Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:536

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
16/1250
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Klacht over door betrokkene opgestelde cijfers van de onderneming die bij de ontslagaanvraag om bedrijfseconomische redenen aan het UWV zijn overgelegd. Appellante verwijt betrokkene dat hij creatief met de cijfers isomgegaan waardoor het UWV met haar ontslag heeft ingestemd. Ook in hoger beroep heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de in de tussentijdse balans opgenomen posten 'voorraad' en 'dubieuze debiteuren' onjuist zijn. Anders dan appellante stelt, heeft betrokkene ten tijde van de ontslagaanvraag geen definitieve cijfers kunnen overleggen. Deze waren (en konden) pas in de loop van het jaar in het kader van de samenstelwerkzaamheden beschikbaar (zijn).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1250

20150


Uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2018 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats 1] , appellante

(gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 november 2016, gegeven op een klacht, door appellante ingediend tegen

[naam 2] AA (betrokkene)

(gemachtigde: mr. C.W.J. Okkerse).


Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
7 november 2016, met nummer 16/1434 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2016:107).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2018.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Betrokkene is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene, als accountant verbonden aan [naam 3] te [plaats 2] , is per 1 september 2013 accountantswerkzaamheden gaan verrichten voor [naam 4] , een onderneming van [naam 5] ( [naam 5] ), die van de handel in aan de wietteelt gerelateerde producten heeft moeten omschakelen naar de reguliere handel in onder meer planten, zaden en potgrond. Belangrijke afnemer van [naam 4] was de in Hongarije gevestigde firma [naam 6] ( [naam 6] ), waarvan [naam 5] voor de helft eigenaar was.

Appellante, die sinds 1 september 1996 bij [naam 4] werkzaam was als administrateur, is per 1 juni 2014 ontslagen. [naam 5] heeft bij zijn aanvraag van 10 januari 2014 aan het UWV om appellante om bedrijfseconomische redenen ontslag te mogen verlenen, onder meer een door betrokkene opgestelde (en door hem op laatstgenoemde datum geparafeerde) balans van [naam 4] per 30 november 2013 overgelegd. Uit een bij brief van 22 januari 2014 door betrokkene aan het UWV overgelegde kolommenbalans en een winst- en verliesrekening over de periode 1 januari tot en met 30 november 2013 blijkt een negatief resultaat van de onderneming van ruim € 155.000. De door betrokkene samengestelde jaarrekening 2013, die hij op 30 september 2014 heeft afgegeven, laat over 2013 evenwel een positief resultaat zien van € 39.408. Het met toestemming van het UWV aan appellante verleende ontslag is door de kantonrechter kennelijk onredelijk verklaard. Over deze beslissing wordt nog geprocedeerd.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat betrokkene volgens appellante creatief is omgegaan met de cijfers van [naam 4] waardoor het UWV heeft ingestemd met het door [naam 5] verzochte ontslag om economische redenen. Daartoe heeft appellante gesteld dat:

  1. betrokkene in de balans van de onderneming per 30 november 2013 handmatig de post voorraden heeft verminderd terwijl er niet geteld is, en voorts de post dubieuze debiteuren, waarvoor in de op 9 oktober 2013 opnieuw uitgebrachte jaarrekening al een te hoge voorziening was opgenomen, wederom (ten onrechte) heeft opgevoerd;

  2. de voorlopige cijfers van de onderneming per 30 november 2013 anders luiden dan de al op 10 januari 2014 bekende definitieve cijfers over 2013, zodat betrokkene die laatste cijfers aan het UWV had moeten (laten) presenteren.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard. De accountantskamer is, samengevat, van oordeel dat appellante, tegenover het gemotiveerde verweer van betrokkene, niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene zich tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gedragen.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
Klachtonderdeel a, dat het verwijt inhoudt dat betrokkene creatief is omgegaan met de cijfers van [naam 4] door in de balans per 30 november 2013 de post ‘voorraden’ te laag voor te stellen en bij de post ‘dubieuze debiteuren’ ten onrechte een voorziening op te nemen, heeft de accountantskamer ongegrond verklaard, omdat appellante niet heeft betwist dat in de boekhoudsoftware van de onderneming de voorraadadministratie en financiële administratie niet waren gekoppeld en de aansluiting slechts jaarlijks, per 31 december, werd gemaakt, waardoor de waarde van de voorraad per 30 november 2013 door middel van boeking van een journaalpost in de financiële administratie moest worden gemuteerd en dat die waarde in vergelijking met de stand per 31 december 2012 met € 182.179 was verminderd. Voorts heeft appellante ten aanzien van het opnemen van een voorziening voor de resterende vordering op [naam 6] niet beargumenteerd weersproken dat laatstgenoemde op de vordering niets had afbetaald en dat het faillissement van dit bedrijf dreigde.

4. Appellante is van mening dat betrokkene de post ‘voorraden’ op onjuiste wijze heeft aangepast. De voorraad is niet geteld en was bovendien groter dan in de cijfers van 30 november 2013 is aangegeven. De goederen uit Hongarije zijn niet, zoals betrokkene stelt, in december 2013 teruggehaald, maar al voor oktober 2013. Dit is af te leiden uit de journaalposten per maand, waaruit blijkt dat de posten ‘inkomen import EU hoog (7015)’ en ‘transportkosten’ in oktober beduidend hoger waren dan in november. De cijfers van de crediteuren over 2013 en met name de cijfers van [naam 6] en de transportgegevens van transporteur [naam 7] , die in het bezit van betrokkene zouden moeten zijn, zullen bevestigen dat de goederen eerder uit Hongarije zijn teruggekomen. Zolang betrokkene deze informatie niet overlegt, betwist appellante hetgeen hij daarover naar voren heeft gebracht.

Ten aanzien van de post ‘dubieuze debiteuren’ stelt appellante dat deze niet is verhoogd van 50% van de vorderingen op [naam 6] (in het verslag van 22 februari 2013) naar 100% omdat daadwerkelijk voor een faillissement en oninbaarheid van de vorderingen werd gevreesd, maar om een zo hoog mogelijke ‘carry back’ (achterwaartse verliesverrekening) te genereren (om welke reden ervan is afgezien de eenmanszaak van [naam 5] per 1 januari 2013 om te zetten in een besloten vennootschap), en bovenal om haar ontslag rond te krijgen. Appellante vindt het bovendien vreemd dat ondanks het feit dat [naam 6] als dubieuze debiteur was aangemerkt er met [naam 6] zaken werd gedaan. Appellante stelt dat om de door haar genoemde redenen plotseling ook andere (hoge) debiteurenposten, zoals die van [naam 8] ter hoogte van € 32.900, als dubieuze debiteur zijn aangemerkt, terwijl daar eerder geen sprake van was.

5. Naar het oordeel van het College valt betrokkene ten aanzien van de wijze waarop hij in de balans van [naam 4] per 30 november 2013 de post ‘voorraden’ heeft vastgesteld geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Op die datum was er geen aansluiting tussen de financiële administratie en de voorraadadministratie, omdat deze aansluiting éénmaal per jaar werd gemaakt na het tellen van de voorraad. Teneinde de tussentijdse aansluiting op de financiële administratie te kunnen maken, heeft betrokkene zich mogen baseren op hetgeen omtrent de stand van de voorraad per genoemde datum en per 1 januari 2013 bleek uit de voorraadadministratie. Ook valt niet in te zien dat betrokkene in dit kader niet van de juistheid van de hem door zijn opdrachtgever [naam 5] , als bestuurder en leidinggevende van de entiteit, verstrekte informatie heeft mogen uitgaan. Het College ziet geen aanleiding de stelling van betrokkene dat hij er op dat moment nog niet van op de hoogte was dat goederen uit Hongarije waren teruggehaald, voor onjuist te houden. Dat betrokkene hier eerder van op de hoogte moet zijn geweest, volgt niet uit hetgeen appellante met betrekking tot de maandelijkse journaalposten heeft gesteld. Ter zitting van het College heeft appellante gesteld dat zij in oktober 2013 een factuur van zestig- tot tachtigduizend euro heeft opgemaakt voor uit Hongarije ontvangen goederen, maar dat zij die niet in de voorraadadministratie heeft ingeboekt omdat op de werkvloer nog geen telling had plaatsgevonden. Doordat appellante die uit Hongarije ontvangen goederen niet in de voorraadadministratie heeft ingeboekt was de uit de voorraadadministratie blijkende stand van de voorraad (wellicht) onjuist, maar betrokkene was en behoefde hiervan niet op de hoogte te zijn. Die telling heeft volgens betrokkene pas begin januari plaatsgevonden en is nadien binnen [naam 4] nader uitgewerkt. Tegen het feit dat betrokkene de voorraad per 30 november 2013 voorzichtigheidshalve met 5% heeft afgewaardeerd om de hoeveelheid incourante goederen te schatten, welke schatting nodig was omdat er (nog) niet geteld was, hetgeen het College eveneens vaktechnisch niet onjuist voorkomt, heeft appellante in hoger beroep niets aangevoerd.

Ook ten aanzien van de vaststelling door betrokkene van de post ‘dubieuze debiteuren’ in de balans per 30 november 2013 bestaat geen grond voor het oordeel dat betrokkene een tuchtrechtelijk verwijt treft. Gezien het feit dat [naam 6] al langere tijd in financieel zwaar weer verkeerde, in oktober 2013 geheel niet meer aan haar verplichtingen had voldaan en volgens [naam 5] op de rand van faillissement stond, heeft betrokkene voor de resterende vordering redelijkerwijs een voorziening kunnen laten opnemen. Hetzelfde geldt voor de vordering van [naam 4] op [naam 8] , waarvan gezien zijn detentie in het buitenland redelijkerwijs kon worden betwijfeld dat deze nog zou worden voldaan. Zelfs indien aan de verhoging van de post ‘dubieuze debiteuren’ ten grondslag heeft gelegen het motief om een zo hoog mogelijke ‘carry back’ (achterwaartse verliesverrekening) te genereren, kan daaraan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat betrokkene een tuchtrechtelijk verwijt treft. Niet valt in te zien namelijk waarom de stelling van betrokkene dat op basis van de toen bekende informatie met betrekking tot (de verhoging van) de post ‘dubieuze debiteuren’ een verantwoorde beslissing is genomen voor onjuist moet worden gehouden, gelet op de ruime beoordelingsmarge die [naam 4] dienaangaande toekwam in het kader van het voorzichtigheidsbeginsel. Betrokkene heeft er overigens nog op gewezen dat de Belastingdienst na een boekenonderzoek geen aanleiding heeft gezien de achterwaartse verliesverrekening niet te aanvaarden. Uit het vorenstaande volgt, dat de stelling van appellante dat de verhoging van de post ‘dubieuze debiteuren’ (slechts of voornamelijk) was ingegeven om haar ontslag mogelijk te maken faalt.

6. Klachtonderdeel b, dat inhoudt dat betrokkene op 10 januari 2014 niet de voorlopige cijfers van de onderneming per 30 november 2013 maar de toen al bekende definitieve cijfers over 2013 aan het UWV had moeten (laten) presenteren, heeft de accountantskamer ongegrond verklaard, omdat appellante de stelling van betrokkene dat de definitieve cijfers pas in de loop van 2014 zijn (en konden worden) vastgesteld niet heeft weersproken.

7. Volgens appellante heeft betrokkene ten tijde van de ontslagaanvraag op 10 januari 2014 gebruik gemaakt van cijfers over de periode van 1 januari 2013 tot 1 december 2013 die een negatief resultaat van ruim € 155.000 lieten zien, terwijl hij – gezien de telling volgens [naam 5] van de voorraad op 31 december 2013 en de elektronische verwerking van de boekhouding – al de beschikking had over de cijfers van geheel 2013 die een positief resultaat lieten zien van € 39.408. Betrokkene heeft verklaard dat dit resultaat pas zichtbaar werd op basis van constateringen die hij in de loop van 2014 heeft gedaan, namelijk een hogere waarde van de bij [naam 6] teruggehaalde goederen, het vrijvallen van een schuld van de onderneming aan [naam 6] , het alsnog betalen van een vordering door een eerder als dubieus aangemerkte debiteur ( [naam 8] ) en het ontbreken van een incourante voorraad bij de telling per 31 december 2013. De hogere waarde van de teruggehaalde goederen diende volgens appellante echter al voor januari 2014 bij betrokkene bekend te zijn en had hij in de cijfers voor de ontslagaanvraag moeten meenemen. Verder stelt appellante dat ten onrechte een voorziening incourante voorraad is opgenomen van € 35.000. [naam 5] heeft immers aangegeven dat bij de telling van 31 december 2013 was gebleken dat nauwelijks sprake was van incourante voorraad. Ook dit was begin januari 2014 bekend en had in de cijfers voor de ontslagaanvraag moeten worden verwerkt. De debiteurenpost van [naam 8] van € 32.900 is ten onrechte als dubieus aangemerkt. Er was geen reden om aan te nemen dat [naam 8] de vordering niet zou voldoen. Ook heeft betrokkene een vordering van € 17.000 van [naam 6] op de onderneming niet meegenomen in zijn cijferopstelling voor de ontslagaanvraag. Betrokkene was in ieder geval begin 2014 van deze vordering op de hoogte of had dat moeten zijn.
Appellante stelt dat betrokkene aldus diverse onjuiste boekingen in aanmerking heeft genomen. Ten aanzien van deze posten is het onderzoek van betrokkene incorrect uitgevoerd, althans er is onvoldoende nader onderzoek gedaan. De verklaringen van betrokkene over de financiële status van de onderneming zijn volgens appellante misleidend te noemen. In het boekhoudprogramma had betrokkene de laatste wijzigingen kunnen zien en met voorgaande feiten bekend kunnen zijn. Naar de mening van appellante is het misleidend om niet de laatst bekende resultaten per 31 december 2013 mee te nemen en het UWV aldus vals voor te lichten. Het verschil tussen het negatieve resultaat van € 155.000 en de later geconstateerde winst van € 39.408 is in zowel relatieve als absolute zin hoog. Pas bij een verlies zal het UWV een ontslagvergunning toekennen. De rechter heeft het door UWV verleende ontslag op basis van de door betrokkene verstrekte stukken ook als kennelijk onredelijk beoordeeld. De financiële situatie is daarbij van essentieel belang.

8. Het College is van oordeel dat hetgeen appellante naar voren heeft gebracht er niet aan kan afdoen dat ook in hoger beroep niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene ten tijde van de ontslagaanvraag in januari 2014 al de beschikking had over de definitieve cijfers van 2013, die een positief resultaat lieten zien van € 39.408. Betrokkene heeft naar het oordeel van het College voldoende toegelicht dat een volledig beeld van het resultaat over 2013, dat gunstiger bleek te zijn dan bij aanvang van het jaar was en kon worden aangenomen, pas in de loop van 2014 werd verkregen. Van schending van de fundamentele beginsel van objectiviteit of van integriteit, zoals door appellante gesteld, is geen sprake.

9. De stellingen van appellante met betrekking tot de post kasgeld, in totaal € 80.000, welk bedrag door [naam 5] contant naar Hongarije zou zijn gebracht om daar lonen te voldoen van werknemers van [naam 6] (welke stellingen onder meer inhouden dat betrokkene dit had moeten melden als ongebruikelijke transactie als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme) zijn niet te herleiden tot de bij de accountantskamer ingediende klacht zodat sprake is van een niet toegestane uitbreiding van de klacht in hoger beroep. Ook hetgeen appellante overigens nog heeft aangevoerd in hoger beroep (kosten verbouwing, aannemen nieuw personeel en privéopnames) is niet te herleiden tot de bij de accountantskamer ingediende klacht, zodat ook in zoverre sprake is van een niet toegestane uitbreiding van de klacht in hoger beroep.

10.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

11. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. J.L. Verbeek en mr. drs. P. Fortuin, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. C.G.M. van Ede