Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:494

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
18/1535
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten, startend bedrijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/222 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1535

16008

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 augustus 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Melkveebedrijf [naam 1] v.o.f., te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. P.J.M. Boomaars),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. J.H. Eleveld en mr. G. Meijerink).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2018 heeft verweerder de melding bijzondere omstandigheden van verzoekster afgewezen.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het verzoekster is toegestaan zich te gedragen alsof aan haar 6.431 kg fosfaatrecht is toegekend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2018. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden. Voor verzoekster zijn voorts verschenen [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij het College bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verzoekster heeft op 24 januari 2018 gevraagd om toepassing van artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, omdat zij een nieuw gestart bedrijf is. Met de overeenkomst van 1 oktober 2014 is verzoekster opgericht. Zij heeft een boerderij gekocht van een emigrerende melkveehouder zonder de veestapel. Begin 2015 heeft verzoekster eigen vee gekocht en is zij gestart met het produceren van melk voor consumptie of verwerking. Uit de brief van de Omgevingsdienst Rivierenland van 23 januari 2015 blijkt volgens verzoekster ook duidelijk dat sprake is van een nieuwe gebruiker.

3. Verweerder ziet verzoekster niet als een startend bedrijf, omdat zij een (lopend) bedrijf overgenomen inclusief de aan de verkoper verleende vergunningen. Het begrip startend bedrijf legt verweerder beperkt uit. Volgende week beslist verweerder op het bezwaar.

4. Anders dan verzoekster stelt is geen sprake van een beschikking als bedoeld in artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 4:20a, eerste lid, van de Awb is die wetsbepaling namelijk alleen van toepassing indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Dat is voor de hier van belang zijnde besluitvorming niet het geval.

5. Verzoekster staat voor ingrijpende keuzes met betrekking tot haar bedrijfsvoering. Handhaaft zij haar veestapel op het huidige peil, dan loopt zij het risico dat zij het verbod van artikel 21, eerste lid, van de Meststoffenwet overtreedt. Bouwt zij haar veestapel af, dan verliest zij zoveel inkomsten dat dit het voortbestaan van het bedrijf bedreigt. Haar financiële positie laat haar niet toe fosfaatrecht bij te kopen (of te huren). Het valt goed te begrijpen dat verzoekster in die omstandigheden zoekt naar zekerheid over de vraag of zij als startend bedrijf aanspraak kan maken op extra fosfaatrecht. Het treffen van de gevraagde voorlopige maatregel zal verzoekster evenwel niet de zekerheid bieden waaraan zij behoefte heeft. De fosfaatproductie wordt gemeten over een jaar en na afloop van 2018 zal blijken of verzoeksters fosfaatproductie blijft binnen de grenzen van haar fosfaatrecht. De door verzoekster gevraagde voorlopige voorziening brengt daarin geen wijziging en zal haar werking overigens ook, wanneer het besluit op bezwaar is genomen, verliezen. Het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening biedt verzoekster evenmin duidelijkheid omtrent eventuele vervolging dan wel de garantie dat zij gevrijwaard zal zijn van die vervolging als zij in 2018 meer mest produceert dan haar fosfaatrecht toestaat.

6. De slotsom is dat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2018.

w.g. R.C. Stam w.g. P.M. Beishuizen

Afschrift verzonden aan partijen op: