Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:501

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
17/842
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ecologisch aandachtsgebied

belanghebbende 1:2 Awb

Vo. 640/2014 art. 26

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/842

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 september 2018 in de zaak tussen

Maatschap [appellante sub 1] , te [plaats] , appellante sub 1

[appellant sub 2] , appellant sub 2

[appellante sub 3] B.V., appellante sub 3,

tezamen appellanten,

(gemachtigde: [naam] )

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.F. Bosma en E.J.H. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante sub 1 in 2015 voor de uitbetaling van betalingsrechten (basis- en vergroeningsbetaling) op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 4 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante sub 1 gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellante sub 1 heeft op 20 mei 2015 bij de (gewijzigde) Gecombineerde opgave 2015 uitbetaling van de betalingsrechten (basis- en vergroeningsbetaling) aangevraagd. In de Gecombineerde opgave 2015 heeft appellante sub 1 aangegeven dat zij 24,66 hectare (ha) landbouwgrond in gebruik of beheer heeft. Onder het kopje ‘Ecologisch aandachtsgebied’ heeft zij aangekruist te zijn vrijgesteld van het hebben van 5% ecologisch aandachtsgebied.
1.2 Bij het primaire besluit heeft verweerder een korting toegepast bij de vaststelling van de vergroeningsbetaling omdat appellante sub 1 heeft aangegeven vrijgesteld te zijn van de verplichting tot het inrichten van een ecologisch aandachtsgebied en daarvoor geen oppervlakte heeft opgegeven. Appellante sub 1 was verplicht 1,233 hectare (ha) in te richten als ecologisch aandachtsgebied en om die reden is de oppervlakte waarover de vergroeningsbetaling wordt verrekend, verlaagd met 12,33 ha. Deze korting heeft verweerder gebaseerd op artikel 26 van de Gedelegeerde verordening (EU) Nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014). Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

2. Appellanten zijn het niet eens met de door verweerder opgelegde korting op de vergroeningsbetaling. Appellanten voeren – kort gezegd – aan dat appellante sub 1 vruchtwisseling toepast en dat zij daarmee aan de vergroeningsvoorwaarden voldoet. Appellante sub 1 heeft van verweerder telefonisch vernomen dat de betrokken telers daarvoor niets hoeven door te geven. Een nadere vraag die appellante sub 1 hierover aan de dienst juridische zaken van verweerder heeft voorgelegd is onbeantwoord gebleven. Appellanten hebben, voor zover hier van belang, ter zitting aangevoerd dat na de oogst van de pootaardappelen in 2015 niet eerst een vanggewas, maar onmiddellijk wintertarwe is ingezaaid om ervoor te zorgen dat dit gewas vóór de winter genoeg lengte had. Daarbij hebben appellanten toegelicht dat dit de gangbare praktijk in de regio is en dat op die manier ook wordt voldaan aan de doelstelling van de vergroeningseisen, nu daarmee wordt voorkomen dat de percelen in de winter braak komen te liggen. Het tussendoor inzaaien met een vanggewas voegt volgens appellanten niets toe aan de vergroening en zou enkel dienen om aan de formele vereisten te voldoen. Het formulier van verweerder geeft evenwel niet de mogelijkheid om het teeltplan van appellante sub 1 in kader van het ecologisch aandachtsgebied op te geven. Daarnaast stellen appellanten dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op het verzoek om de Gecombineerde opgave voor 2016 aan te vullen.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1

Artikel 46, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Indien het bouwland van een bedrijf meer dan 15 hectare beslaat zorgen de landbouwers ervoor dat vanaf 1 januari 2015 een areaal dat ten minste 5 % vertegenwoordigd van het bouwland van het bedrijf dat de landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 heeft aangegeven en, voor zover die gebieden als ecologisch aandachtsgebied worden beschouwd door de lidstaat overeenkomstig lid 2 van dit artikel, waaronder de onder c), d), g) en h), bedoelde gebieden, ecologisch aandachtsgebied is.”

3.2

Artikel 17, vijfde lid, van Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“De oppervlakte van elk landbouwperceel en, in voorkomende geval, het type, de omvang en de ligging van de ecologische aandachtsgebieden worden door de begunstigde ondubbelzinnig geïdentificeerd en opgegeven. Met betrekking tot de vergroeningsbetaling specificeert de begunstigde ook het gebruik van de aangegeven landbouwpercelen. Hiertoe kan de begunstigde reeds in het vooraf opgestelde formulier verstrekte informatie bevestigen.”

3.3

Artikel 26, tweede lid, van Verordening 640/2014 bepaalde, ten tijde en zover thans van belang, het volgende.

“Indien het vereiste ecologische aandachtsgebied, rekening houdend met de weging van ecologische aandachtsgebieden (…), groter is dan het geconstateerde ecologische aandachtsgebied, wordt het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling overeenkomstig artikel 23 van de onderhavige verordening wordt berekend, verlaagd met 50 % van het totale geconstateerde bouwland (…), vermenigvuldigd met de verschilfactor.

De in de eerste alinea bedoelde verschilfactor komt overeen met het aandeel van het verschil tussen het vereiste ecologische aandachtsgebied en het geconstateerde ecologische aandachtsgebied in het vereiste ecologische aandachtsgebied.”

3.4

Artikel 2.17, eerste lid, aanhef en d, van de Uitvoeringsregeling bepaalt dat als ecologisch aandachtsgebied als bedoeld in artikel 46, eerste en tweede lid, van Verordening 1307/2013 wordt beschouwd areaal, anders dan het areaal waarop artikel 45, negende lid, tweede alinea van Gedelegeerde verordening (EU) Nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 639/2014) van toepassing is, waarop combinaties van vanggewassen worden geteeld als bedoeld in bijlage 2, van de Uitvoeringsregeling onder de voorwaarden die per categorie voor de desbetreffende soorten in deze bijlage zijn vermeld. Uit de voorwaarden van bijlage 2 van de Uitvoeringsregeling en uit artikel 45, negende lid, van de Verordening 639/2014 volgt echter dat de combinatie van vanggewassen vóór 1 oktober van het jaar van aanvraag moet worden ingezaaid.

3.5

Het College stelt vast dat, behalve de maatschap (appelante sub 1), ook [appellante sub 3] B.V. en [appellant sub 2] beroep hebben ingesteld (appelanten sub 2 en 3). Zij zal eerst ingaan op de vraag of appellanten sub 2 en 3 als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het bestreden besluit moeten worden aangemerkt. [appellante sub 3] B.V. is de partij tezamen met wie de maatschap de vruchtwisseling toepast. [appellant sub 2] is één van de maten van de maatschap. De belangen van [appellante sub 3] B.V. en [appellant sub 2] zijn naar het oordeel van het College afgeleide belangen. De gevolgen die voor [appellante sub 3] B.V. voortvloeien uit het bestreden besluit, kunnen uitsluitend via de contractuele verhouding tussen [appellante sub 3] B.V. en appellante sub 1 tot uiting komen. Daarnaast is niet van enige bijzondere reden gebleken waarom [appellant sub 2] , als maat, naast het beroep van de maatschap nog een eigen specifiek belang heeft. Van rechtstreekse belangen als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is geen sprake, zodat appellanten sub 2 en 3 niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. De beroepen van appellanten sub 2 en 3 zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.6

Niet is in geschil dat het landbouwbedrijf van appellante sub 1 niet is vrijgesteld van de voorwaarde om 5% van het bouwland als ecologisch aandachtsgebied in te zetten en dat zij geen percelen heeft opgegeven waarmee zij invulling geeft aan deze voorwaarde. Appellante sub 1 heeft aangegeven in 2015 na het oogsten van de pootaardappelen geen volgteelt in de vorm van een combinatie van vanggewassen te hebben ingezaaid op de percelen. Hiermee staat vast dat appellante sub 1 niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor de invulling van het ecologisch aandachtsgebied om in het jaar van de aanvraag, voor 1 oktober 2015 de combinatie van vanggewassen te hebben ingezaaid. De stelling van appellante sub 1 dat de doelstelling van deze regelgeving evenzeer wordt bereikt met de wijze waarop zij invulling geeft aan de vergroeningseisen kan haar, wat daar ook van zij, niet baten, nu de regelgeving daartoe geen mogelijkheid biedt. Deze beroepsgrond faalt.

3.7

Het College is daarnaast van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het op de weg van appellante sub 1 lag om zich afdoende te informeren over de voorwaarden waaraan zij diende te voldoen om in aanmerking te komen voor de vergroeningsbetaling en de wijze waarop zij dit bij de Gecombineerde Opgave 2015 diende op te geven. Niet is gebleken dat verweerder hierover ten tijde van de aanvraag onvoldoende dan wel onjuiste informatie heeft verschaft. Appellante sub 1 heeft een brief van 30 september 2016 van verweerder in het geding gebracht, om te onderbouwen dat zij zich afdoende heeft geïnformeerd over de regelgeving en dat zij conform de instructies van verweerder heeft gehandeld. Voor zover appellante sub 1 daarmee heeft beoogd zich te beroepen op het vertrouwensbeginsel, overweegt het College als volgt. Nu deze brief dateert van ruimschoots na de uiterste datum voor het doen van de Gecombineerde Opgave 2015, kan daaruit niet worden afgeleid dat appellante sub 1 zich tijdig over de toepasselijke regelgeving heeft geïnformeerd. Daarnaast blijkt, anders dan appellante sub 1 kennelijk stelt, uit deze brief ook niet dat verweerder appellante sub 1 heeft geadviseerd om in de Gecombineerde Opgave geen volgteelt op te geven. Evenmin blijkt uit deze brief dat is verklaard dat het teeltplan van appellante sub 1 voldoet aan de voorwaarden voor vergroening. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.

3.8

Ten slotte wijst het College erop dat de inhoud van de Gecombineerde opgave 2016 in het onderhavige bestreden besluit niet aan de orde is, zodat het daarop betrekking hebbende verzoek van appellante buiten de omvang van dit geding valt.

3.9

De slotsom is dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat appellante niet heeft voldaan aan de voorwaarde om 5% van haar landbouwgrond in te richten als ecologisch aandachtsgebied en terecht een korting heeft toegepast bij het vaststellen van de vergroeningsbetaling

4. Het beroep van appellante sub 1 is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College

  • -

    verklaart de beroepen van appellanten sub 2 en 3 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van appellante sub 1 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, mr. T. Pavićević en mr. C.M. Wissels, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2018.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. J.B.C. van der Veer