Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:483

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
17/1000
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB. Uitbetaling basis- en vergroeningsbetaling 2016. Tijdelijk of blijvend grasland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/385 met annotatie van R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1000

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: J.A. Rietveld),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.F. Bosma en mr. P. van Helvoort-Noorloos).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellant ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 23 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellant heeft bij de Gecombineerde opgave 2016 om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling gevraagd. Appellant heeft hierbij perceel 1, met een oppervlakte van 6,51 hectare (ha) opgegeven als ‘Grasland, natuurlijk. Hoofdfunctie landbouw’(code 331). Onder het kopje “Vergroening” subkopje “Ecologisch aandachtsgebied” heeft appellant aangevinkt “Ik ben niet verplicht om 5% ecologisch aandachtsgebied te hebben. Ik voldoe aan de voorwaarden in de toelichting”.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder het bedrag dat appellant ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2016 vastgesteld op € 16.894,49. Verweerder heeft daarbij perceel 1 gesplist in perceel 1 en perceel 27. Perceel 1 is geconstateerd als tijdelijk grasland (gewascode 266). Voor de ‘Indicatie Gewasdiversificatie’ is dit perceel, met als oppervlakte 4,15 ha, als bouwland geconstateerd. De totale oppervlakte bouwland heeft verweerder vastgesteld op 17,76 ha. Voorts heeft verweerder vastgesteld dat appellant niet is vrijgesteld van het hebben van 5% ecologisch aandachtsgebied. Voor appellant bedraagt de vereiste oppervlakte ecologisch aandachtsgebied 0,89 ha. De geconstateerde oppervlakte ecologisch aandachtsgebied is 0,00 ha. Appellant voldoet dan ook niet aan de eisen van ecologisch aandachtsgebied. Om die reden is de voor uitbetaling van de vergroeningsbetaling in aanmerking te nemen vergroeningsoppervlakte verlaagd met 8,88 ha.

1.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat hij perceel 1 terecht heeft geconstateerd als tijdelijk grasland. Daarbij heeft verweerder relevant geacht dat in de jaren 2010 en 2011 voor dit perceel gewascode 314 (Triticale) is opgegeven en geconstateerd. Uit de luchtfoto’s van die jaren blijkt ook dat er geen gras op dit perceel stond. Voor natuurlijk grasland met hoofdfunctie landbouw is vereist dat het gras ten minste vijf jaar niet is opgenomen in de vruchtwisseling. Aan deze voorwaarde is niet voldaan omdat er niet gesproken kan worden van grasland dat niet ten minste vijf jaar is meegenomen in de vruchtwisseling. Er is daarom sprake van tijdelijk grasland (gewascode 266).

2. In beroep heeft appellant aangevoerd dat, gelet op de voorwaarden die Natuurmonumenten aan de pacht van perceel 1 stelt, namelijk een verbod tot scheuren, er reeds geen sprake kan zijn van het in vruchtwisseling opnemen van het perceel. Voorts heeft appellant gesteld dat perceel 1 in 2011 voor het laatst als bouwland is gebruikt. 2016 is het vijfde aaneengesloten jaar dat het perceel met gras is beteeld en het niet in de vruchtwisseling is opgenomen. Nu in de toelichting van de ‘Tabel Gewassen’ bij code 266 is opgenomen dat als het grasland in de vier voorafgaande jaren ook als een vorm van grasland is gebruikt, dit moet worden opgegeven als blijvend grasland, kan daaruit volgens appellant worden afgeleid dat hij in het vijfde jaar code 266 niet mag toepassen. Tot slot heeft appellant

zich op het standpunt gesteld dat het gras dat op perceel 1 groeit veel meer voldoet aan de beschrijving bij code 336 (Grasland, natuurlijk. Areaal met een natuurtype dat overwegend voor landbouwactiviteiten-GLB wordt gebruikt). Vanaf 2012 is sprake van natuurlijk grasland en is er een blijvende, onveranderbare situatie ontstaan.

3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat haar uit de gegevens over de jaren 2010 tot en met 2016 is gebleken dat perceel 1 vanaf 2012 als grasland is opgegeven en geconstateerd. Omdat in 2011 nog Triticale was ingezaaid, betekent dit dat er in 2012 vruchtwisseling heeft plaats gevonden. Volgens verweerder kan dan ook geconcludeerd worden dat perceel 1 in de afgelopen vijf jaar nog in de vruchtwisseling opgenomen is geweest, zodat het niet aan te merken is als blijvend grasland en verweerder gehouden was het perceel aan te merken als tijdelijk grasland. Voorts heeft verweerder gesteld dat ook voor gewascode 336 het vereiste geldt dat het gras ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling mag zijn opgenomen, zodat deze code niet van toepassing kan zijn. De wijziging van de grascode maakt niet dat wordt voldaan aan de voorwaarden die gelden voor blijvend grasland. Verder heeft verweerder gesteld dat het enkele feit dat met de pachter is overeengekomen dat het perceel niet in de vruchtwisseling wordt opgenomen, niet maakt dat - zoals ook is gebleken - de reële situatie daarmee overeenkomt. Tot slot geeft verweerder aan het te betreuren dat in de toelichting bij gewascode 266 van de ‘Tabel Gewassen’ is opgenomen dat indien in de vier voorafgaande jaren het grasland ook als een vorm van grasland is gebruikt, het perceel opgegeven moet worden als blijvend grasland. Het betreft een onjuiste formulering. Nu echter bij de door appellant opgegeven gewascode 331 de toelichting wel correct is, had appellant daaruit kunnen concluderen dat perceel 1 niet aan de voorwaarden voldoet. Bij twijfel daarover had het op de weg van appellant gelegen zich hierover nader te laten informeren.

4.
In geschil is de vraag of verweerder terecht perceel 1 heeft geconstateerd als tijdelijk grasland en niet als blijvend grasland. Indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, beslaat het bouwland van het bedrijf van appellant meer dan 15 ha en voldoet appellant aldus niet aan de verplichting om 5% ecologisch aandachtsgebied te hebben op grond waarvan verweerder de vergroeningsbetaling heeft verlaagd.

5.1

Landbouwareaal is, gelet op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten.
In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder f, van Verordening 1307/2013 wordt onder ‘bouwland’ verstaan: grond die voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is, maar braak ligt, inclusief grond die overeenkomstig de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening 1257/1999, artikel 39 van Verordening 1698/2005 en artikel 28 van Verordening 1305/2013 is braak gelegd, ongeacht of die grond zich al dan niet onder een kas of onder een vaste of verplaatsbare beschutting bevindt.
Onder blijvend grasland en blijvend weiland (samen blijvend grasland) verstaat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013 grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen.

5.2

Op grond van artikel 43, tweede lid, van Verordening 1307/2013 moet een landbouwer die recht heeft op betaling in het kader van de basisbetalingsregeling klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken in acht nemen, waaronder de aanwezigheid van een ecologisch aandachtsgebied op het landbouwareaal.

Op grond van artikel 43, negende lid, eerste alinea, van Verordening 1307/2013 wordt de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken toegekend aan landbouwers die van de in het eerste lid van artikel 43 genoemde praktijken de voor hen relevante praktijken in acht nemen, en in de mate dat die landbouwers voldoen aan (onder meer) artikel 46 (Ecologisch aandachtsgebied) van Verordening 1307/2013.

5.3

In artikel 46, eerste lid, van Verordening 1307/2013 - voor zover hier van belang - is bepaald dat indien het bouwland van een bedrijf meer dan 15 hectare beslaat, de landbouwers ervoor zorgen dat vanaf 1 januari 2015 een areaal dat ten minste 5% vertegenwoordigt van het bouwland van het bedrijf dat de landbouwer overeenkomstig artikel 72, eerste lid, eerste alinea, onder a), van Verordening 1306/2013 heeft aangegeven en, voor zover die gebieden als ecologisch aandachtsgebied worden beschouwd door de lidstaat overeenkomstig het tweede lid van dit artikel bedoelde gebieden, ecologisch aandachtsgebied is.

5.4

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014), voor zover hier van belang, wordt het ecologisch aandachtsgebied dat overeenkomstig artikel 46, eerste lid, van Verordening 1307/2013 is vereist, berekend op basis van het totaal geconstateerde areaal bouwland.

6.1

Verweerder heeft niet, althans onvoldoende weersproken uiteengezet dat appellant perceel 1 in 2011 heeft opgegeven met code 314 (Triticale), dat het ook als zodanig is geconstateerd en dat appellant het perceel in 2012 heeft opgegeven als grasland, zodat het perceel in 2016 in de afgelopen vijf jaar nog in de vruchtwisseling opgenomen is geweest. Nu perceel 1 niet ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen geweest, heeft verweerder het perceel terecht aangemerkt als tijdelijk grasland en niet als blijvend grasland. Daaraan kan niet afdoen dat appellant met Natuurmonumenten in de pachtovereenkomst is overeengekomen dat de grond niet gescheurd mag worden.

6.2

Voor zover appellant met zijn stelling, dat hij gelet op de toelichting bij gewascode 266 in de ‘Tabel Gewassen’ erop mocht vertrouwen dat perceel 1 als blijvend grasland moet worden aangemerkt, een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel overweegt het College als volgt. Verweerder heeft in het verweerschrift erkend dat de toelichting bij gewascode 266 in de ‘Tabel Gewassen’ destijds niet juist was. Nog los van het feit dat de toelichting bij de door appellant gebruikte gewascode wel juist was, kan de vaststelling dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door verkeerde informatie bij gewascode 266 te verstrekken, niet ertoe leiden dat verweerder perceel 1 moet aanmerken als blijvend grasland en vervolgens afziet van de verlaging van de vergroeningsbetaling. Het gaat namelijk om volledig Unierechtelijk geregelde betalingen waarop het ongeschreven Unierechtelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 december 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:489), kan op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie het vertrouwensbeginsel niet tegen een duidelijke Unierechtelijke bepaling worden aangevoerd en kan een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het Unierecht belaste nationale autoriteit bij een marktdeelnemer geen gewettigd vertrouwen op een met het Unierecht strijdige behandeling opwekken (zie het arrest van 20 juni 2013, zaak C‑568/11, Agroferm (ECLI:EU:C:2013:407), punt 52 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit betekent dat appellants beroep op het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Het voorgaande brengt mee dat aan appellant niet in weerwil de in de in artikel 43 en 46 van Verordening 1307/2013 gestelde vereisten toch de volledige vergroeningsbetaling kan worden toegewezen.

7. Het voren overwogene leidt het College tot de conclusie dat verweerder perceel 1 terecht heeft geconstateerd als tijdelijk grasland (gewascode 266). Verweerder heeft dientengevolge terecht besloten dat appellant, op basis van de totaal geconstateerde oppervlakte bouwland die hij op de hier relevante datum in gebruik had, verplicht was 5% ecologisch aandachtsgebied te hebben, maar daar niet aan heeft voldaan. De vergroeningsbetaling is derhalve terecht verlaagd.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9. Voor de door appellant gevraagde schadevergoeding bestaat geen grond, zodat dat verzoek moet worden afgewezen.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. L.N. Nijhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.

w.g. A. Venekamp w.g. L.N. Nijhuis