Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:510

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
17/1178
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

S&O. Artikel 1, onder n, van de Wva. Vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1178

27000

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 september 2018 in de zaak tussen

Free Engineering Holding B.V., te Terheijden, appellante,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, als rechtsopvolger van de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan appellante afgegeven S&O-verklaringen voor 2014 op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva) (ook wel WBSO-regeling genoemd) gecorrigeerd.

Bij besluit van 29 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2018. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor appellante zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

1. Bij besluiten van 23 januari 2014 en 11 september 2014 heeft verweerder op grond van de Wva aan appellante voor 2014, voor het project “ontwikkelen van een getijdestroomgenerator” zogeheten S&O-verklaringen afgegeven.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder de door appellante opgevoerde reisuren voor 2014 gecorrigeerd. Verweerder heeft een correctie-S&O-verklaring afgegeven voor een bedrag van € 13.861,-.

2. Bij het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de door appellante opgevoerde reisuren geen speur- en ontwikkelingswerk betreffen in de zin van artikel 1, aanhef en onder n, van de Wva. Appellante heeft niet aangetoond dat deze uren direct en uitsluitend gericht zijn op de ontwikkeling van technische inhoudelijke activiteiten waarvoor verweerder de onderliggende S&O-verklaring heeft afgegeven. De verwijzing in het bezwaarschrift naar het arrest van het Europese Hof van Justitie van 10 september 2015, C-266/14, ECLI:EU:C:2015:578 (de zaak Tyco), acht verweerder niet terecht, omdat die uitspraak niet van toepassing is op de uren die in aanmerking komen voor de WBSO. Dat reistijd in sommige gevallen als werktijd wordt gezien, betekent niet dat deze uren daarom voor WBSO in aanmerking komen. Tot slot is verweerder van mening dat de door appellante opgevoerde reisuren niet al eerder, tijdens het bedrijfsbezoek van 17 november 2009, zijn goedgekeurd als S&O-uren. Mocht dit wel het geval zijn dan is verweerder bovendien niet gehouden eventuele in het verleden gemaakte fouten te herhalen.

3. Appellante voert aan dat de door haar opgevoerde reisuren aangemerkt moeten worden als S&O-uren, omdat er technisch inhoudelijke activiteiten in die uren zijn verricht. Dit wordt volgens appellante in de zaak Tyco bevestigd.

4.1

De Wva luidde ten tijde en voor zover van belang als volgt:

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…)

n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in een lidstaat van de Europese Unie verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op (…)

◦1 de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten, (onderdelen van) fysieke productieprocessen, of (onderdelen van) programmatuur (…)”

4.2

Met verweerder is het College van oordeel dat de door appellante opgevoerde reisuren geen S&O-uren zijn in de zin van de Wva. Appellante heeft reisuren opgevoerd die de directeur per auto heeft gemaakt, waarbij hij zelf aan het stuur zat, om te reizen naar afspraken in het kader van het door verweerder goedgekeurde S&O-project. De opgevoerde reisuren kunnen onder deze omstandigheden niet worden gezien als uren betreffende werkzaamheden die direct en uitsluitend zijn gericht op de ontwikkeling van technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten, (onderdelen van) fysieke productieprocessen, of (onderdelen van) programmatuur. Dat de reisuren uitsluitend tot doel hadden om op een locatie te komen waar werkzaamheden voor het bewuste S&O-project werden verricht, maakt dit niet anders. Niet alle uren die gerelateerd zijn aan een S&O-project zijn S&O-uren in de zin van de Wva. Dit betreft uitsluitend uren die vallen binnen de definitie van artikel 1, aanhef en onderdeel n, Wva.

4.3

Voor zover appellante een beroep doet op de regeling ten aanzien van research en development aftrek (RDA) overweegt het College dat het daarbij gaat om een ander onderwerp - een fiscale aftrek via de winstbelasting voor de overige kosten van het eigen S&O met (tot 2016) een eigen wettelijk kader. Appellante kan in het kader van de beoordeling van de door haar opgevoerde reisuren hierop niet met succes een beroep doen.

4.4

Het College volgt verweerder ook in zijn standpunt dat het arrest van het Europese Hof van Justitie in de zaak Tyco niet van belang is voor de uren die in aanmerking komen voor de WBSO. Dit arrest ziet op een arbeidsrelatie en niet op subsidies. Dat reistijd in het kader van een arbeidsrelatie onder bepaalde omstandigheden als werktijd wordt gezien, betekent niet dat dergelijke uren (ook) moeten worden gezien als uren waarin speur- en ontwikkelingswerk wordt gedaan.

5.1

Appellante voert verder aan dat zij erop had mogen vertrouwen dat de opgevoerde reisuren als S&O-uren zouden worden aangemerkt. Een medewerker van verweerder heeft immers tijdens het bedrijfsbezoek van 17 november 2009 aangegeven dat reisuren in aanmerking komen voor WBSO. Ook mocht appellante vertrouwen op de goedkeuring door verweerder van de eerdere administratie. Daarin waren ook reisuren opgenomen als S&O-uren.

5.2

Uit vaste rechtspraak van het College, zoals zijn uitspraak van 10 juli 2014, ECLI:NL:CBB:2014:263, volgt dat een toezegging van een bestuursorgaan dat bestuursorgaan alleen bindt als er door of namens het bevoegd orgaan uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan. Uit de stukken, zoals het rapport van het bedrijfsbezoek van 17 november 2009, blijkt niet dat een dergelijke toezegging is gedaan. Ook heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat verweerder, althans een daartoe bevoegde medewerker bij verweerder, uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd heeft toegezegd dat alle door appellante verrichte activiteiten, met inbegrip van de reisuren, als subsidiabel zouden worden beoordeeld.

5.3

Over de eerder goedgekeurde administratie waarin de reisuren waren opgenomen als S&O-uren overweegt het College als volgt. Daargelaten of er daadwerkelijk sprake is geweest van een fout aan de zijde van verweerder, komt een bestuursorgaan de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen. Dit kan worden aanvaard, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel of met enig algemeen rechtsbeginsel, in het bijzonder dat van de rechtszekerheid. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat een correctie van een eventuele fout aan de zijde van verweerder in dit geval in strijd zou zijn met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel of met enig algemeen rechtsbeginsel. Het betoog van appellante faalt.

6. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van verweerder in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht of om andere redenen niet in stand kan blijven.

7. Het beroep is ongegrond

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. I.M. Ludwig en mr. T.L. Fernig-Rocour, in aanwezigheid van mr. M.P.A. DeKoninck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.

w.g. E.R. Eggeraat De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen