Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:511

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
17/1371 en 18/1072
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om toekennen van schadevergoeding in de zin van artikel 8:88 van de Awb. Verweerder heefrt schadeplicht erkend en een bedrag berekend. Volgens appellanten was de waarde van de honden ten minste het dubbele van waar verweerder vanuit gaat. Het College ziet geen reden om de waarde van de honden hoger vast te stellen. Dat de honden meer waard zouden zijn dan € 150,- per hond is niet onderbouwd/ Verzoek om (aanvullende) schadevergoeding wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/2026
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/1371 en 18/1072

11350

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2018 in de zaken tussen

[naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellanten

(gemachtigde: mr. F. Bakker),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).

Procesverloop

Bij brief van 29 maart 2017 heeft verweerder gereageerd op het verzoek van appellanten om het besluit van 24 juli 2014 te herzien en de bij hen in beslag genomen honden terug te geven.

Bij besluit van 28 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen de brief van 29 maart 2017 niet-ontvankelijk verklaard en meegedeeld dat het verzoek van appellanten om schadevergoeding separaat zal worden afgehandeld.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Dit beroep is geregistreerd onder nummer 17/1371.

Bij brief van 7 februari 2018 hebben appellanten het College verzocht om verweerder te veroordelen tot het vergoeden van schade die zij hebben geleden.

Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 18/1072.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018. [naam 1] is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Bij besluit van 24 juli 2014 heeft verweerder aan appellanten een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren. De last was gericht op het beëindigen van de overtreding en hield in dat appellanten binnen 1 uur na uitreiking van de last maatregelen dienden te nemen om te zorgen voor, kortgezegd, geschikte huisvesting van hun honden. Tegen dit besluit zijn door appellanten geen rechtsmiddelen aangewend. Na een controle op 18 augustus 2014 heeft verweerder acht honden van appellanten meegevoerd en opgeslagen. Bij besluit van 7 december 2015 heeft verweerder de kosten van bestuursrechtelijke handhaving voor een bedrag van € 9.616,94 bij appellanten in rekening gebracht. Het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2015 heeft verweerder bij besluit op bezwaar van 2 juni 2016 ongegrond verklaard. Op 23 september 2016 heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen. Daarin heeft verweerder geconcludeerd dat tijdens het uitreiken van het besluit van 24 juli 2014 is geconstateerd dat geen sprake meer was van een overtreding zodat dit besluit niet kon worden toegepast tijdens de controle op 18 augustus 2014. Het kostenbesluit van 7 december 2015 is herroepen. Uit de herziene beslissing op bezwaar volgt dat verweerder van mening is dat de honden ten onrechte zijn meegevoerd en opgeslagen.

1.2

Bij brief van 29 december 2016 hebben appellanten, gelet op de herziene beslissing op bezwaar van 23 september 2016, verzocht om herziening van het besluit van 24 juli 2014 en om teruggave van de honden. Bij brief van 29 maart 2017 heeft verweerder appellanten bericht dat het niet mogelijk was om de honden te retourneren aan appellanten, omdat de honden niet meer in de opvang verbleven en waren overgedragen aan nieuwe eigenaren. In de brief is verder opgemerkt dat appellanten recht hebben op schadevergoeding en daartoe een verzoek kunnen indienen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

1.3

Verweerder heeft het bezwaar tegen de brief van 29 maart 2017 bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is de brief van 29 maart 2017 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het meevoeren en opslaan van de honden enkel de tenuitvoerlegging van bestuursdwang betreft.

1.4

Appellanten hebben verweerder bij brief van 13 april 2017 verzocht om vergoeding van de door hen geleden schade. Bij brieven van 2 augustus 2017 en 18 oktober 2017 hebben appellanten het verzoek, zoals door verweerder gevraagd, nader onderbouwd. Bij beslissing van 11 januari 2018 heeft verweerder een bedrag aan schadevergoeding toegekend van € 2.016,75 (exclusief wettelijke rente), welk bedrag binnen zes weken aan appellanten zal worden uitbetaald. Daarbij is verweerder uitgegaan van een vergoeding van de marktwaarde per hond van € 150,- (8 x € 150,- = € 1.200). Verder heeft verweerder aan buitengerechtelijke proceskosten een bedrag toegekend van € 816,75. Verweerder ziet geen aanleiding om schadevergoeding toe te kennen voor immateriële schade.

2. Tijdens de zitting van het College hebben appellanten te kennen gegeven dat het enkel nog gaat om de hoogte van de schadevergoeding voor de honden. Gelet daarop hebben zij het beroep tegen het bestreden besluit ter zitting ingetrokken. Dat beroep behoeft derhalve geen nadere bespreking meer.

3. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

4. Appellanten hebben de beslissing van 11 januari 2018 doorgezonden naar het College met het verzoek om de beslissing op grond van artikel 6:19 van de Awb te betrekken bij de lopende beroepsprocedure. Artikel 6:19 van de Awb is, blijkens artikel 8:94, eerste lid, van de Awb echter niet van overeenkomstige toepassing verklaard op een verzoek tot vergoeding van schade in de zin van artikel 8:88 van de Awb. Het College vat het verzoek van appellanten op als een zelfstandig verzoek in de zin van artikel 8:90, eerste en tweede lid, van de Awb.

5. Uit het door verweerder ingenomen standpunt leidt het College af dat verweerder in wezen erkent dat de last onder bestuursdwang onrechtmatig was en dat de last om die reden niet kon worden toegepast op 18 augustus 2014. Tevens heeft verweerder erkend schadeplichtig te zijn. Het College is op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb bevoegd om te oordelen over het verzoek van appellanten.

6. Appellanten voeren aan dat de waarde die verweerder aan de honden heeft toegekend van € 150,- per hond te laag is. De waarde per hond zou op zijn minst het dubbele moeten bedragen. Appellant heeft de twee volwassen honden gekocht voor respectievelijk € 550,- (in 2012) en € 450,- (in 2010). Appellant beschikt niet meer over aankoopnota’s. Appellanten willen ook een (hogere) vergoeding voor de puppy’s.

7. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat verweerder in situaties waarbij honden of katten ten onrechte in beslag zijn genomen en niet meer kunnen worden teruggegeven aan de oorspronkelijk eigenaar standaard een marktwaarde van € 150,- per dier hanteert, tenzij er redenen zijn om af te wijken van dat bedrag. Dat kan bijvoorbeeld zijn als het een rashond betreft of als het gaat om jonge puppy’s van rond de drie maanden. In dit geval is volgens verweerder geen sprake van redenen om af te wijken van het standaard bedrag. Het bedrag van € 150,- komt overeen met het bedrag dat een asiel of dierenopvang in rekening brengt bij een opvolgend eigenaar. Strikt genomen kan volgens verweerder niet worden gesproken van een marktwaarde, omdat er ook adressen zijn waar dit soort honden gratis opgehaald kunnen worden. Omdat de asiels en opvanghouders van verweerder dit bedrag hanteren voor opvolgend eigenaars en verweerder de benadeelde partij tegemoet wil komen wordt een bedrag van € 150,- gehanteerd.

8. Het onderhavige verzoek heeft uitsluitend betrekking op een aanvulling van de schadevergoeding voor de honden. Het College ziet onvoldoende redenen om het bedrag dat verweerder in de beslissing van 11 januari 2018 aan schadevergoeding heeft toegekend te laag te achten. Appellanten hebben hun stelling dat de waarde van de honden minstens het dubbele zou moeten bedragen niet onderbouwd met bijvoorbeeld aankoopbewijzen dan wel andere stukken waaruit blijkt dat de honden een hogere waarde vertegenwoordigden. Gelet hierop dient het verzoek om (aanvullende) schadevergoeding te worden afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College wijst het verzoek om (aanvullende) schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. L.N. Foppen