Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:488

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
18/27
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een verklaring energie-investingsaftrek. Als energie-investeringen worden aangemerkt de investeringen in bedrijfsmiddelen en niet de investering in de toepassing van bedrijfsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/27

27650

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 september 2018 in de zaak tussen

Dalli-De Klok B.V., te Heerde, appellante

(gemachtigde: J. Doorgeest)

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante om een verklaring energie-investeringsaftrek (EIA-verklaring) voor een luchtbehandelingsinstallatie met warmteterugwinning, afgewezen.

Bij besluit van 20 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2018. Voor appellante zijn verschenen haar gemachtigde en [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder is tevens verschenen [naam 2] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft verweerder op 22 augustus 2016 op grond van artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (Regeling) verzocht om een EIA-verklaring in verband met een investering van € 686.000,- in een luchtbehandelingsinstallatie met warmteterugwinning.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellante te kennen gegeven dat de aangevraagde EIA-verklaring niet zal worden afgeven voor het gemelde bedrijfsmiddel.

Verweerder heeft er op gewezen dat onder de op het bedrijfsmiddel van toepassing zijnde code 210801 de luchtbehandelingsinstallatie dient te bestaan uit een luchtbehandelingskast met warmtewisselaar met een rendement van minimaal 78% en een maximaal drukverlies van 230 Pa over de warmtewisselaar en een maximale luchtsnelheid van 1,6 m/s in de kast en ventilatoren met een rendement van minimaal ηdoel bij efficiëntiegraad 62. Uit de door appellante bij de aanvraag verstrekte informatie blijkt dat de warmtewielen in de luchtbehandelingskasten een rendement van 83% hebben en dat de drukval over de warmtewielen in de zomersituatie net de maximale toegestane waarde van 230 Pa bereikt. De maximale luchtsnelheid in de kast bedraagt echter 1,82 m/s en het rendement van de vier ventilatoren varieert tussen de 50,61% en 59,64%, zodat niet wordt voldaan aan twee van de vier gestelde voorwaarden.

1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en aangevoerd dat de luchtbehandelingsinstallatie zal worden begrensd op een vermogen van maximaal 30.000 m3 luchthoeveelheid per kast, zodat aan de gestelde voorwaarden voor de maximale luchtsnelheid en het rendement wordt voldaan.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door appellante gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat bij het verzoek om een EIA-verklaring het bedrijfsmiddel waarop dat verzoek betrekking heeft in zijn geheel wordt beoordeeld, overeenkomstig de ontwerpspecificatie van de fabrikant. De luchtbehandelingsinstallatie van appellante kan in principe een vermogen van 37.500 m3 tot 45.000 m3 luchthoeveelheid genereren. Bij die luchthoeveelheid wordt niet voldaan aan de gestelde voorwaarden voor de maximale luchtsnelheid en het rendement voor het kunnen afgeven van een EIA-verklaring. De omstandigheid dat twee van de vier ventilatoren redundant zullen worden gesteld, zodat daarmee een luchthoeveelheid van maximaal 30.000 m3 zal worden gehaald, maakt dat niet anders, omdat de luchtbehandelings-installatie een hoger volume kan genereren. Ook de omstandigheid dat een hoger volume dan 30.000 m3 voor appellante niet wenselijk is, omdat dit een nadelige invloed blijkt te hebben op het productieproces en dat het redundant stellen van de twee ventilatoren in het belang is van de bedrijfszekerheid, maakt niet dat rekening moet worden gehouden met de door appelante voorgenomen instelling van de installatie. Nu de installatie als geheel niet voldoet aan de gestelde voorwaarden kan de EIA-verklaring niet worden verstrekt.

3. Appellante heeft aangevoerd dat nergens in de regelgeving staat dat bij de beoordeling van het verzoek om een EIA-verklaring geen rekening kan worden gehouden met de operationele instelling van een bedrijfsmiddel. Met het redundant stellen van twee van de vier ventilatoren van de luchtbehandelingsinstallatie wordt volgens appellante een rendement van 62% gehaald, zodat aan de voorwaarden voor het verstrekken van de EIA-verklaring wordt voldaan.

4. Het College komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 3.42 van de Wet IB 2001 luidt:

“Energie-investeringsaftrek

1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

2. Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.

(…)”

4.2.

Artikel 2 van de Regeling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“ 1. Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling (…)”

4.3.

Bijlage 1 bij de Regeling luidde - ten tijde en voor zover hier van belang - als volgt:

“Artikel 1

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, door:

3. Warmtehergebruik door:

3.1.A. Warmteterugwinning.

3.1.B.

1. Warmte- of koudeterugwinningssysteem uit ventilatielucht voor het koelen of verwarmen van bedrijfsgebouwen door het benutten van koude of warmte in de afzuiglucht, en bestaande uit: luchtbehandelingskast met warmtewisselaar met een rendement van minimaal 78% en een maximaal drukverlies van 230 Pa over de warmtewisselaar en een maximale luchtsnelheid van 1,6 m/s in de kast, en ventilatoren met een rendement van minimaal ηdoel bij efficiëntiegraad 62. Koelmachines, ketels en luchtkanalen komen niet in aanmerking.

2. Hierbij geldt dat:

• de genoemde technische eisen bepaald dienen te zijn conform NEN-EN 13053:2006+A1:2011 en Bijlage I – van Verordening (EU) Nr. 327/2011, tabel 2 (centrifugaal ventilatoren met achterwaarts gebogen schoepen).”

4.4.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag of verweerder bij de beoordeling van het verzoek om een EIA-verklaring terecht de mogelijkheden van de luchtbehandelings-installatie in het geheel heeft betrokken.

4.5.

Anders dan appellante is het College van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van het verzoek van appellante terecht de mogelijkheden van de luchtbehandelingsinstallatie in het geheel heeft betrokken. Daarbij is van belang dat artikel 2 van de Regeling bepaalt dat als energie-investeringen worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen. Naar het oordeel van het College volgt uit deze bepaling dat gekeken moet worden naar het bedrijfsmiddel (als geheel) en niet (ook) naar de operationele instelling van het bedrijfsmiddel.

Niet in geschil is dat bij beoordeling van de luchtbehandelingsinstallatie als geheel moet worden vastgesteld dat deze niet voldoet aan de gestelde voorwaarden voor het verstrekken van de EIA-verklaring, zodat verweerder deze terecht niet aan appellante heeft afgegeven.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het beroep ongegrond zal worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat voorts geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, mr. R.W.L. Koopmans en mr. C.M. Wolters, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.

De griffier is verhinderd

te tekenen

P.H.A. Knol S.M. van Ditmarsch