Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:484

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
18/177
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling nationale EZ-subsidies. Subsidieregeling Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties. Wijziging leverancier is essentiële wijziging van activiteiten waarvoor subsidie is verleend. Geen strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 18/177
27300

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 september 2018 in de zaak tussen

de vereniging [naam 1] te [plaats] , appellante

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2016 heeft verweerder de aanvraag van appellante om subsidie in het kader van de Subsidieregeling Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties (titel 4.7 van de Regeling nationale EZ-subsidies; Regeling) voor het plaatsen van zonnepanelen voor elektriciteitsopwekking toegewezen.

Bij besluit van 16 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de subsidie op nihil vast te stellen en het subsidiebedrag terug te vorderen, omdat de zonnepanelen niet zijn uitgevoerd overeenkomstig de aanvraag en de verleningsbeschikking.

Bij besluit van 20 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2018.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] . Voor appellante is tevens verschenen [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Bij brief van 4 januari 2016 heeft appellante een subsidieaanvraag ingediend voor het plaatsen van zonnepanelen voor elektriciteitsopwekking. Bij de aanvraag heeft appellante een ondertekende offerte gevoegd van het bedrijf ‘Zonnefabriek’ voor het plaatsen van een zonnepaneleninstallatie.

1.3

Bij besluit van 11 maart 2016 heeft verweerder op grond van de Regeling aan appellante subsidie verleend voor een bedrag van € 3.996,65.

1.4

Bij e-mail van 28 juni 2017 heeft appellante aan verweerder bericht dat de kosten van de aanleg van de zonnepanelen lager zijn uitgevallen, omdat gebruik is gemaakt van een andere leverancier die de zonnepanelen tegen lagere kosten heeft geplaatst.

1.5

Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten de subsidie op nihil vast te stellen en het subsidiebedrag in zijn geheel terug te vorderen. Verweerder heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd dat de zonnepanelen niet zijn geplaatst overeenkomstig de aanvraag en de verleningsbeschikking, omdat gebruik is gemaakt van een andere leverancier.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3.1

Appellante voert in beroep aan dat verweerder in het bestreden besluit een verkeerde afweging heeft gemaakt tussen het doel van de subsidieregeling – het stimuleren van investeringen in duurzame energieopwekking – en het handhaven van de strikte regels van de subsidieregeling. Verder betoogt appellante dat de subsidieaanvraag was ingediend door een derde partij en dat appellante niet tot in detail op de hoogte was van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Aan de beschikking tot subsidieverlening is onder meer de verplichting verbonden dat de maatregel waarvoor een overeenkomst is gesloten en op basis waarvan de subsidie is aangevraagd en verleend, moet worden uitgevoerd zoals in de overeenkomst is overeengekomen.

4. Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast. In het tweede lid, onder b, van dit artikel is bepaald dat de subsidie lager kan worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Op grond van artikel 4:57 van de Awb kan het bestuursorgaan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen.

5.1

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten de subsidie op nihil vast te stellen en het verleende subsidiebedrag terug te vorderen. Het College overweegt dienaangaande het navolgende.

5.2.1

Op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb heeft verweerder de discretionaire bevoegdheid de subsidie lager vast te stellen indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij het gebruik maken van deze bevoegdheid dient verweerder, gelet op artikel 3:4 van de Awb, de daarbij betrokken belangen zorgvuldig af te wegen. Bij die belangenafweging dient rekening te worden gehouden met zowel de positie van het bestuursorgaan dat de subsidie verleent als met de positie van de aanvrager.

5.2.2

Bij de subsidieaanvraag is een door de penningmeester van appellante ondertekende offerte gevoegd van het bedrijf ‘Zonnefabriek’ voor de plaatsing van een zonnepaneleninstallatie. Op basis van de aanvraag en de bijgevoegde offerte heeft verweerder subsidie verleend. Het College stelt vast dat in de beschikking tot subsidieverlening van

11 maart 2016 onder ‘verplichtingen’ is bepaald dat de maatregelen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de aanvraag. Het College is van oordeel dat verweerder het laten plaatsen van de zonnepanelen door een andere leverancier als een essentiële wijziging van activiteiten waarvoor subsidie is verleend kon beschouwen. Door de zonnepanelen te laten plaatsen door een andere leverancier heeft appellante zich niet gehouden aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

5.2.3

In hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat verweerder geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid de subsidie op nihil vast te stellen en de subsidie in zijn geheel terug te vorderen. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder een belangenafweging heeft gemaakt, waarbij verweerder het beperkte subsidiebudget, de systematiek van behandeling op volgorde van binnenkomst van aanvragen en het belang dat potentiele aanvragers onder gelijke voorwaarden toegang hebben tot het budget, heeft betrokken. Door eerst na de aanvraag een overeenkomst te sluiten, die zowel wat betreft de inhoud als de leverancier afwijkt van het bij de aanvraag gevoegde document, heeft appellante een premature aanvraag ingediend en andere aanvragers benadeeld die wel een correcte aanvraag hebben ingediend, maar pas na het bereiken van het subsidieplafond. Ter zitting is namens appellante bevestigd dat er ten tijde van de aanvraag nog geen definitieve overeenkomst was, anders dan zij bij de aanvraag deed voorkomen. Verweerder heeft bij de belangenafweging ook betrokken dat appellante een bedrag aan subsidie misloopt, waarop aanspraak gemaakt had kunnen worden bij een correct verloop van de procedure, maar verweerder heeft hier minder gewicht aan toegekend dan aan de belangen die gemoeid zijn met naleving van de subsidievoorwaarden. Het College acht de door verweerder gemaakte belangenafweging niet onevenredig nadelig voor appellante, waarbij betrokken wordt dat niet is gebleken dat het financiële nadeel voor appellante onevenredige gevolgen voor haar heeft, mede gelet op de financiële voordelen die zij heeft behaald door een andere leverancier te kiezen.

5.2.4

Het door appellante ter zitting ingenomen standpunt dat sprake is van overmacht omdat zij pas na het verlenen van de subsidie er achter kwam dat een andere leverancier de zonnepaneleninstallatie tegen lagere kosten zou kunnen plaatsen, volgt het College niet. Uit de Regeling volgt dat subsidie alleen kan worden verleend als de aanvrager ten tijde van de aanvraag reeds een overeenkomst heeft gesloten met de bouwer of de leverancier, waarin is aangegeven welke apparatuur of installatie als bedoeld in de maatregelenlijst in bijlage 4.7.1. van de Regeling zal worden aangeschaft. Het lag dus op de weg van appellante om zich tijdig te oriënteren op het meest gunstige aanbod, om vóór het indienen van de subsidieaanvraag een overeenkomst te sluiten met een leverancier en om het project conform de overeenkomst uit te voeren. Zij heeft er evenwel voor gekozen een aanvraag in te dienen zonder een overeenkomst te hebben gesloten en vervolgens alsnog een andere leverancier te kiezen. Van overmacht is naar het oordeel van het College geen sprake.

5.2.5.

Voor zover appellante nog heeft aangevoerd dat de aanvraag om subsidie was ingediend door een intermediair (Klimaatroute) en dat appellante niet tot in detail op de hoogte was van de verplichtingen die verbonden zijn aan de subsidie, is het College van oordeel dat het op de weg ligt van appellante om kennis te nemen van de verplichtingen die zijn verbonden aan de subsidieverlening en dat het nalaten hiervan voor rekening en risico van appellante komt. Dat appellante de subsidieaanvraag heeft laten indienen door Klimaatroute, maakt dit niet anders.

5.3

Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten de subsidie op nihil vast te stellen en het verleende subsidiebedrag terug te vorderen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. J.L. Verbeek en mr. T.L. de Vries in aanwezigheid van mr. E. van Kampen griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. E. van Kampen