Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:51

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
15/665
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Goedkeurende verklaring bij jaarrekening opgesteld conform IFRS. Impairment, IAS 28.31. Heeft appellant terecht geoordeeld dat Xeikon in haar jaarrekening 2012 op een aanvaardbare wijze haar aandelenbelang in de deelneming Accentis heeft (af)gewaardeerd en terecht een voorziening voor mogelijke oninbaarheid van € 1,6 miljoen heeft opgenomen voor intercompanyvorderingen? Het College beantwoordt deze vraag, anders dan de accountantskamer, bevestigend. Hoger beroep gegrond. Klacht ongegrond. De door de accountantskamer opgelegde maatregel van berisping wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 15/665

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 31 januari 2018 op het hoger beroep van:

[naam 1] RA, te [plaats] , appellant

(gemachtigden: mr. drs. J.F. Garvelink en mr. G. Kattenberg),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 17 juli 2015, gegeven op een klacht, door [naam 3] B.V. ( [naam 3] ) ingediend tegen appellant.


Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 17 juli 2015, met nummer 14/19 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:77).

[naam 3] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

[naam 3] en appellant hebben nadere producties in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Namens [naam 3] is verschenen [naam 2] , enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 3] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant is sinds […] ingeschreven in het accountantsregister en houdt praktijk als openbaar registeraccountant bij [naam 4] B.V. te [plaats] ( [naam 4] ).

1.3

Op 30 mei 2012 is in de algemene vergadering van aandeelhouders van Xeikon N.V. (Xeikon) besloten [naam 4] opdracht te geven de jaarrekeningen van Xeikon en haar groepsmaatschappij Xeikon Internationaal B.V. over het boekjaar eindigend op 31 december 2012 te controleren. Deze opdracht is door [naam 4] op 26 september 2012 aanvaard. Daarbij is vermeld dat de werkzaamheden worden uitgevoerd onder eindverantwoordelijkheid van appellant.

1.4

Xeikon, tot 15 november 2011 opererend onder de naam Punch Graphix N.V., is een beursgenoteerde onderneming, actief op het gebied van digitale druk- en drukvoorbereidingssystemen. Per 31 december 2012 werd 65,68% van de aandelen Xeikon gehouden door Punch International N.V. (Punch), een beursgenoteerde houdstermaatschappij. Xeikon hield op dat moment 43,74% van de aandelen Accentis N.V. (Accentis), een beursgenoteerde exploitant van vastgoed. Deze aandelen had Xeikon in de loop van de voorafgaande jaren gekocht van Punch. Vanaf ultimo 2008 heeft Xeikon een vordering op Accentis uit hoofde van een eerder door Punch aan Accentis verstrekte (en van Punch door Xeikon overgenomen) lening.

1.5

Appellant heeft op 16 april 2013 een goedkeurende verklaring afgegeven bij zowel de geconsolideerde als de enkelvoudige jaarrekening van Xeikon over 2012.

1.6

In september 2013 heeft Bencis Capital Partners B.V. (Bencis) het aandelenbelang van Punch in Xeikon overgenomen, waarbij Xeikon haar aandelenbelang in Accentis en haar vordering op Accentis uit hoofde van de verstrekte lening heeft verkocht aan Punch. Appellant was ten tijde van zijn controle bekend met het voornemen van Xeikon om - in het licht van de verkoop van de aandelen Xeikon door Punch aan Bencis - over te gaan tot verkoop van het belang in en de vordering op Accentis. De aandelen in Accentis zijn verkocht tegen de beurskoers (gelijk aan de boekwaarde per 31 december 2012) en de vordering op Accentis is verkocht met een boekverlies van € 17,7 miljoen.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat appellant heeft gehandeld in strijd met de tot 1 januari 2014 geldende Verordening Gedragscode (RA’s) (VGC) en wel in het bijzonder met de fundamentele beginselen ‘integriteit’, ‘objectiviteit’, ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ en ‘professioneel gedrag’ als bedoeld in artikel A-100.4 van die VGC door:

  1. ten onrechte een goedkeurende verklaring te geven bij de jaarrekening 2012 van Xeikon; en

  2. het niet voldoen aan de (volgens [naam 3] bestaande) herstelplicht tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van Xeikon op 28 mei 2013.

2.2

Aan het eerste klachtonderdeel heeft [naam 3] onder meer het volgende ten grondslag gelegd:

I. Winst- en vermogensmanipulatie

A. Het ten onrechte afwaarderen van het aandelenbelang in Accentis.

B. Het ten onrechte toestaan van het treffen van een voorziening voor rente op de lening aan Accentis.

2.3

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht voor zover deze betrekking heeft op de hiervoor omschreven klachtonderdelen I.A. en I.B. gegrond verklaard. Voor het overige heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard. De accountantskamer heeft aan appellant de maatregel van berisping opgelegd. Voor de overwegingen van de accountantskamer verwijst het College naar de bestreden uitspraak.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Ten aanzien van de gegrondverklaring van klachtonderdeel I.A. stelt appellant, samengevat weergegeven, het volgende. Xeikon maakte haar jaarrekening en haar geconsolideerde jaarrekening op conform Nederlands recht, waarbij de geconsolideerde jaarrekening ingevolge artikel 2:362, achtste lid, van het Burgerlijk Wetboek werd ingericht conform de International Financial Reporting Standards (IFRS). Gelet op het aandelenbelang van Xeikon in Accentis kwalificeerde Accentis als een deelneming waarvan de waardering volgens International Accounting Standard 28 (IAS 28) dient te worden vastgelegd conform de zogenaamde ‘equity’ methode (IAS 28.11). De leiding van de verslaggevende entiteit, in dit geval Xeikon, moet van die wijze van verslaggeving afwijken indien zij meent dat sprake is van een duurzame waardevermindering (zogenaamde ‘impairment’; IAS 28.31), welke vraag zij zich jaarlijks dient te stellen. In het geval van Xeikon deed zich een indicatie van bijzondere waardevermindering voor: de beurskoers van de aandelen Accentis lag structureel onder de waarde die het aandeel van Xeikon in het vermogen van Accentis op basis van de equity methode vertegenwoordigde (IAS 39.61). Voor het bepalen van het waardeverminderingsverlies had Xeikon de keuze uit de hoogste waarde van (i) de reële waarde (IAS 36.18); (ii) de bedrijfswaarde op basis van de verwachte kasstroom winst uit onderneming plus de opbrengst bij vervreemding (IAS 28.33 sub a); of (iii) de bedrijfswaarde op basis van de verwachte kasstroom uit dividend plus de opbrengst bij vervreemding (IAS 28.33 sub b). Volgens appellant leveren in de omstandigheden van Xeikon alle drie de methoden effectief dezelfde uitkomst op. De reële waarde is immers een uitvloeisel van de verwachte toekomstige kasstromen, terwijl toekomstige kasstromen uit winst en dividend per saldo ook gelijk uit zouden moeten komen. Appellant wijst er verder op dat de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) op grond van de Wet toezicht financiële verslaggeving in 2011 en 2012 met Xeikon heeft gecorrespondeerd over de eisen die voortvloeien uit de toepasselijke verslaggevingsregels met betrekking tot de waardering van het aandelenbelang van Xeikon in Accentis. Bij het opmaken van de jaarrekening 2012 zag Xeikon zich geconfronteerd met het feit dat AFM schriftelijk en mondeling meermaals had aangegeven dat Xeikon bij het waarderen van het aandelenbelang in Accentis aansluiting moest zoeken bij de beurskoers. Het was de verwachting van het management dat AFM, indien Xeikon daaraan niet zou voldoen, zo nodig haar toezichtinstrumentarium zou inzetten. Daarnaast deed zich de omstandigheid voor dat er tussen de grootaandeelhouder van Xeikon (Punch) en Bencis in beginsel overeenstemming was over een verkoop van de aandelen Xeikon. Onderdeel van die afspraken was dat Xeikon het aandelenbelang in Accentis (waar Bencis geen interesse in had) zou dienen te vervreemden. Xeikon heeft al op 8 januari 2013 een persbericht uitgebracht dat dit traject liep. Tussen Bencis en Punch is uiteindelijk ook daadwerkelijk overeenstemming bereikt. Dat is op 18 juli 2013 openbaar gemaakt. Die overeenstemming heeft geresulteerd in een openbaar bod op alle aandelen Xeikon en de desinvestering door Xeikon van alle aandelen in Accentis (hetgeen in september 2013 is gebeurd). In dat licht heeft Xeikon ervoor gekozen om in de jaarrekening 2012 haar belang in Accentis te waarderen op de beurskoers, conform IAS 28.33 sub b. Dit was - zo betoogt appellant - onder de toepasselijke IFRS een aanvaardbare keuze. Appellant meent op goede gronden tot deze conclusie te zijn gekomen. Hij heeft de door Xeikon gekozen wijze van verwerking - op beurskoers - voorgelegd aan een IFRS-deskundige van het Bureau Vaktechniek van [naam 4] die bevestigde dat er in beginsel gewaardeerd moest worden op de realiseerbare waarde (onder IAS 28.33) die effectief op de beurswaarde zou neerkomen. Vervolgens zijn de werkzaamheden van appellant voorafgaand aan het afgeven van de controleverklaring nog onderwerp geweest van een IFRS-review en een onafhankelijke kwaliteitsbeoordeling. Daaruit zijn geen andersluidende bevindingen naar voren gekomen.

De waardering van het aandelenbelang in Accentis conform de equity methode (op Xeikon grondslagen) is (uitsluitend) verwerkt in de toelichting op de jaarrekening 2012, om extra inzicht te verschaffen aan de gebruiker van de jaarrekening. Ook deze equitywaardering heeft appellant in het kader van zijn controlewerkzaamheden getoetst en aanvaardbaar gevonden. Appellant meent dat hij zorgvuldig met de kwestie is omgegaan en dat hem, anders dan de accountantskamer heeft geoordeeld, geen tuchtrechtelijk verwijt treft.

3.2

[naam 3] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Samengevat komt haar betoog op het volgende neer. Xeikon heeft in 2010 geen aanleiding gezien om een adequate impairment door te voeren. Volgens [naam 3] dienen de berichten van AFM tegen die achtergrond begrepen te worden. Anders dan appellant doet voorkomen blijkt volgens [naam 3] uit de door appellant overgelegde brieven niet dat AFM de eis heeft gesteld om het aandelenbelang van Xeikon in Accentis per ultimo 2012 te waarderen tegen de beurskoers, maar dat de waardering van het belang van Xeikon in het vermogen van Accentis per ultimo 2010 te hoog is. Weliswaar geldt dat een sterke afwijking tussen de vermogenswaarde zoals die blijkt uit de jaarrekening van Accentis en de beurskoers van de aandelen Accentis een aanwijzing kan zijn voor een duurzame waardevermindering, dit impliceert niet dat de beurskoers dan de juiste waarde reflecteert. Daarvoor is nu juist de impairment-test bedoeld die Xeikon diende uit te voeren en die appellant moest beoordelen. [naam 3] acht het onbegrijpelijk dat - gelet op de verbeterde resultaten en gecommuniceerde verwachtingen - ultimo 2012 de waarde van de aandelen Accentis zou zijn gehalveerd ten opzichte van de waarde ultimo 2011. Deze halvering is slechts het gevolg van de waardering op grond van de beurskoers nu die beurskoers enkel werd uitgedrukt in hele centen en ultimo 2012 schommelde tussen de € 0,02 en € 0,01 per aandeel (op 31 december 2012 is de beurskoers van het aandeel Accentis nog € 0,02 geweest). Dat gegeven maakt de beurskoers sowieso al een onjuiste maatstaf. Volgens [naam 3] is de waardering van het aandelenbelang in Accentis op basis van louter de beurskoers van € 0,01 te laag; hield de lage waardering bovendien verband met de door de meerderheidsaandeelhouder van Xeikon (Punch) gewenste verwerving van het aandelenbelang in Accentis op onzakelijke voorwaarden als onderdeel van de transactie tussen Punch en Bencis inzake de aandelen in Xeikon; en berust zij op onvoldoende controle-informatie.

3.3

Het College ziet zich gesteld voor de vraag of appellant op basis van voldoende controle-informatie heeft geoordeeld dat Xeikon in haar jaarrekening 2012 haar aandelenbelang in Accentis op aanvaardbare wijze heeft (af)gewaardeerd. Het College beantwoordt die vraag, anders dan de accountantskamer, bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

3.4

Niet in geschil is dat op grond van IFRS als uitgangspunt geldt dat een belang in een deelneming wordt gewaardeerd tegen equitywaarde, waarbij periodiek dient te worden beoordeeld of er objectieve aanwijzingen zijn voor een bijzondere waardevermindering. Aangezien in 2012 de beurswaarde van (het belang van Xeikon in) Accentis lager was dan de boekwaarde heeft Xeikon beoordeeld of daadwerkelijk sprake was van een bijzondere waardevermindering. Daartoe heeft zij een vergelijking gemaakt tussen de boekwaarde en de reële waarde verminderd met verkoopkosten.

3.5

Ter zitting heeft appellant nader toegelicht dat Xeikon de bedrijfswaarde heeft gebaseerd op het aandeel van Xeikon in de contante waarde van de geschatte toekomstige kasstromen die naar verwachting voortvloeien uit te ontvangen dividenden en een toekomstige vervreemding van de deelneming in Accentis. Nu er geen uitzicht was dat Accentis de komende jaren dividend zou uitkeren en Xeikon had besloten om haar belang in Accentis op korte termijn van de hand te doen, kwam de bedrijfswaarde neer op een waardering tegen beurskoers. Een andere inputwaarde in de berekening van de bedrijfswaarde als contante waarde van toekomstige kasstromen was mede gelet op voornoemde omstandigheden niet beschikbaar of aanvaardbaar. Evenmin had Xeikon aanleiding te verwachten dat de opbrengsten van de verkoop van haar belang in Accentis (significant) zouden afwijken van de beurswaarde. Xeikon was verder van oordeel dat de beurskoers de meest voor de hand liggende indicatie was van de reële waarde. Xeicon zag geen reden aan te nemen dat de beurswaarde wezenlijk lager zou zijn dan de reële waarde. Op grond van het voorgaande heeft Xeikon geoordeeld dat sprake was van een bijzondere waardevermindering en dat de deelneming in Accentis diende te worden gewaardeerd tegen beurskoers. Dat heeft zij toegelicht in de jaarrekening 2012. Appellant heeft kennisgenomen van deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen getoetst. Daarbij heeft hij een IFRS-deskundige geconsulteerd, die bevestigde dat in dit geval de realiseerbare waarde gelijk was te stellen aan de beurswaarde en dat een bijzondere waardevermindering dus geëigend was. De IFRS-deskundige heeft vastgesteld dat op grond van IAS 36.26 en IAS 39.48A daarbij de beurskoers moest worden gehanteerd. Hij heeft tevens bevestigd dat voor het toetsen van een bijzondere waardevermindering het gelijkstellen van de bedrijfswaarde en de reële waarde consistent is met IAS 36 waar IAS 28.33 naar verwijst.

3.6

Het College is van oordeel dat appellant, gelet op het voorgaande, de nodige zorgvuldigheid heeft betracht en aldus terecht en op basis van voldoende controle-informatie heeft geoordeeld dat de door Xeikon gekozen verantwoording van haar Accentis-belang conform IFRS was en dus dat de bijzondere waardevermindering aanvaardbaar was. In zoverre treft hem naar het oordeel van het College geen tuchtrechtelijk verwijt. Het betoog van [naam 3] dat de beurskoers van het aandeel Accentis ultimo 2012 een onjuiste maatstaf vormt voor de waardebepaling van Accentis, leidt het College niet tot een ander oordeel, omdat [naam 3] - mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van appellant - die stelling naar het oordeel van het College onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

3.7

Het voorgaande leidt het College tot de conclusie dat het oordeel van de accountantskamer dat klachtonderdeel I.A. gegrond is, niet in stand kan blijven.

3.8

De eerste grief slaagt.

4.1

Ten aanzien van de gegrondverklaring van klachtonderdeel I.B. betoogt appellant, samengevat weergegeven, dat hij in het kader van zijn controlewerkzaamheden heeft vastgesteld dat de vordering van Xeikon op Accentis ultimo 2012 € 26,6 miljoen bedroeg en dat daarover een rente van € 1,6 miljoen werd berekend. Appellant heeft eveneens vastgesteld dat uit de financiële administratie van Xeikon bleek dat het verschuldigde rentebedrag niet was voldaan. Appellant heeft daarnaast kennis genomen van de beslissing van het management van Xeikon om de rentevordering op Accentis tegen geamortiseerde kostprijs te waarderen zonder aftrek van waardevermindering. Er waren naar het oordeel van appellant geen indicaties die ertoe zouden kunnen leiden dat de vordering op Accentis moest worden afgewaardeerd. Voorts heeft appellant geconcludeerd dat IAS 39 geen mogelijkheid geeft om in 2012 een vordering al af te waarderen naar een beoogde verkoopvoorwaarde in 2013. De beslissing van Xeikon om de lening tegen geamortiseerde kostprijs te waarderen zonder aftrek van waardevermindering wegens impairment, was aldus - volgens appellant - aanvaardbaar, zodat de vordering van Accentis en de openstaande rentebate juist en volledig in de jaarrekening 2012 van Xeikon zijn verantwoord. De in de jaarrekening getroffen voorziening voor intercompanyvorderingen is niet getroffen voor de (rente)vordering op Accentis. Dit betekent dat het oordeel van de accountantskamer dat appellant ter zake van de verwerking van de rente op de lening aan Accentis een verwijt zou treffen, geen stand kan houden. Appellant merkt op dat de accountantskamer overweegt dat klachtonderdeel I.B. ervan uitgaat dat er geen grond is om een voorziening te treffen. Dat is volgens appellant een onjuiste weergave van de klacht. [naam 3] verwijt appellant dat er ten onrechte een voorziening was getroffen voor de rente op de lening aan Accentis. Appellant heeft tegen dat verwijt verweer gevoerd. Met deze weergave treedt de accountantskamer buiten de klacht. Dat is volgens vaste jurisprudentie van het College niet toegestaan. Appellant is daardoor op ontoelaatbare wijze in zijn verdedigingsbelang geschaad.

4.2

[naam 3] stelt in reactie op het betoog van appellant dat zij de klacht heeft ingestoken op het ten onrechte treffen van een voorziening op de door Xeikon aan Accentis verstrekte lening, hoewel in de enkelvoudige jaarrekening slechts gesproken werd van ‘een intercompany vordering’. Zowel in het oorspronkelijke klaagschrift als ter zitting van de accountantskamer heeft [naam 3] betoogd dat zij haar conclusie - dat de voorziening ziet op de vordering van Xeikon op Accentis - heeft gebaseerd op de waarneming dat uit de jaarrekening van Xeikon geen andere intercompanyvorderingen blijken en het dus om de vordering uit hoofde van de lening aan Accentis moest gaan. De keerzijde van die redenering is dat als de voorziening kennelijk niet op de vordering uit hoofde van de lening aan Accentis ziet - zoals appellant betoogt -, de klacht in stand blijft en zich automatisch richt op de intercompanyvordering die dan kennelijk op een andere entiteit betrekking heeft. [naam 3] benadrukt in dat verband dat appellant in zijn verweerschrift, ter zitting van de accountantskamer noch in zijn hogerberoepschrift duidelijkheid heeft verschaft over de vraag op welke intercompanyvordering de getroffen voorziening wel betrekking zou hebben. Volgens [naam 3] heeft zij daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat de voorziening op de intercompanyvordering onvoldoende is toegelicht.

4.3

Het College stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van 3 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:461) de omvang van de tuchtprocedure wordt bepaald door de klacht zoals de klager die heeft ingediend. Uit het oorspronkelijke klaagschrift blijkt dat [naam 3] klaagt over de onduidelijkheden die de jaarrekening 2012 van Xeikon laat bestaan over een getroffen voorziening van € 1,6 miljoen op intercompanyvorderingen. Het College begrijpt de klacht aldus dat onduidelijk is waarop de getroffen voorziening betrekking heeft en dat daardoor onduidelijk is wat de grond is voor het treffen van de voorziening. In zoverre volgt de uitleg die de accountantskamer in 4.7.10 van de bestreden uitspraak aan de klacht geeft direct uit het klaagschrift. Het College ziet daarin dan ook niet een ongeoorloofde uitbreiding van de klacht door de accountantskamer. In zoverre slaagt de tweede grief niet.

4.4

De getroffen voorziening die thans ter discussie staat is in de (enkelvoudige) jaarrekening 2012 van Xeikon (pagina 184) als volgt toegelicht:

“Er is een voorziening voor mogelijke oninbaarheid opgenomen van 1,6 miljoen euro [2011: 0,2 miljoen euro] voor intercompanyvorderingen.”

Ter zitting heeft appellant nader toegelicht dat het begrip intercompanyvorderingen ziet op de intercompanybedragen in de rubrieken ‘langlopende vorderingen’ en ‘vorderingen’ zoals eveneens opgenomen in de (enkelvoudige) jaarrekening. De voorziening ziet op de rekening-courant van verschillende groepsmaatschappijen die over compensabele verliezen beschikken die Xeikon eventueel op een fiscaal voordelige manier wilde gebruiken. Van een voorziening voor de (rente)vordering op Accentis die (toevallig) eveneens € 1,6 miljoen bedraagt, is geen sprake. Dat blijkt ook uit het feit dat de voorziening niet in de geconsolideerde jaarrekening is verantwoord, waarin de deelneming in Accentis niet is meegeconsolideerd. Nu de voorziening enkel is verantwoord in de enkelvoudige jaarrekening kan reeds daaruit worden afgeleid dat de vordering ziet op een (geconsolideerde) groepsmaatschappij. Appellant heeft er verder op gewezen dat de (rente)vordering op Accentis in het resultaat is genomen, hetgeen niet had gemogen als de opvatting was dat de rentevordering niet inbaar was. Uit de jaarrekening valt derhalve op te maken dat de rentevordering niet is voorzien.

4.5

Op basis van het voorgaande is het College van oordeel dat appellant afdoende heeft toegelicht dat de door Xeikon getroffen voorziening van € 1,6 miljoen niet ziet op de rentevordering van Xeikon op Accentis en niet ten onrechte in de toelichting op de enkelvoudige jaarrekening is opgenomen. Hetgeen [naam 3] daartegenover heeft gesteld biedt onvoldoende grond voor een andere conclusie. In zoverre valt niet in te zien dat appellant een tuchtrechtelijk verwijt treft. Het oordeel van de accountantskamer dat klachtonderdeel I.B. gegrond is, kan daarom niet in stand blijven.

4.6

De tweede grief slaagt eveneens.

5. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Het College zal de uitspraak van de accountantskamer, voor zover daarbij de klachtonderdelen I.A. en I.B. gegrond zijn verklaard en aan appellant de maatregel van berisping is opgelegd, vernietigen en, met toepassing van artikel 43i van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra), de zaak zelf afdoen en de klacht, voor zover het betreft de klachtonderdelen I.A. en I.B., ongegrond verklaren.

6. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden uitspraak voor zover daarbij de klachtonderdelen I.A. en I.B. gegrond zijn verklaard en aan appellant de maatregel van berisping is opgelegd;

  • -

    verklaart de klacht voor zover het betreft de klachtonderdelen I.A. en I.B. ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. W.A.J. van Lierop en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. J.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2018.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. J.J. de Jong