Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:508

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
16/835
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

incidentele (visserij)subsidie, deels gefinancierd door het EVF. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Kaderwet EZ-subsidies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/835

27803

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 september 2018 in de zaak tussen

[Stichting] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.G.J. van den Bergh),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. K.K.E. Blom).

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het wijzigingsverzoek van appellante voor subsidie uit het Nederlands Operationeel Programma “Perspectief voor een duurzame visserij” gedeeltelijk goedgekeurd.

Bij besluit van 15 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit met een aanvullende motivering in stand gelaten.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2017.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij brief van 2 februari 2018 heeft het College het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend.

Bij brief van 13 februari 2018 heeft verweerder zich op verzoek van het College uitgelaten over de vraag op grond van welk wettelijk voorschrift de desbetreffende subsidie is verstrekt. Daarop heeft appellante bij brief van 21 maart 2018 gereageerd.

Aangezien partijen niet binnen de hen gestelde termijn hebben verklaard dat zij gebruik wilden maken van hun recht om nader ter zitting te worden gehoord, heeft het College het onderzoek gesloten en bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft op grond van het Nederlands Operationeel Programma “Perspectief voor een duurzame visserij” subsidie aangevraagd ten behoeve van het project “Discardvermindering garnalenvisserij” (hierna: het project).

1.2

Bij besluit van 22 juli 2014 heeft verweerder de aanvraag van appellante goedgekeurd en een subsidie verleend van maximaal € 706.240,-. Van de subsidiabele projectkosten maken deel uit ‘kosten derden’. In de toelichting van appellante bij deze kostenpost staat vermeld, voor zover hier van belang:

“(…)
14) Inzet testkotters

Voor de medewerking aan het project worden de volgende kosten/activiteiten doorbelast door de testkotters:

Het verlenen van medewerking aan het project door het beschikbaar stellen van het vaartuig en het verlenen van hand en spandiensten door de bemanning om het onderzoek te laten plaatsvinden en de aanwezige onderzoekers te faciliteren.
(…)”

In de toelichting van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) bij deze kostenpost staat vermeld, voor zover hier van belang:

“(…)
14) De kosten Inzet testkotters – uitvoering praktijktesten (€ 240.000) zijn onderbouwd met een kostenraming per kotter. Het betreft de inzet per vaartuig van € 4.000 per week (…). In deze € 4.000 is opgenomen: Een vergoeding voor de bemanning en schipper voor het uitvoeren van diverse testen, verstelwerkzaamheden, gebruikskosten van het schip, medewerking in aanleveren deelrapportages testen. (…)”

1.3

Appellante heeft op 11 maart 2015 een wijzigingsverzoek gedaan. Appellante heeft verzocht om een aanpassing van de begroting van het project waaronder een herverdeling van het budget ‘inzet testkotters – uitvoering praktijktesten’ ter zake van, voor zover hier relevant, de garnalenkotters [… 1] en [… 2] . In de toelichting van appellante bij dit wijzigingsverzoek staat vermeld, voor zover hier van belang:

“(…)
Voor het testen van het effect van maaswijdte vergroting op de vangst zijn inmiddels twee schepen bereid gevonden om mee te werken, namelijk de [… 2] en de [… 1] . Ook voor deze garnalenkotters zijn overeenkomsten gesloten met de [Stichting] . Per kotter is € 40.000,00 begroot in de overeenkomst voor de uitvoering van de praktijktesten met vergroting maaswijdtes. (…) In de bijlage worden alle getekende opdrachtbevestigingen tussen [Stichting] en testkotters toegevoegd.
(…)”

1.4

De overeenkomst van opdracht tussen appellante en de uitvoerder luidt, voor zover hier van belang:


“(…)

De stichting is aan de uitvoerder geen loon of garantiebesomming verschuldigd, met dien verstande dat de stichting wel gehouden is om de onkosten die de uitvoerder ter uitvoering van het project “discardsvermindering garnalenvisserij” moet maken, over de lengte van het gehele project in nader te bepalen termijnen zal uitbetalen.

(…)

Opdracht en randvoorwaarden

1) Het verlenen van medewerking aan het project “discardsvermindering garnalenvisserij” door het beschikbaar stellen van het vaartuig en het verlenen van hand en spandiensten door de bemanning om het onderzoek te laten plaatsvinden en de aanwezige onderzoekers te faciliteren. (…) Hiervoor stelt de uitvoerder de kotter met bemanning beschikbaar voor een bedrag van maximaal € 4.000,00 per week. Hierin is voorzien: een vergoeding voor de bemanning en schipper voor het uitvoeren van diverse testen, verstelwerkzaamheden, gebruikskosten van het schip, medewerking in aanleveren deelrapportages testen.

(…)

3) Kosten worden in rekening gebracht door middel van een factuur. Inzet bemanning tegen tarief van (…), alsmede kosten van het verlies van vistijd tegen de gemiddelde opbrengst per uur in de betreffende visweek. Laatstgenoemde kosten worden o.v.v. nacalculatie doorbelast aan de stichting.

Berekening:

- Uitsortering garnalenvangst m.b.v. testnet die apart wordt opgeslagen in het visruim: € …

- Commerciële vangst kilo’s gevangen door conventioneel vistuig: € …

- Te factureren (=verschil tussen testnet en conventioneel tuig): aantal kg x kg prijs

(…)

5) maximaal beschikbaar budget project per viskotter: € 40.000,00 tot aan einddatum.

(…)”

1.5

Bij besluit van 8 juli 2015 heeft verweerder de door appellante voorgestelde wijzigingen goedgekeurd.

1.6

Bij besluit van 11 december 2015 heeft verweerder een voorschotverzoek van appellante met betrekking tot het project gedeeltelijk goedgekeurd. Wat betreft de kosten ter vergoeding van het visverlies door het testen met een net met maaswijdtevergroting (hierna: het visvangstverlies) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor deze kosten geen subsidie is verleend en dat deze kosten daarom niet subsidiabel zijn.

1.7

Nadat naar aanleiding van het besluit van 11 december 2015 bleek dat er onduidelijkheid bestond over de subsidiabiliteit van de kosten van visvangstverlies, heeft appellante op 17 december 2015 opnieuw een wijzigingsverzoek ingediend. Bij brief van

20 december 2015, ontvangen door verweerder op 23 december 2015, heeft appellante haar wijzigingsverzoek nader toegelicht. Het tweede wijzigingsverzoek is erop gericht dat ook de kosten van visvangstverlies subsidiabel worden gesteld. Het wijzigingsverzoek ziet niet op een verhoging van het verleende subsidiebedrag.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder het wijzigingsverzoek van appellante van
17 december 2015 gedeeltelijk goedgekeurd. Verweerder heeft de door appellante voorgestelde aanpassing van het budget voor het subsidiabel stellen van het visvangstverlies afgewezen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat bij de verlening van de subsidie de kosten voor inzet van bemanning en schip reeds als subsidiabele kosten zijn goedgekeurd en dat er geen grond bestaat om hierbij ook het visvangstverlies te vergoeden, terwijl het vergoeden hiervan in redelijkheid ook niet als noodzakelijk kan worden beschouwd.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit met een aanvullende motivering in stand gelaten. De aanvullende motivering luidt – verkort weergegeven – dat op grond van artikel 55, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (EVF-verordening) uitgaven voor een bijdrage uit het EVF in aanmerking komen indien zij daadwerkelijk door de begunstigde zijn betaald, zodat het moet gaan om gemaakte en betaalde kosten door de subsidieontvanger. Daarnaast moet op grond van artikel 39, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 498/2007 van de Commissie van 26 maart 2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad inzake het Europees Visserijfonds (Verordening 498/2007) worden nagegaan of de producten of diensten conform de goedkeuringsbeschikking zijn geleverd. Volgens verweerder is het subsidiabel stellen van kosten die zien op visvangstverlies niet in overeenstemming met het Europees recht omdat tegenover deze kosten geen dienst of product staat dat geleverd wordt aan de begunstigde.

4. Het College overweegt als volgt.

4.1

Verweerder heeft naar aanleiding van de vraag van het College op grond van welk wettelijk voorschrift de subsidie is verstrekt bij brief van 13 februari 2018 meegedeeld dat verweerder op grond van artikel 2, eerste lid, onder m, van de Kaderwet EZ-subsidies subsidies kan verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake visserij en dat in dit geval sprake is van een daarop gebaseerde incidentele subsidie als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onderdeel d, van de Awb. Het project maakt onderdeel uit van het “Perspectief garnalenvisserij” dat onderdeel is van het VIBEG-akkoord. In het VIBEG-akkoord is afgesproken dat de garnalenvisserij in principe kan rekenen op innovatiegelden. Deze gelden zijn beschikbaar gesteld vanuit het Nederlands Operationeel programma “Perspectief voor een duurzame visserij”, dat deels gefinancierd wordt door het Europees Visserijfonds (EVF). Van gedelegeerde wetgeving is geen sprake.

4.2

Op grond van het voorgaande concludeert het College dat het bestreden besluit is gebaseerd op de Kaderwet EZ-subsidies. Het College is daarom ingevolge artikel 4 van bijlage 2 bij de Awb bevoegd om van het beroep kennis te nemen. Verder gaat het College op grond van de toelichting van verweerder ervan uit dat sprake is van een (deels) vanuit het EVF gefinancierde incidentele subsidie, waarbij moet worden uitgegaan van de voorwaarden die zijn opgenomen in het subsidieverleningsbesluit van 22 juli 2014, alsmede de voorwaarden die zijn neergelegd in de EVF-Verordening.

4.3

Het College leidt uit het subsidieverleningsbesluit van 22 juli 2014 af dat aan derden verschuldigde kosten, waaronder kosten voor studies en onderzoeksactiviteiten, in aanmerking komen voor subsidie. Niet in geschil is dat appellante een derde opdracht heeft gegeven voor het uitvoeren van praktijktesten door de kotters [… 1] en [… 2] en dat de daarmee gemoeide kosten in beginsel voor subsidie in aanmerking komen. Uit de overeenkomst van opdracht blijkt dat appellante de onkosten die de uitvoerder ter uitvoering van het project moet maken aan de uitvoerder dient te betalen. Het gaat daarbij blijkens de overeenkomst onder meer om een vergoeding voor de bemanning en schipper voor het uitvoeren van diverse testen en de gebruikskosten van het schip. Zoals appellante ter zitting heeft toegelicht, vallen hieronder ook de kosten visvangstverlies die op basis van nacalculatie bij appellante in rekening worden gebracht. Naar het oordeel van het College maken de kosten van visvangstverlies onlosmakelijk deel uit van de kosten van de uitvoerder die appellante vanwege de opdracht tot het uitvoeren van de praktijktesten zal dienen te betalen. De aan het bestreden besluit ten grondslag liggende motivering van verweerder dat tegenover deze kosten geen dienst of product staat dat geleverd wordt aan appellante is dan ook onjuist.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking.

6. Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Het College ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het op de weg van verweerder ligt om opnieuw op het wijzigingsverzoek te beslissen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn van zes weken stellen.

7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. E.R. Eggeraat en mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. L. van Gulick, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.

w.g. A. Venekamp w.g. L. van Gulick