Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:493

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
18/5
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Accountantstucht. Verordening op de Kwaliteitsbeoordelingen. Verordening op de kosten Kwaliteitsbeoordelingen. Beroep tegen in rekening gebrachte kosten voor kwaliteitstoetsing en beoordeling van verbeterplan. Eindoordeel over kwaliteitstoetsing is ondanks gedeeltelijke grondverklaring van beroep tegen eindoordeel in stand gebleven. Geen reden voor mindering van de gefactureerde kosten. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/5

25300

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 september 2018 in de zaak tussen:

de maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: [naam 2] RA FB),

en

het bestuur van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA), verweerder

(gemachtigde: mr. A. Sukkel).

Procesverloop in beroep

Bij besluit van 8 januari 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan appellante voor de uitvoering van een kwaliteitstoetsing het bedrag van € 2.450,- (excl. btw) in rekening gebracht.

Bij besluit van 16 januari 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan appellante voor de beoordeling van een verbeterplan kosten ter hoogte van € 1.230,- (excl. btw) in rekening gebracht.

Bij besluit van 17 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Op 23 september 2013 heeft op het kantoor van appellante een kwaliteitstoetsing van de accountantspraktijk plaatsgevonden.

1.2

Bij besluit van 2 januari 2014 heeft verweerder aan appellante het eindoordeel van de kwaliteitstoetsing meegedeeld, inhoudende dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van haar accountantspraktijk verbetering behoeft en in opzet of werking op belangrijke onderdelen niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Verweerder heeft appellante tevens een termijn gesteld van zes weken voor het indienen van een verbeterplan. Voorts heeft verweerder een termijn gesteld tot het eerste kwartaal van 2015 waarbinnen het stelsel van kwaliteitsbeheersing dient te worden aangepast en meegedeeld dat na afloop van deze termijn een hertoetsing zal plaatsvinden. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, en na ongegrondverklaring van het bezwaar door verweerder, daartegen beroep ingesteld bij het College.

1.3

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder appellante kosten voor uitvoering van de kwaliteitstoetsing ter hoogte van € 2.450,- in rekening gebracht. Appellante is blijkens de factuur ingedeeld in categorie III (accountantspraktijk waarbij één accountant werkzaam is en welke één of meer assuranceopdrachten verricht).

1.4

Bij besluit van 14 oktober 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het eindoordeel ongegrond verklaard. Op 12 december 2014 heeft appellante een verbeterplan ingediend.

1.5

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder aan appellante de kosten voor de beoordeling van het verbeterplan in rekening gebracht. Het verbeterplan is op 6 mei 2015 na aanvullingen door verweerder goedgekeurd.

1.6

Bij brief van 22 januari 2016 heeft verweerder appellante meegedeeld dat als gevolg van het resultaat van een eerder bij haar uitgevoerde (reguliere) kwaliteitstoetsing er in 2016 een hertoetsing van haar accountantspraktijk zal worden uitgevoerd. Op verzoek van appellante heeft verweerder besloten éénmalig uitstel te verlenen voor het kalenderjaar 2016. Verweerder heeft dit bij brief van 5 april 2016 meegedeeld aan appellante, alsmede dat haar accountantspraktijk in beginsel in 2017 voor een hertoetsing zal worden bezocht.

1.7

Bij uitspraak van 21 juli 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:223) heeft het College het beroep van appellante tegen het besluit van 14 oktober 2014 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op het punt van de waardering en presentatie van het onderhanden werk in de jaarrekeningen 2011 en 2012 ten aanzien van samenstellingsopdracht 3 en de gegeven aanwijzing dat appellante de jaarrekening 2012 op dit punt dient te herzien. Het College heeft het primaire besluit in zoverre herroepen.

1.8

Bij brief van 1 februari 2017 heeft verweerder appellante meegedeeld dat de vrijstellingstermijn voor de toetsing is verlopen en dat haar praktijk in principe in 2017 voor toetsing zal worden bezocht. Appellante heeft bij brief van 24 februari 2017 aan verweerder bericht te overwegen de werkzaamheden in de praktijk te wijzigen en geen assurance- en samenstellingsopdrachten meer aan te nemen. Bij brief van 7 juni 2017 heeft verweerder appellante meegedeeld dat hij besloten heeft om haar accountantspraktijk voor de laatste maal een tijdelijke vrijstelling van één kalenderjaar te verlenen en dat hij haar praktijk in 2018 voor een “hertoetsing” zal bezoeken.

1.9

Bij brief van 13 december 2017 heeft verweerder aangemaand tot betaling van de openstaande posten van de primaire besluiten ter hoogte van respectievelijk € 2.964,50 (incl. btw) en € 1.488,30 (incl. btw) . Op verzoek van appellante heeft verweerder op 22 januari 2018 uitstel van betaling verleend vanwege het onderhavige beroep.

1.10

Bij brief van 1 februari 2018 heeft verweerder appellante bericht dat de toetsingen vanaf mei 2018 zullen plaatsvinden.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder – overeenkomstig het door de commissie voor bezwaarschriften uitgebrachte advies – het tegen het primaire besluit 1 (prematuur) ingediende bezwaar van 12 december 2014 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van 18 februari 2014 ongegrond verklaard. Het bezwaar van 13 februari 2015 tegen het primaire besluit 2 heeft verweerder ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe, voor zover in beroep van belang, overwogen dat de inhoudelijke bezwaren van appellante tegen de uitkomst van de toetsing en haar bezwaren tegen de gang van zaken tijdens de toetsing van haar accountantspraktijk aan de orde zijn geweest in de beroepsprocedure die heeft geleid tot de hiervoor genoemde uitspraak van 21 juli 2016 en dat appellante op deze punten niet in het gelijk is gesteld. Deze gronden kunnen volgens verweerder dan ook niet ertoe leiden dat de facturen geheel of gedeeltelijk worden herzien. Verweerder heeft voor de beoordeling van het verbeterplan werkzaamheden verricht en dus ook kosten gemaakt. Tegen de verplichting om een verbeterplan in te dienen en de verplichting om de kosten voor de beoordeling daarvan te voldoen, kan mogelijk anders worden aangekeken in het geval het eindoordeel dat daaraan ten grondslag ligt in rechte niet in stand blijft. Daarvan is in dit geval echter geen sprake, aldus verweerder.

3.1

Appellante kan zich met de handhaving van de bij haar in rekening gebrachte kosten niet verenigen. Appellante is van mening dat de toetsing van haar accountantspraktijk in 2013 onzorgvuldig is geweest. Volgens haar had verweerder gelet op de gang van zaken bij de toetsing en de uitspraak van het College waarin zij gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, en gelet op de sindsdien verstreken termijn, de facturen inzake de kwaliteitstoetsing en het verbeterplan moeten verlagen. Appellante stelt voorts dat als rekening was gehouden met de uitspraak van 21 juli 2016, het verbeterplan in een andere vorm tot stand was gekomen. Volgens appellante had het op de weg van verweerder had gelegen om haar na de gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep door het College op 21 juli 2016 te informeren omtrent de betekenis van deze uitspraak in relatie tot het eindoordeel over de toetsing van het kantoor in 2013. Ook heeft appellante aan de brieven van verweerder vanaf 2017, nu daarin niet meer specifiek over een hertoetsing zou zijn gesproken, de conclusie verbonden dat een hertoetsing van haar accountantspraktijk niet meer zou plaatsvinden. Als tweede beroepsgrond voert appellante aan dat zij voor de kwaliteitstoetsing niet had moeten worden ingedeeld in categorie III, maar in categorie I omdat de accountantspraktijk geen assuranceopdrachten uitvoerde. De kosten voor een toetsing van categorie I bedragen € 1.600,-. Hoewel het hier gaat om een door haar gemaakte invulfout – zij heeft in de haar door verweerder toegezonden vragenlijst voorafgaand aan de toetsing vermeld dat zij assuranceopdrachten uitvoert – had verweerder gemakkelijk kunnen zien dat dit een vergissing betrof. Ten slotte voert appellante aan dat zij haar accountspraktijk inmiddels heeft afgebouwd en alleen nog fiscale werkzaamheden uitvoert. Het alsnog moeten betalen van de kosten van de toetsing zou voor haar onevenredig zwaar uitpakken en feitelijk heeft het verbeterplan ook niets opgeleverd.

3.2

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1

Ter beoordeling van het College staat of verweerder bij het bestreden besluit terecht het bezwaar van appellante tegen de factuur van 8 januari 2014 inzake de kwaliteitstoetsing en het bezwaar tegen de factuur van 16 januari 2015 inzake het verbeterplan ongegrond heeft verklaard. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.2

Op grond van artikel 19, tweede lid, aanhef en onder h, van de Wet op het accountantsberoep is de ledenvergadering van de beroepsorganisatie gehouden een verordening vast te stellen met betrekking tot de tarieven die in rekening worden gebracht voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 30, tweede lid. In artikel 30, tweede lid, van de Wet op het accountantsberoep is bepaald dat de beroepsorganisatie de kosten van de werkzaamheden die zij verricht ter beoordeling van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een accountant in rekening kan brengen bij haar leden of de kantoren waarbij deze leden werkzaam zijn.

In artikel 30, eerste lid, van de Verordening op de Kwaliteitsbeoordelingen (Verordening Kwaliteitsbeoordelingen; Stcrt. 2013, 23899) is – in lijn met hetgeen tot 1 januari 2014 in de Verordening op de kwaliteitstoetsing Nivra was vastgelegd – bepaald dat de kosten voor werkzaamheden die worden verricht ter zake van de beoordeling van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een accountant voor rekening van de accountantspraktijk zijn waarbij de accountant werkzaam is. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt de toerekening van de kosten van de werkzaamheden die worden verricht ter zake van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een accountant bij verordening vastgesteld. Dit is gebeurd in de Verordening op de kosten Kwaliteitsbeoordelingen (Verordening kosten Kwaliteitsbeoordelingen) zoals geldend tot 1 januari 2014 (Stcrt. 2013, 449) en vanaf 1 januari 2014 (Stcrt. 2013, 23879). Het tarief voor de uitvoering van een toetsing van een accountantspraktijk categorie III bedroeg in 2013 € 2.450,-. Het tarief voor de beoordeling van een verbeterplan bedroeg vanaf 2014 € 1.230,-. De verordening is na het bestreden besluit per 1 januari 2018 ingetrokken en vervangen door de Verordening op de kosten kwaliteitsbeoordelingen (Stcrt. 2017, 40921).

4.3

Ten aanzien van de eerste beroepsgrond dat verweerder in het kader van zijn heroverweging tot een verlaging van de facturen inzake de toetsing en het verbeterplan had moeten besluiten, overweegt het College als volgt.

Verweerder is op grond van de Wet op het accountantsberoep en op die wet gebaseerde verordeningen gehouden om de kosten voor werkzaamheden die worden verricht ter zake van de beoordeling van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een accountant en het beoordelen van een verbeterplan conform het in de Verordening neergelegde tarief voor rekening van de accountantspraktijk te brengen. Het in rekening brengen van deze kosten is daarbij niet afhankelijk gesteld van de uitkomst van de toetsing.

Naar het oordeel van het College hoefde verweerder in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen aanleiding te zien om tot een verlaging van de facturen te besluiten. Verweerder heeft in beroep uiteengezet dat het eindoordeel na de kwaliteitstoetsing – het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing behoeft verbetering en voldoet in opzet of werking niet aan het bepaalde bij of krachtens de Wet RA – met de uitspraak van het College in rechte stand heeft gehouden en dat de door appellante aangevoerde gronden met betrekking tot de gang van zaken tijdens de kwaliteitstoetsing door het College zijn verworpen. Dat, zoals verweerder heeft toegelicht, de vaststelling van één van de tekortkomingen in beroep niet langer is gehandhaafd, hetgeen heeft geleid tot gegrondverklaring van het beroep, is, gelet op de ter zake geldende bepalingen voor het in rekening brengen van kosten voor de uitvoering van de kwaliteitstoetsing niet relevant. Ook de omstandigheid dat verweerder, zoals appellante heeft betoogd, haar na de uitspraak van het College niet direct nader heeft geïnformeerd over de gevolgen van de uitspraak voor het eindoordeel van de kwaliteitstoetsing en de hiervoor in rekening gebrachte kosten, laat onverlet dat verweerder ingevolge de hiervoor genoemde verordeningen gehouden is om appellante de bij verordening vastgelegde kosten voor uitgevoerde kwaliteitstoetsing in rekening te brengen. Dat verweerder appellante na de uitspraak van het College niet aan de betaling van de facturen heeft herinnerd en dat zij ter betaling van beide facturen om die reden pas na de onderhavige beslissing op bezwaar is aangemaand, doet geen afbreuk aan de betalingsverplichting en houdt bovendien, naar verweerder heeft verklaard, verband met zijn vaste beleid om geen incassomaatregelen te nemen als tegen een factuur een rechtsmiddel is ingesteld. Het betoog van appellante dat zij met name uit de brief van verweerder van 1 februari 2017 de conclusie had getrokken dat verweerder afstand had genomen van de hertoetsing en dat het eindoordeel van de toetsing uit 2013 dus ‘ongeldig’ was, raakt evenmin aan de grondslag van de facturen, nog daargelaten dat appellante naar oordeel van het College, gelet op de context en de verwijzing naar een eerder verleende vrijstelling, voldoende duidelijk had moeten zijn dat verweerder bij de voor 2017 aangekondigde toetsing een hertoetsing op het oog had en dat verweerder in de volgende brief van 7 juli 2017 wel uitdrukkelijk heeft vermeld dat appellante in 2018 voor een ‘hertoetsing’ zal worden bezocht.

De kosten voor de beoordeling van het verbeterplan zijn het gevolg van de verplichting van appellante om een verbeterplan in te dienen. Nu het eindoordeel van verweerder als bedoeld in artikel 15, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening kwaliteitsbeoordeling met de uitspraak van het College van 21 juli 2016 in stand is gebleven, was appellante ook na deze uitspraak ingevolge artikel 15, vijfde lid, verplicht om een verbeterplan in te dienen. De stelling van appellante dat, als rekening was gehouden met de uitspraak van 21 juli 2016, het verbeterplan in een andere vorm tot stand was gekomen, doet niet af aan de verplichting om een verbeterplan in te dienen en treft reeds hierom geen doel. Daarnaast geldt dat appellante dit ook niet aannemelijk heeft gemaakt. Appellante heeft haar stelling immers niet onderbouwd terwijl verweerder – door appellante onweersproken – heeft aangevoerd dat appellante in haar verbeterplan in het geheel niet is ingegaan op het punt waarop het College het bestreden besluit nadien heeft vernietigd. De eerste beroepsgrond van appellante slaagt niet.

4.4

De tweede beroepsgrond van appellante dat verweerder haar accountantspraktijk voor de toetsing in 2013 ten onrechte heeft ingedeeld in categorie III en aldus kosten voor een toetsing in die categorie in rekening heeft gebracht, slaagt evenmin.

Tussen partijen is niet in geschil dat de indeling van appellante in categorie III het gevolg is van een fout van appellante bij het invullen van de vragenlijst ‘Monitoring Accountantspraktijken 2013’, waarin als antwoord op de vraag of door de accountantspraktijk overige assuranceopdrachten worden verricht ‘ja’ is ingevuld en de ‘Oriëntatievragenlijst Assuranceopdrachten’ waarin appellante op 14 juni 2013 heeft ingevuld dat haar accountantspraktijk slechts een gering aantal assuranceopdrachten uitvoert, te weten ‘opgaaf gegevens aan een verzekeringsmaatschappij’.

Naar het oordeel van het College hoefde verweerder in de door appellante gemaakte fout geen aanleiding te zien om de voor de kwaliteitstoetsing in rekening gebrachte kosten te verminderen. Het College deelt het oordeel van verweerder dat appellante, gelet op de toelichting bij de vragen, had kunnen onderkennen dat haar kwalificatie van de betreffende opdracht als assuranceopdracht mogelijk niet juist was en dat het op weg van appellante had gelegen om bij twijfel contact op te nemen met verweerder aangaande de juistheid ervan. Verweerder heeft daarnaast uiteengezet dat hij conform het toetsingsprotocol voor de toetsing van een accountantspraktijk behorend tot categorie III twee toetsers – in plaats van één voor categorie I – heeft ingezet, dat deze toetsers op grond van de Verordening kosten kwaliteitsbeoordelingen een vergoeding hebben ontvangen en dat de fout pas tijdens de toetsing van de accountantspraktijk door de toetsers is onderkend. Gelet op een en ander dienen de gevolgen van de invulfout voor de verschuldigdheid van de kosten voor de uitgevoerde toetsing voor rekening en risico van appellante te blijven.

4.5

De omstandigheid dat appellante, naar zij stelt, inmiddels geen accountantspraktijk meer voert, is het gevolg van een eigen keuze van appellante en raakt niet de grondslag van het bestreden besluit. Niet gebleken is dat het alsnog moeten betalen van de onderhavige facturen voor appellante tot onevenredige gevolgen leidt.

5.1

Het beroep is ongegrond.

5.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. W.E. Doolaard en
mr. A.J.C. de Moor-Van Vugt, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. A. Graefe