Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:486

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
18/275
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Correctie van op grond van Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1995 verstrekte S&O-verklaring tot nihil, omdat appellante met terugwerkende kracht is overgedragen aan een B.V..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/275

27000

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 september 2018 in de zaak tussen

[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: J.J. Tabak),

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan appellante verstrekte S&O verklaringen gecorrigeerd tot nihil, omdat appellante in 2016 geen inhoudingsplichtige meer was.

Bij besluit van 20 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2018. Voor appellante is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluiten van 3 maart 2016 en 20 juli 2016 heeft verweerder aan appellante S&O-verklaringen als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1995 (Wva) afgegeven voor het eerste en het tweede half jaar van 2016 voor de projecten ‘Ontwikkeling Hybride Chipper’ en ‘Ontwikkeling Duurzame Chipperfuncties’ voor in totaal 886 uur. Het totale bedrag aan S&O-afdrachtvermindering is vastgesteld op € 9.924,-.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de besluiten van 3 maart 2016 en 20 juli 2016 gecorrigeerd en het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering voor het jaar 2016 vastgesteld op nihil.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door appellante gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op 22 februari 2017 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is geregistreerd dat appellante met ingang van 1 januari 2016 is overgedragen aan [naam 1] B.V.. De Belastingdienst heeft tevens bevestigd dat de werknemers van appellante met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016 worden verloond in [naam 1] B.V., zodat appellante in 2016 niet inhoudingsplichtig was. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het wel of niet toepassen van terugwerkende kracht voor de loonheffing door de Belastingdienst tot de bevoegdheid van de Belastingdienst behoort en dat hij de Belastingdienst daarom daarin volgt. Nu appellante in 2016 niet inhoudingsplichtig was, is niet voldaan aan artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, en artikel 23, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wva, zodat verweerder de afgegeven S&O-verklaringen op grond van artikel 25, tweede lid, van de Wva heeft gecorrigeerd. Voor toepassing van de in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) neergelegde hardheidsclausule bestaat geen aanleiding.

3. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat haar activa en passiva weliswaar op
6 februari 2017 met terugwerkende kracht per 1 januari 2016 zijn overgedragen aan [naam 1] B.V. maar dat die omstandigheid niet met zich brengt dat die datum moet worden aangehouden voor de loonheffing en de Wva. Immers, feitelijk waren in 2016 nog werknemers in dienst van appellante, zodat de afdrachtvermindering voor de belasting terecht is toegepast. Tevens geeft de Handreiking van 21 november 2017 van verweerder aan dat een wijziging van rechtsvorm geen (terugwerkende) gevolgen heeft voor de loonheffing. En tenslotte is aangevoerd dat de artikelen 3 en 10a van de Beleidsregels van verweerder van

30 november 2016, nr. WJZ/16138270, houdende vaststelling van de beleidsregels omtrent het omzetten van S&O-verklaringen, de mogelijkheid bieden om de aan appellante afgegeven S&O-verklaring met toepassing van de hardheidsclausule om te zetten.

4. Verweerder heeft ongegrond verklaring van het beroep bepleit.

5. Het College komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Tussen partijen is in geschil de vraag of verweerder terecht en op goede gronden een correctie heeft toegepast op de aan appellante afgegeven S&O-verklaringen voor 2016.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante op 6 februari 2017 met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2016 is overgedragen aan [naam 1] B.V.. Om die reden heeft de Belastingdienst eveneens met terugwerkende kracht vastgesteld dat de werknemers van appellante met ingang van 1 januari 2016 zijn “verloond” onder [naam 1] B.V.. Het College oordeelt dat verweerder op deze vaststelling van de Belastingdienst af heeft mogen gaan en derhalve heeft kunnen vaststellen dat appellante in 2016 niet (meer) inhoudingsplichtig was. Daarom heeft verweerder ook terecht vastgesteld dat niet is voldaan aan artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, en artikel 23, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wva, zodat verweerder de afgegeven S&O-verklaringen op grond van artikel 25, tweede lid, van de Wva terecht heeft gecorrigeerd.

Het betoog van appellante dat de Belastingdienst naar aanleiding van een door haar gestarte bezwaarprocedure tot een ander oordeel kan komen met betrekking tot de wijziging van de verloning met terugwerkende kracht, treft geen doel. Zoals ook namens verweerder ter zitting is verklaard bestaat in dat geval voor appellante de mogelijkheid om verweerder op grond daarvan Awb te verzoeken zijn besluit te wijzigen.

Ook de verwijzing van appellante naar de Handreiking van 21 november 2017 kan niet slagen, nu die handreiking gaat over het omzetten van een entiteit naar een nieuw opgerichte rechtspersoon en niet over de overdracht aan een bestaande rechtspersoon.

5.3.

Voor zover appellante heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte haar beroep op de hardheidsclausule heeft afgewezen, verwijst het College naar zijn uitspraak van 11 augustus 2009 (AWB 08/448 en AWB 08/449, LJN: BJ7080), waarin het College heeft geoordeeld dat geen beroep openstaat tegen een besluit omtrent toepassing van artikel 63 Awr.

5.4.

Uit 5.2 en 5.3 volgt dat verweerder zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat appellante voor het jaar 2016 geen inhoudingsplichtige was en dat appellante niet kan worden aangemerkt als S&O-inhoudingsplichtige, als bedoeld in de Wva, zodat verweerder de S&O-verklaringen terecht heeft gecorrigeerd.

5.5.

Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, mr. R.W.L. Koopmans en mr. C.M. Wolters, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.

De griffier is verhinderd

te tekenen

P.H.A. Knol S.M. van Ditmarsch