Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:502

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
18/191
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Beroepseed voor accountants. Hoger beroep beperkt tot de positie van accountants in business. Alle accountants hebben een verantwoordelijkheid te handelen in het algemeen belang en in overeenstemming met de fundamentele beginselen, ook accountants

in business. Hoger beroep ongegrond. Maatregel van doorhaling met een termijn van één maand, waarbinnen de accountant niet opnieuw kan worden ingeschreven in het register.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1907
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 18/191

20150


Uitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2018 op het hoger beroep van:

[naam] RA, te [plaats] , appellant,

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 20 december 2017, gegeven op een klacht, tegen appellant ingediend door

de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA)

(gemachtigde: mr. A. Sukkel).


Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 20 december 2017, met nummer 17/1816 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2017:84).

De NBA heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2018.

Appellant is verschenen. De NBA heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.J.A.M. Jongstra RA en mr. A. Sukkel.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant is sinds 6 juli 1983 ingeschreven als registeraccountant in het accountantsregister.

1.3

Bij brief van 22 mei 2017 heeft de NBA appellant laten weten dat zij heeft vastgesteld dat appellant op mijnnba.nl nog niet heeft geregistreerd dat hij de beroepseed voor accountants heeft afgelegd. De NBA heeft daaruit de conclusie getrokken dat appellant de beroepseed wel heeft afgelegd, maar dit nog niet heeft geregistreerd, dan wel de beroepseed nog niet heeft afgelegd. De NBA heeft appellant in het eerste geval verzocht het afleggen van de beroepseed alsnog te registeren en in het tweede geval drie gelegenheden geboden waarbij de beroepseed alsnog kon worden afgelegd.

1.4

Bij brief van 20 juni 2017 heeft de NBA appellant meegedeeld te overwegen een tuchtklacht tegen hem in te dienen, omdat zij heeft vastgesteld dat appellant nog steeds niet heeft geregistreerd dat hij de beroepseed heeft afgelegd en de NBA er daarom van uitgaat dat appellant deze eed nog niet heeft afgelegd. Appellant is bij die brief in de gelegenheid gesteld de eedaflegging voor 5 juli 2018 alsnog te registreren, dan wel zijn zienswijze met betrekking tot het voornemen van de NBA om een tuchtklacht in te dienen kenbaar te maken. Appellant heeft niet gereageerd op deze brief van de NBA.

1.5

Bij brief van 18 augustus 2017 heeft de NBA een tuchtklacht tegen appellant ingediend.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat appellant heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Ten grondslag aan die klacht liggen de volgende verwijten:

a. (primair) appellant heeft nagelaten de beroepseed voor accountants af te leggen;

b. (subsidiair) appellant heeft nagelaten de beroepseed voor accountants tijdig (voor 1 mei 2017) af te leggen.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard en appellant de maatregel van doorhaling opgelegd, waarbij de termijn waarbinnen appellant niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven is bepaald op één maand.

De accountantskamer heeft – samengevat – geoordeeld dat de Verordening op de beroepseed voor accountants (Vba) rechtsgeldig tot stand is gekomen en geldt voor alle leden van de beroepsorganisatie, ook voor de degenen die zich met de inhoud ervan niet kunnen verenigen. De accountantskamer heeft voorts overwogen dat de NBA onweersproken heeft gesteld dat appellant de beroepseed niet heeft afgelegd. Daarmee heeft appellant artikel 2 van de Vba overtreden en is de klacht reeds gegrond. Naar het oordeel van de accountantskamer heeft appellant door het niet afleggen van de verplichte beroepseed daadwerkelijk het accountantsberoep in diskrediet gebracht en daarmee artikel 4 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) overtreden, zodat de klacht ook om die reden gegrond is. Bij het opleggen van de maatregel heeft de accountantskamer in overweging genomen dat de verplichting tot het afleggen van de beroepseed onverkort op de hele beroepsgroep van toepassing is geworden met het doel het vertrouwen in het beroep van accountant te bevorderen. Het is daarmee naar het oordeel van de accountantskamer een belangrijke verplichting en een essentiële voorwaarde voor het kunnen uitoefenen van het accountantsberoep. Zolang appellant niet alsnog de beroepseed aflegt, kan hij niet worden toegelaten tot de beroepsuitoefening van accountant. De accountantskamer heeft geoordeeld dat doorhaling in dit geval de enige passende maatregel is, waardoor wordt voorkomen dat appellant zonder eedsaflegging nog het beroep uitoefent. Dit doel mede inachtnemend, kan naar het oordeel van de accountantskamer worden volstaan met een doorhaling met oplegging van een korte niet-inschrijvingstermijn, zodat zodra appellant alsnog bereid is de beroepseed af te leggen, hij spoedig weer kan worden toegelaten tot inschrijving in de registers.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3. Appellant voert aan dat de eis tot naleving van de Vba voor hem als accountant in business onaanvaardbaar is, omdat deze van hem een belofte verlangt tot handelen in het algemeen belang en naleving van het fundamentele beginsel van objectiviteit, terwijl dit elementen zijn die haaks staan op zijn wijze van beroepsuitoefening als accountant in business. Appellant stelt dat de Vba voor accountants in business onverbindend is, omdat de vereisten inzake het dienen van het algemeen belang en de objectiviteit geen wettelijke basis hebben voor deze groep accountants. Volgens appellant is het openbaar belang, en in het verlengde daarvan de objectiviteit, alleen aan de orde als accountants publieke taken verrichten en dat doen accountants in business, die de specifieke belangen van hun werkgever of opdrachtgever behartigen, nu juist niet. Appellant stelt dat de Vba voor accountants in business om die reden niet voldoet aan de Wet op het accountantsberoep. De beroepseed is ingevoerd voor het herstel van het vertrouwen in de controlerende accountants. Appellant staat hier als accountant in business geheel buiten. Ten aanzien van hem en andere accountants in business is er geen enkele noodzaak tot enige herstelmaatregel, dus ook niet tot de beroepseed, aldus appellant.

4. Het College overweegt dat appellant zijn beroep nadrukkelijk heeft beperkt tot (de situatie van en verplichtingen voor) accountants in business. Appellant stelt dat de Vba, voor zover daarin van deze groep accountants wordt geëist dat de beroepseed wordt afgelegd, onverbindend is. Desgevraagd heeft appellant ter zitting verklaard zich niet te verzetten tegen eedaflegging door accountants in het algemeen, maar alleen tegen de verplichting tot het afleggen van deze eed door accountants in business. Appellant vindt de eed voor openbare accountants wel passend. Gelet hierop zal het College zich bij de beoordeling van dit hoger beroep beperken tot de vraag of op grond van de Vba van een accountant in business kan worden verlangd dat hij de beroepseed aflegt.

5.1

De kern van het betoog van appellant is dat een accountant in business niet handelt in het algemeen belang, maar juist optreedt ter behartiging van specifieke belangen van een werkgever of een opdrachtgever. Ditzelfde geldt volgens appellant ten aanzien van het vereiste van objectiviteit, in die zin dat een accountant in business niet zuiver feitelijk, ongekleurd en onpartijdig optreedt, omdat hij de belangen van zijn cliënt of werkgever behartigt.

5.2

Naar het oordeel van het College volgt uit de regelgeving voor accountants dat alle accountants – dus ook accountants in business – een verantwoordelijkheid hebben te handelen met inachtneming van het openbaar belang en zich daarbij dienen te houden aan de fundamentele beginselen. In de Memorie van Toelichting (MvT) op de Wet tuchtrechtspraak accountants (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 397, nr. 3, p. 2 en 3) – waar appellant in zijn hogerberoepschrift ook naar heeft verwezen – is ten aanzien daarvan onder andere het volgende opgenomen:

“ Het algemeen belang is aan de orde waar de accountant werkzaamheden verricht in de uitoefening van zijn publieke functie. Dit is bijvoorbeeld het geval als de accountant optreedt als controleur van de financiële verantwoordingen. (…) Als het gaat om de uitoefening van de kerntaken van de accountant is het algemeen belang evident. Deze taken zijn nu juist bij uitsluiting van anderen aan de accountants als gereglementeerd beroepsgroep opgedragen. Dit vanwege het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer wordt gesteld aan de objectiviteit, onafhankelijkheid, integriteit en vakbekwaamheid van de accountant bij de uitvoering van de kerntaken. (…) Een dergelijk algemeen belang doet zich in beginsel niet voor bij de uitvoering van de andere werkzaamheden van de accountant, werkzaamheden die in de vrije markt ook door anderen of andere beroepsgroepen worden uitgevoerd. (…)
Pas als de uitvoering van deze werkzaamheden door een accountant op een zodanige wijze plaatsvindt dat daardoor de eer en goede naam van de beroepsgroep wordt aangetast, is een algemeen belang in het geding, vanwege de uitstraling die dat heeft op het vertrouwen dat in het maatschappelijk en economisch verkeer wordt gesteld in de objectieve, onafhankelijke, integere en vakbekwame uitvoering van de kerntaken van de accountant.”

Anders dan appellant stelt, blijkt ook uit de MvT dat het algemeen belang bij de werkzaamheden van elke accountant een rol speelt, al kan de mate waarin met dit belang rekening moet worden gehouden in de werkzaamheden verschillen. Het College wijst er daarnaast op dat het onderscheid dat in de MvT is gemaakt tussen kerntaken van de accountant (waarbij het algemeen belang een grote rol speelt) en andere taken (waarbij het algemeen belang doorgaans een minder grote rol speelt) betrekking had op de reikwijdte van het klachtrecht bij de tuchtrechter en dat dit onderscheid in een later stadium van de parlementaire behandeling is losgelaten, in die zin dat alle klachten over het beroepsmatig handelen van een accountant aan de tuchtrechter kunnen worden voorgelegd. In latere regelgeving is dit bestendigd. Zo blijkt uit de tekst en wetsgeschiedenis van de op 1 januari 2013 in werking getreden Wet op het accountantsberoep dat de wetgever de pluriformiteit van het accountantsberoep – waarbij naast openbaar accountants ook interne en overheidsaccountants en accountants in business zijn te onderscheiden – ten volle heeft onderkend, zonder dat in verband daarmee een verschil is aangebracht in de toepasselijkheid van de beroepsregelgeving als zodanig en de onderworpenheid aan het tuchtrecht in het bijzonder. Uit de VGBA blijkt evenmin van een onderscheid als door appellant bepleit. In artikel 2 van de VGBA is opgenomen dat een accountant, teneinde invulling te geven aan zijn verantwoordelijkheid als accountant om te handelen in het algemeen belang, zich houdt aan de fundamentele beginselen. In dit artikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende typen accountants, zoals controlerend accountants en accountants in business.

5.3

Gelet op het vorenstaande volgt het College appellant niet in zijn stelling dat de vereisten inzake het dienen van het algemeen belang en de objectiviteit geen wettelijke basis hebben voor de accountant in business. Voor elke accountant, dus ook voor de accountant in business, speelt het algemeen belang bij de uitoefening van het beroep een rol en dient de accountant zich in verband daarmee te houden aan de fundamentele beginselen. Met zijn stelling dat de objectiviteit voor hem niet geldt, miskent appellant zijn verantwoordelijkheid als accountant te handelen overeenkomstig de fundamentele beginselen, juist vanwege het vertrouwen dat in het maatschappelijk en economisch verkeer wordt gesteld in accountants. Deze verantwoordelijkheid geldt onverkort voor appellant, die zich in zijn werkzaamheden als accountant in business ook expliciet als accountant presenteert. Dit betekent dat de grief van appellant dat de Vba voor accountants in business onverbindend is, reeds daarom niet slaagt.

6. Vast staat dat appellant – in elk geval tot aan de zitting bij het College – de beroepseed voor accountants niet heeft afgelegd. Gelet hierop heeft de accountantskamer de klacht terecht gegrond verklaard op de grond dat appellant artikel 2 van de Vba en het fundamentele beginsel van professionaliteit als bedoeld in artikel 4 van de VGBA heeft geschonden. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat appellant door zijn weigering de beroepseed af te leggen het vertrouwen in de beroepsgroep heeft geschaad, terwijl de beroepseed nu juist tot doel heeft het vertrouwen in de beroepsgroep te herstellen en bevorderen. Dit kan appellant worden aangerekend. Voor het achterwege laten van het opleggen van een maatregel, zoals door appellant betoogd, ziet het College geen aanleiding. Met de accountantskamer acht het College de maatregel van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers, waarbij de termijn waarbinnen de accountant zich niet opnieuw kan inschrijven is bepaald op één maand, passend en geboden.

7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. S.C. Stuldreher en mr. H.S.J Albers, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2018.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. C.G.M. van Ede