het besluit tot subsidieverlening.

3.1

Appellante voert in de tweede plaats aan dat verweerder ten onrechte niet alle kosten van de ontwikkeling van vistuig als subsidiabele kosten heeft aangemerkt. Voor zover het betrekking heeft op het vissersschip PD-43 heeft verweerder de kosten wel meegerekend bij de subsidievaststelling, voor zover het gaat om het visserschip PD-147 niet. Verweerder zag daarvoor aanleiding omdat volgens hem ten aanzien van de PD-147 geen sprake is geweest van adequate wetenschappelijke begeleiding.

3.2

In de aanvraag om subsidieverlening is vermeld dat bij de vloot van appellante een vijftal Nederlandse vissersschepen is aangesloten, waaronder de PD-43 en de PD-147. In de aanvraag is als activiteit onder meer vermeld dat een prototype vistuig zal worden ontwikkeld, dat het vistuig op het pilotschip PD-147 zal worden gemonteerd en dat daarmee diverse testvaarten zullen worden gemaakt. Een andere configuratie van het vistuig zal volgens de aanvraag om subsidieverlening worden gemonteerd op de PD-43, een omgebouwd boomkorschip, om te testen wat de verschillen zijn tussen beide vistuigen in combinatie met verschillende schepen en visgebieden. Tijdens dit proces zal IMARES betrokken worden, zo is vermeld in de aanvraag. Verweerder heeft op dit punt de subsidie verleend conform de aanvraag.

3.3

Op 11 april 2014 heeft IMARES een rapport over het project uitgebracht, met als titel 'Vistuig met ballen: Vergelijkend onderzoek vangstsamenstelling aangepast twinrigtuig'. In het rapport wordt de vraag beantwoord of de hoeveelheid visdiscards en bodemdieren in de vangst met het aangepaste vistuig verschilt met die van het conventionele vistuig. Daarbij is de vangst van de PD-43 – uitgerust met een aangepast twinrigtuig – vergeleken met de vangst met een conventioneel twinrigtuig, dat was gemonteerd op de PD-147. Voor de PD-147 heeft appellante vervolgens ook een aangepast vistuig ontwikkeld. Over het onderzoek naar de juiste configuratie voor de PD-147 heeft appellante een rapport uitgebracht, gedateerd 1 september 2015.

3.4

In artikel 4:18 van de Regeling, met als opschrift 'Verplichtingen subsidieontvanger', is in het vierde lid bepaald dat het project gepaard gaat met naar het oordeel van verweerder adequate wetenschappelijke begeleiding. Blijkens de stukken en het onderzoek ter zitting moet worden vastgesteld dat het testen van het aangepaste vistuig voor de PD-147 niet is begeleid door IMARES, en evenmin door een ander bedrijf of instelling. Integendeel, appellante is, in navolging van IMARES bij de PD-43, zelf onderzoek gaan verrichten naar de effecten van het gebruik van het voor de PD-147 aangepaste vistuig en heeft daarover zelf een rapport uitgebracht. Onder die omstandigheden mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat ten aanzien van het testen van het aangepaste vistuig voor de PD-147 geen sprake is geweest van adequate wetenschappelijke begeleiding, zo oordeelt het College.

4.1

Appellante heeft tot slot betoogd dat verweerder ten onrechte inkomsten in mindering heeft gebracht op de totale subsidiabele kosten. Het gaat daarbij om vangst die met testvaarten is binnengebracht.

4.2

Het College stelt met verweerder vast dat op grond van artikel 4:21, derde lid, van de Regeling inkomsten gerelateerd aan het innovatieproject, die ontstaan tijdens de uitvoering daarvan, moeten worden afgetrokken van de subsidiabele kosten voor het project. Dat het project geen direct commercieel doel heeft is een vereiste, zo blijkt uit artikel 4:21, derde lid, van de Regeling en is voor de voorgeschreven aftrek van inkomsten van de subsidiabele kosten niet relevant. De omstandigheid dat met deze inkomsten bepaalde kosten in verband kunnen worden gebracht, doet hieraan niet af.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Het College stelt vervolgens – ambtshalve – vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 februari 2010, ECLI:RVS:2010:BL3354, en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.13.2). Het gaat hier om een niet‑punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. Gelet op vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI: NL:RVS:2014:188) geldt in dat geval als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Het bezwaarschrift van appellante is door verweerder ontvangen op 5 oktober 2016. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 16 oktober 2018 de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met elf dagen is overschreden. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan het College, nu de behandeling van het beroep minder dan anderhalf jaar heeft geduurd. De overschrijding is veroorzaakt door de overschrijding door verweerder van de maximale termijn in de bezwaarfase met ongeveer drie maanden en de periode die is verstreken tussen de beslissing op bezwaar en het instellen van beroep door appellante. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Het College ziet evenwel geen aanleiding appellante een schadevergoeding toe te kennen, gezien de geringe overschrijding van de redelijke termijn.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.L. van der Beek en mr. W. den Ouden, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018.

w.g. R.R. Winter w.g. M.B.L. van der Weele