Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:496

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
17/998
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB 2015 – aanvraag betalingsrechten – perceel oppervlakten

Awb 8:75 Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten of bezwaarkosten is niet gebleken. Het College is in de lijn van arresten van de Hoge Raad van 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:197, en van 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5409, van oordeel dat van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen sprake is in een geval, als in dit geding aan de orde, waarin feitelijk de belanghebbende zelf optreedt in zijn zaak, ook al geschiedt dit namens een rechtspersoon. Het College volgt verweerder in zijn standpunt, als hiervoor onder 1.4 vermeld, dat appellant in bezwaar, evenals naar het oordeel van het College thans in beroep, zelf is opgetreden in zijn zaak en dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is daarom evenmin sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/998

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: [naam 1] )

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Bosma).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om toewijzing van betalingsrechten voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 11 mei 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Bij besluit van 30 november 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder bestreden besluit I herzien.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018. Appellant en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Met appellant is verschenen [naam 2] .

Overwegingen

1.1.

Het College gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellant heeft een eenmanszaak en heeft op 23 april 2015 met een Gecombineerde opgave 2015, die hij op 11 mei 2015, 13 juni 2015, 12 juni 2015 en 22 juni 2015 heeft gewijzigd, betalingsrechten aangevraagd. Appellant heeft daartoe 49 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 65,35 hectare (ha).

1.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellant 60,89 betalingsrechten toegewezen. Daarbij is uitgegaan van in totaal 60,89 ha geconstateerde subsidiabele landbouwgrond. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar, het opmeten van het perceel en het te lijden renteverlies.

1.4.

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en aan appellant 61,13 betalingsrechten toegewezen. Daarbij is uitgegaan van 61,13 ha geconstateerde subsidiabele landbouwgrond. In het bestreden besluit is verder vermeld dat de kosten van de GPS-meting zullen worden vergoed. Vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, als waarom appellant heeft verzocht, is niet toegekend op de grond dat appellant, die zich in de hoedanigheid van gevolmachtigd directeur van de besloten vennootschap [naam 3] B.V. heeft gesteld als gemachtigde, zijn eigen belangen heeft behartigd en niet als derde is opgetreden. Het verzoek om wettelijke rente is afgewezen.

1.5.

Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en verzocht om een vergoeding voor proceskosten, leges (griffierecht) en renteverlies (schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente).

1.6.

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bestreden besluit I met betrekking tot de geconstateerde oppervlakte van twee percelen (te weten de percelen 19 en 79) herzien, het bestreden besluit I voor zover dat betrekking heeft op de geconstateerde oppervlakte van de overige percelen gehandhaafd, en aan appellant 61,52 betalingsrechten toegewezen. Daarbij is uitgegaan van 61,52 ha geconstateerde subsidiabele landbouwgrond.

1.7.

Appellant heeft het College daarop schriftelijk bericht het beroep te handhaven.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018. Appellant heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Het College overweegt als volgt.

2.1.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II. Nu het bestreden besluit I is vervangen door het bestreden besluit II en gesteld noch gebleken is dat appellante nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit I, zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.2.

Op grond van artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) wordt onder een subsidiabele hectare verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit. Landbouwareaal is gelet op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013 om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten.

2.3.

In dit geding is eerst de vraag aan de orde of verweerder bij de toewijzing van de betalingsrechten van appellant is uitgegaan van de juiste, door hem geconstateerde subsidiabele oppervlaktes van de percelen 20, 21, 65, 92, 93, 94 en 98.

2.4.

Met betrekking tot de percelen 20 en 21, met een door appellant opgegeven oppervlakte van in totaal 1,18 ha en een door verweerder geconstateerde oppervlakte van in totaal 1,17 ha, overweegt het College als volgt. Het verschil tussen de opgegeven en de geconstateerde oppervlakte is 0,01 ha. Het gaat hier om twee aangrenzende percelen grasland met daarop gelegen een sloot die aan alle zijden is begrensd door grasland (door appellant binnensloot genoemd).Volgens appellant is de sloot kleiner dan verweerder stelt, zeker ’s zomers als het water lager staat dan ‘s winters. Appellant betwist ter zitting niet langer dat hij, zoals verweerder stelt, een deel van de sloot heeft ingetekend dat terecht niet subsidiabel is geacht. Het is het College ter zitting gebleken dat, zoals appellant stelt, op de luchtfoto’s is te zien dat verweerder de perceelgrens aan weerszijden van de sloot langs de sloot heeft gelegd en aan beide uiteinden van de sloot heeft doorgetrokken tot de naastgelegen perceelgrenzen, waardoor aan beide uiteinden van de sloot een stuk(je) grasland niet subsidiabel is geacht. Verder is gebleken, en erkend door verweerder, dat de door verweerder op de luchtfoto ingetekende perceelgrens op bepaalde plekken iets strakker langs de sloot gelegd had kunnen worden. Verweerder heeft daarvoor ter zitting geen deugdelijke onderbouwing kunnen geven. Het College ziet hierin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet deugdelijk is gemotiveerd en vernietigd moet worden wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Verweerder zal in een nader te nemen besluit de subsidiabele oppervlakte van de percelen 20 en 21 nader moeten vaststellen of motiveren.

2.5.

Met betrekking tot perceel 65, met een door appellant opgegeven oppervlakte van 0,53 ha en een door verweerder geconstateerde oppervlakte van 0,49 ha overweegt het College als volgt. Appellant stelt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft vermeld dat er op dit perceel een (niet subsidiabel) schouwpad aanwezig is. Het volledige perceel is volgens appellant dan ook subsidiabel. Verweerder heeft in beroep aangevoerd dat er op dat perceel inderdaad geen schouwpad is, maar dat het niet subsidiabel geachte deel van het perceel dermate verruigd is dat het om die reden niet is aan te merken als subsidiabel landbouwareaal. Het College is op grond van het verhandelde ter zitting van oordeel dat de door verweerder gestelde verruiging niet (duidelijk) waarneembaar is op de ter zitting door verweerder getoonde luchtfoto van het in geding zijnde perceel. In ieder geval verschilt dit deel van het perceel op de luchtfoto niet wezenlijk van andere gedeeltes van het perceel. Het College ziet hierin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet deugdelijk is gemotiveerd en dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van perceel 65 in het nader te nemen besluit, als hiervoor onder 2.4 vermeld, nader moet vaststellen of motiveren.

2.6.1.

Met betrekking tot de door verweerder niet subsidiabel geachte percelen 92, 94 en 98, met een door appellant opgegeven oppervlakte van respectievelijk 0,07 ha, 0,36 ha en 0,24 ha, overweegt het College als volgt. Het gaat om percelen grasland die aan een zijde worden begrensd door een verharde weg en aan de andere zijde door water of bomen. Die percelen worden, als gesteld door appellant en niet betwist door verweerder, door appellant bemest en gemaaid en aldus gebruikt voor landbouwactiviteiten. Appellant heeft in beroep verwezen naar een hem betreffende eerdere uitspraak van het College van 16 juni 2014, ECLI:NL:CBB:2014:26. In die uitspraak heeft het College met betrekking tot andere dan de thans in geding zijnde percelen die eveneens aan een weg grenzen, beslist dat verweerder, gelet op de door appellant op die percelen verrichte landbouwactiviteiten, niet wordt gevolgd in zijn standpunt dat de betreffende percelen volledig dienen te worden aangemerkt als bermen. Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat de van toepassing zijnde regelgeving inmiddels is gewijzigd en dat de in geding zijnde percelen moeten worden aangemerkt als niet subsidiabele bermen in de zin van artikel 2.10, tweede lid, onder c, van de Uitvoeringsregeling. De situatie in premiejaar 2015 verschilt in die zin van de door appellant genoemde uitspraak dat er in 2015 een grondslag in Verordening 1307/2013 en de Uitvoeringsregeling is, die bepaalt dat de door verweerder afgekeurde percelen niet zijn aan te merken als subsidiabel landbouwareaal.

2.6.2.

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat hij een juiste toepassing heeft gegeven aan het per 1 januari 2015 in werking getreden artikel 2.10, tweede lid, onder c, van de Uitvoeringsregeling. Ingevolge die bepaling wordt als areaal dat overwegend voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt als bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdeel b, van Verordening 1307/2013 aangemerkt: “bermen tot een breedte van drie meter van de weg of breder voor zover de verkeersbestemming de landbouw hindert”. Het College acht het aannemelijk dat, zoals verweerder stelt, de in geding zijnde percelen, die licht hellend terrein betreffen, niet alleen tot een breedte van drie meter vanaf de weg maar ook voor de beperkte resterende breedte van het areaal, op grond van voormelde bepaling moet worden aangemerkt als areaal dat overwegend voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt. Gelet hierop heeft verweerder deze percelen terecht en op goede gronden in hun geheel niet subsidiabel geacht. Dat appellant de percelen gebruikt voor landbouw baat hem gelet op het vorenstaande niet. Het College merkt nog op dat voormelde bepaling ten tijde van de door appellant aangehaalde uitspraak niet gold. Aan die uitspraak komt al daarom in dit geding niet de betekenis toe die appellant daaraan toegekend wil zien.

2.7.

Met betrekking tot perceel 93, met een door appellant opgegeven oppervlakte van 0,10 ha, en een door verweerder geconstateerde oppervlakte van 0,08 ha, overweegt het College als volgt. Appellant stelt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft vermeld dat er op dit perceel een pad aanwezig is. Verweerder heeft dit in beroep erkend en aangevoerd dat hij op de luchtfoto’s een sloot ten onrechte heeft aangezien voor een pad. Nu zowel een pad als een sloot niet zijn aan te merken als subsidiabel landbouwareaal, en verweerder de door appellant in de sloot getekende perceelgrens alsnog langs de sloot heeft gelegd, is verweerder naar eigen zeggen van een juiste geconstateerde oppervlakte van dit perceel uitgegaan. Appellant heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat verweerder, zoals hij stelt, de perceelgrens langs de sloot heeft gelegd. Volgens appellant loopt de door hem op de rand van het maaiveld ingetekende perceelgrens niet in, maar langs de sloot. Verweerder heeft volgens appellant een naast de sloot gelegen strook grond ten onrechte aangemerkt als sloot. Het College is op grond van het verhandelde ter zitting, waaronder het gemotiveerde standpunt van appellant, van oordeel dat op basis van de ter zitting getoonde foto’s, waaronder de luchtfoto van perceel 93 die als bijlage 10 bij het verweerschrift is gevoegd, in rechte niet kan worden vastgesteld dat de slootgrens loopt op de door verweerder ingetekende rode lijn en niet op de door appellant ingetekende gele lijn. Het College ziet hierin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet deugdelijk is gemotiveerd en dat verweerder in het nader te nemen besluit, als hiervoor onder 2.4 vermeld, de subsidiabele oppervlakte van perceel 93 nader moet vaststellen of motiveren. Indien verweerder geen luchtfoto’s ter beschikking heeft op basis waarvan de in geding zijnde perceelgrens kan worden vastgesteld, moet een fysieke controle ter plaatse worden overwogen.

2.8.

De hiervoor onder 2.3 vermelde vraag moet met betrekking tot de percelen 20, 21, 65 en 93 ontkennend worden beantwoord. Het beroep slaagt in zoverre. De hiervoor onder 2.3 vermelde vraag moet met betrekking tot de percelen 92, 94 en 98 ontkennend worden beantwoord. Het beroep slaagt in zoverre niet.

3.1.

Met betrekking tot het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente overweegt het College als volgt. De wettelijke rente die appellant vergoed wil zien, ziet naar het College begrijpt op een te late uitbetaling van betalingsrechten. In deze procedure ligt uitsluitend het besluit tot toewijzing en niet tot uitbetaling van betalingsrechten ter beoordeling door het College voor. Het verzoek valt daarom buiten de omvang van dit geding, zodat het College daarop niet zal beslissen.

3.2.

Appellant heeft ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.2.1.

Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar (redelijke termijn). Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

3.2.2.

De redelijke termijn neemt een aanvang met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. Het bezwaarschrift van appellant is door verweerder ontvangen op 6 mei 2016. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 18 september 2018 de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met ruim vier maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake.

3.2.3.

Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat appellant recht heeft op € 500,- schadevergoeding.

3.2.4.

Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan verweerder, nu de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep minder dan anderhalf jaar heeft geduurd.

3.2.5.

Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan appellant.

4. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten of bezwaarkosten is niet gebleken. Het College is in de lijn van arresten van de Hoge Raad van 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:197, en van 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5409, van oordeel dat van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen sprake is in een geval, als in dit geding aan de orde, waarin feitelijk de belanghebbende zelf optreedt in zijn zaak, ook al geschiedt dit namens een rechtspersoon. Het College volgt verweerder in zijn standpunt, als hiervoor onder 1.4 vermeld, dat appellant in bezwaar, evenals naar het oordeel van het College thans in beroep, zelf is opgetreden in zijn zaak, en dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is daarom evenmin sprake.

Beslissing

Het College

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond;

  • -

    vernietigt dat besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de bezwaren te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van € 500,- aan appellant wegens geleden immateriële schade;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

18 september 2018.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. J.W.E. Pinckaers