Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:480

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
15/785
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het stelsel van de Wvgm is niet in strijd met het in artikel 1 van het EP gewaarborgde recht op het ongestoord genot van eigendom. In het geval van appellant is niet gebleken van een individuele en buitensporige last.

Wetsbepaling:

Wet verantwoorde groei melkveehouderij (Wvgm)

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)

Zie ook: ECLI:NL:CBB:2016:149

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/221 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/785

16600

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 september 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. H.J. Kram).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de melkveefosfaatreferentie (MVFR) 2013 van appellant vastgesteld op 644 kg fosfaat.

Bij besluit van 26 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant deels gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de MVFR 2013 van appellant wordt vastgesteld op 1074 kg fosfaat.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijkertijd met een aantal vergelijkbare zaken, plaatsgevonden op 27 juli 2016. Het onderzoek is ter zitting geschorst.

Met zijn aanvulling van 5 februari 2018 heeft verweerder het bestreden besluit nader gemotiveerd.

Appellant heeft op de nadere motivering gereageerd en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 2 augustus 2018. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

De achtergrond van de beoordeling van het beroep

1.1

Appellant exploiteert een melkveehouderij.

1.2

Verweerder heeft appellant bij brief van 17 december 2014 een vooraankondiging melkveefosfaatreferentie gestuurd en hem daarmee op de hoogte gesteld van het voornemen om in het kader van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij (Wvgm) begin 2015 voor iedere melkveehouderij een MVFR 2013 vast te stellen. De MVFR 2013 van een melkveehouderij bestaat uit de forfaitaire mestproductie van het in 2013 op het bedrijf gehouden melkvee min de fosfaatruimte in 2013. In verband daarmee heeft verweerder appellant verzocht vóór 1 februari 2015 wijzigingen door te geven met betrekking tot de bij verweerder bekende referentiegegevens van het gemiddeld aantal gehouden melkvee (melk- en kalfkoeien en jongvee) en de oppervlakte van de grond die bij het bedrijf in gebruik was in 2013. Appellant heeft geen wijzigingen doorgegeven. Vervolgens heeft verweerder de MVFR 2013 voor appellant bij het primaire besluit van 5 maart 2015 vastgesteld op 644 kg fosfaat.

1.3

Bij het bestreden besluit van 26 augustus 2015 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit herroepen vanwege een hoger gebleken melkproductie en licht afwijkende dierenaantallen en beslist dat de MVFR 2013 van appellant wordt vastgesteld op 1074 kg fosfaat.

1.4

In zijn uitspraken van 15 juni 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:149 en ECLI:NL:CBB:2016:150; hierna: de uitspraken van 15 juni 2016) heeft het College in een aantal zaken van andere melkveehouderijen geoordeeld dat het stelsel van de Wvgm een inbreuk vormt op het recht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) op ongestoord genot van eigendom van de melkveehouderijen. Er is sprake van een redelijke mate van evenredigheid tussen de te dienen doelstellingen van de Wvgm en de maatregelen die door deze wet zijn ingevoerd, zodat die maatregelen in hun algemeenheid proportioneel zijn (rechtsoverweging 5.5.3). Maar verweerder heeft de besluiten niet voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd door niet in te gaan op de door appellanten aangevoerde individuele omstandigheden (rechtsoverweging 5.6.3). Om die reden heeft het College verweerder in die zaken opgedragen om nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen. Daarbij moet verweerder onderzoeken of de vastgestelde MVFR 2013 op grond van bijzondere, niet voor alle melkveehouders geldende feiten en omstandigheden voor de betrokken appellanten een individuele, buitensporige last oplevert. Verweerder moet ook onderzoeken in hoeverre de regelgeving buiten toepassing moet worden gelaten zolang niet is voorzien in (een) passende maatregel(en) ter compensatie van die last (rechtsoverweging 5.7).

1.5

Naar aanleiding van de uitspraken van 15 juni 2016 heeft verweerder tijdens het onderzoek ter zitting op 27 juli 2016 te kennen gegeven ook voor de zaak van appellant opnieuw te zullen kijken naar de aangevoerde individuele omstandigheden. Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak aangehouden en verweerder in de gelegenheid gesteld om het bestreden besluit nader te motiveren.

1.6

Na de zitting van 27 juli 2016 heeft verweerder appellant bij brieven van 16 augustus 2016, 14 december 2016 en 9 juni 2017 en herhaaldelijk telefonisch om aanvullende informatie over de door appellant aangevoerde individuele omstandigheden verzocht. In het telefoongesprek van 6 juni 2017 heeft appellant gezegd dat hij een hypotheek heeft afgesloten ten behoeve van de financiering van een nieuwe ligboxenstal. Appellant heeft de door verweerder opgevraagde stukken niet aangeleverd.

1.7

Met de brief van 5 februari 2018 heeft verweerder het bestreden besluit nader gemotiveerd. De MVFR 2013 van appellant blijft op 1074 kg fosfaat vastgesteld. Volgens verweerder zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de MVFR 2013 van appellant leidt tot een individuele en buitensporige last.

De beroepsgronden en het standpunt van verweerder

2.1

Appellant betoogt dat de voor hem vastgestelde MVFR 2013 een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het door artikel 1 van het EP gewaarborgde eigendomsrecht. Hij is onomkeerbare verplichtingen aangegaan voor de uitbreiding van zijn bedrijf met een nieuwe ligboxenstal. Voor 12 december 2013 is hij begonnen met de bouw van een nieuwe ligboxenstal, waarvoor hij de benodigde vergunningen heeft verkregen en een hypotheek heeft afgesloten. Appellant vindt dat verweerder uit had moeten gaan van de aantallen vee zoals die hem zijn vergund. Door dit niet te doen en ook geen schadeloosstelling te geven, heeft hij een nadeel ten opzichte van de concurrentie. Op de zitting heeft appellant toegelicht dat de stal inmiddels intern is verbouwd, maar dat de aanbouw er nog niet is. Door de voor hem vastgestelde MVFR 2013 kan hij de beoogde uitbreiding niet benutten en dit levert een individuele en buitensporige last op, zodat de maatregel in strijd is met artikel 1 van het EP.

2.2

Volgens verweerder is daarvan niet gebleken. Verweerder heeft de zaak van appellant en andere uitbreidende melkveehouders opnieuw beoordeeld, vanuit de volgende uitgangspunten. De MVFR 2013 kan alsnog hoger worden vastgesteld als de melkveehouder vóór 12 december 2013 onomkeerbare verplichtingen met betrekking tot de bedrijfsuitbreiding is aangegaan. Het verschil tussen de vastgestelde MVFR 2013 en de MVFR 2013, die zou zijn vastgesteld als wel rekening zou zijn gehouden met de bedrijfsuitbreiding, moet daarbij ten minste 10% bedragen. Volgens verweerder konden en behoorden de melkveehouders na de aankondiging van het stelsel voor de vaststelling van MVFR 2013 met als referentiejaar 2013 in de kamerbrief van 12 december 2013 (Kamerstukken II 2013, 33037, nr. 80) op de hoogte zijn van de maatregelen op grond van de Wvgm. Daarom is er voor melkveehouders die op 12 december 2013 nog geen onomkeerbare verplichtingen voor een bedrijfsuitbreiding zijn aangegaan geen sprake van een individuele en buitensporige last. De onomkeerbare verplichtingen moeten volgens verweerder blijken uit de vereiste vergunningen, ondertekende aannemersovereenkomsten of bouwfacturen en ondertekende financieringsovereenkomsten voor de realisatie van de bedrijfsuitbreiding.

2.3

In het specifieke geval van appellant stelt verweerder dat appellant heeft geweigerd om bewijsstukken aan te leveren en meermaals tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de status van de bouw van de nieuwe ligboxenstal. Bij navraag door verweerder bij het bevoegd gezag, is gebleken dat de bouwvergunning voor de nieuwe ligboxenstal op 15 november 2010 aan appellant is verleend door de gemeente Dinkelland en dat de vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 op 23 juli 2013 is verleend door de provincie Overijssel. Beide vergunningen bevatten een meldplicht voor de start van de bouwwerkzaamheden. Appellant heeft bij geen van beide bevoegde autoriteiten melding gedaan van de start van bouwwerkzaamheden en uit luchtfoto’s van verweerder blijkt evenmin dat is begonnen met de bouw. Appellant heeft, na eerder anders te hebben verklaard, in het telefoongesprek van 6 juni 2017 met verweerder bevestigd dat de bestaande stal intern gerenoveerd is, maar dat nog niet is begonnen met de bouw van een nieuwe stal. In ditzelfde telefoongesprek heeft appellant gezegd dat hij een hypotheek heeft afgesloten voor de bouw van de stal, maar daarvan geen bewijs willen aandragen. Nu voor verweerder niet is gebleken van de start van de bouw van de nieuwe stal en het aangaan van financiële verplichtingen daarvoor vóór 12 december 2013, stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen sprake is van voor een bedrijfsuitbreiding aangegane onomkeerbare verplichtingen. Daarmee is er volgens verweerder ook geen sprake van een individuele en buitensporige last.

Het wettelijk kader

3. Voor de relevante wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen, zoals deze luidden ten tijde als hier van belang, verwijst het College naar de bijlage bij deze uitspraak.

De beoordeling van de gronden

4.1

Zoals het College al heeft geoordeeld in zijn uitspraken van 15 juni 2016 is het stelsel van de Wvgm in algemene zin niet in strijd met het eigendomsrecht zoals neergelegd in artikel 1 van het EP. Het College verwijst naar de motivering in de uitspraak onder nummer ECLI:NL:CBB:2016:149, onder rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.5.3. Een afschrift van deze uitspraak wordt bij deze uitspraak gevoegd. Zoals appellant terecht stelt grijpt het stelsel van de Wvmg in op, oftewel reguleert het, het eigendom van de melkveehouders. Dat is echter toegestaan, omdat het stelsel duidelijk is vastgelegd in de wet en lagere regelgeving, en het stelsel een algemeen doel, oftewel belang dient. Het stelsel heeft namelijk ten doel het milieu te beschermen en te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn. Ook is er voldoende evenwicht tussen dat doel en de middelen die het stelsel daarvoor inzet. Anders dan appellant kennelijk meent, zijn de aan hem bij vergunning toegezegde dierenaantallen daarom niet onaantastbaar. Verweerder heeft voor de vaststelling van de MVFR 2013 dan ook niet aan hoeven sluiten bij het vergunde aantal dieren, maar heeft uit mogen gaan van het aantal gehouden dieren in 2013. De wetgever heeft dit jaartal kunnen kiezen, omdat het de meest actuele en niet meer te beïnvloeden informatie gaf over de bijdrage van een individueel melkveebedrijf aan de druk op de mestmarkt. Dat dit tot verschillende uitkomsten voor verschillende melkboeren heeft kunnen leiden en dat daarmee sommige boeren concurrentienadelen ten opzichte van anderen ondervinden, sluit het College niet uit. Dat maakt het stelsel als zodanig echter niet onrechtmatig. Welk nadeel precies wordt ondervonden kan wel gevolgen hebben voor de beoordeling van de vraag of het stelsel voor appellant als individu een disproportionele last meebrengt.

4.2

Het College overweegt dat gedetailleerde en concrete gegevens van appellant noodzakelijk zijn voor een goede beoordeling van verweerder of er sprake is van een dergelijke last.

4.3

Het College stelt vast dat appellant, ter onderbouwing van zijn standpunt dat er sprake is van een individuele en buitensporige last, individuele omstandigheden heeft gesteld.

Het College overweegt dat aan hoge eisen moet worden voldaan wil sprake zijn van een individuele last die zo disproportioneel is dat hij noopt tot compensatie. De bewijslast daarvoor ligt bij appellant. Appellant moet aantonen dat hij geconfronteerd wordt met feiten en omstandigheden die niet voor (alle) andere melkveehouders gelden en die meebrengen dat hij in bijzondere mate wordt getroffen door de maatregel. Daarvoor is inzicht nodig in alle bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden, zoals de vermogenspositie, de totale financieringspositie, eventuele nevenactiviteiten of overige inkomsten, eventuele mogelijkheden om de overtollige bedrijfsmiddelen op andere wijze aan te wenden, etc. Daarbij dient dan te worden aangegeven waar en hoe deze gegevens leiden tot de slotsom dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Bovendien moet worden aangetoond of de investeringen daadwerkelijk betrekking hebben op de (voorgenomen) uitbreiding van het bedrijf die door de MVFR 2013 wordt getroffen.

4.4

Appellant kon op grond van de uitspraken van 15 juni 2016 en de, naar aanleiding daarvan door verweerder gedane, nadere informatieverzoeken weten welke informatie hij moest aanleveren. Ondanks daartoe herhaaldelijk in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft appellant geen objectieve gegevens over zijn bedrijfsvoering overgelegd. Verweerder heeft via andere kanalen verschillende gegevens bij zijn beoordeling betrokken, zoals aan appellant verleende vergunningen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit die gegevens niet blijkt dat er sprake is van een disproportionele last. De omstandigheid dat appellant geen stukken, zoals een financieringsovereenkomst, aan heeft willen leveren komt voor zijn eigen risico. Dat deze stukken, zoals appellant vreest, na verstrekking aan verweerder in de openbaarheid kunnen komen, maakt dat niet anders. De wet, bijvoorbeeld de Wet openbaarheid van bestuur, biedt bescherming tegen openbaring van dergelijke gegevens van appellant. De enkele stelling van appellant dat hij is begonnen met de herinrichting van zijn bedrijf en dat hij een hypotheek heeft afgesloten met het oog op de bedrijfsuitbreiding kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.5

Dat betekent dat niet is gebleken dat het stelsel van de Wvgm leidt tot een disproportionele last voor appellant. Zijn beroepsgrond dat het stelsel in strijd is met artikel 1 van het EP slaagt niet.

4.6

Met appellant is het College wel van oordeel dat het bestreden besluit, zoals dat is genomen op 26 augustus 2015, een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek bevat. Verweerder is daarin namelijk niet ingegaan op de individuele omstandigheden die appellant had gesteld. Verweerder heeft echter alsnog zorgvuldig gehandeld en zijn besluit voldoende gemotiveerd met de aanvulling van 5 februari 2018. Nu er verder ook niet is gebleken van andere gebreken, zoals willekeur of van strijd met andere wettelijke bepalingen, zal het College het bestreden besluit ondanks de daaraan klevende gebreken, met toepassing van het bepaalde in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, in stand laten. Niet aannemelijk is dat appellant hierdoor is benadeeld. Wel is er aanleiding om te bepalen dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht aan hem vergoedt.

4.7

Appellant heeft nog aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De in de jurisprudentie ontwikkelde redelijke termijn voor een procedure als deze is twee jaar. Appellant heeft op 14 april 2015 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. De uitspraak in zijn zaak wordt gedaan op 11 september 2018. Bij het beoordelen of de termijn van twee jaar is overschreden moeten periodes die toe te rekenen zijn aan appellant buiten beschouwing blijven. Het College stelt vast dat verweerder na de zitting van 27 juli 2016 appellant herhaaldelijk schriftelijk en telefonisch heeft verzocht om nadere gegevens. Buiten een sporadische telefonische inlichting heeft appellant geen nadere relevante gegevens aangeleverd. Gelet hierop komt de vertraging in de besluitvorming tussen 16 augustus 2016 en 5 februari 2018 voor rekening van appellant. Deze periode buiten beschouwing latend resteert een periode van 1 jaar en ruim 11 maanden. De periode van twee jaar is dus niet overschreden.

5. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan appellant te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. I.M. Ludwig en

mr. T.L. Fernig-Rocour, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. L. ten Hove

Bijlage

Het geschil heeft betrekking op de toepassing van de op 1 januari 2015 in werking getreden Wvgm. Deze wet bevat een aanvulling op de Msw met betrekking tot de regels voor verwerking van dierlijke meststoffen. De Msw luidde ten tijde en voor zover van belang als volgt:

“Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

cc. bedrijfsoverschot: hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar op een bedrijf wordt geproduceerd boven de fosfaatruimte;

(…)

ll. fosfaatruimte: hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar

1°. ingevolge artikel 8, onderdeel c (http://wetten.overheid.nl/BWBR0004054/2015-01-01/0/), mag worden gebracht op of in de tot het desbetreffende bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond,

(…)

mm. melkveefosfaatreferentie: een beschikking als bedoeld in artikel 21a, eerste lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0004054/2015-01-01/0/);

nn. melkveefosfaatoverschot: de productie van dierlijke meststoffen door melkvee op het bedrijf in kilogrammen fosfaat, verminderd met de fosfaatruimte en het aantal kilogrammen fosfaat, genoemd in de melkveefosfaatreferentie van dat bedrijf.

(…)

Artikel 21

1. Het is een landbouwer verboden op zijn bedrijf in enig kalenderjaar fosfaat met melkvee te produceren.

2. Het eerste lid is, onverminderd artikel 33a (http://wetten.overheid.nl/BWBR0004054/2015-01-01/0/), niet van toepassing op een landbouwer die in het desbetreffende kalenderjaar:

a. op zijn bedrijf minder dan 250 kilogram fosfaat met melkvee produceert,

b. op zijn bedrijf geen bedrijfsoverschot produceert,

c. op zijn bedrijf geen melkveefosfaatoverschot produceert,

d. 100%, verminderd met het percentage, bedoeld in artikel 33a, tweede lid, onderdeel b (http://wetten.overheid.nl/BWBR0004054/2015-01-01/0/), van het melkveefosfaatoverschot:

1°. laat verwerken,

(…)

4°. geheel en rechtstreeks, blijkens een schriftelijke en vooraf gesloten overeenkomst, onder bij regeling van Onze Minister te stellen voorwaarden overdraagt of laat overdragen aan een hemelsbreed hoogstens twintig kilometer van de productielocatie verwijderd liggende locatie van bedrijven indien de overgedragen dierlijke meststoffen op landbouwgrond aangewend worden, of

(…)

3. Artikel 33a, derde lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0004054/2015-01-01/0/), is van overeenkomstige toepassing op het tweede lid, onderdeel d, onder 1.

4. Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, blijven die kilogrammen fosfaat buiten beschouwing, die reeds in aanmerking zijn genomen voor de toepassing van artikel 33a, tweede lid, onderdelen b tot en met e (http://wetten.overheid.nl/BWBR0004054/2015-01-01/0/).

5. De rechtvaardigingsgrond, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel d (http://wetten.overheid.nl/BWBR0004054/2015-01-01/0/) wordt bij algemene maatregel van bestuur beperkt.

6. Het ontwerp van een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De voordacht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Artikel 21a

1. Onze Minister verleent aan een landbouwer, die in het kalenderjaar 2013 melkvee hield een melkveefosfaatreferentie, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat. De melkveefosfaatreferentie vermeldt het bedrijf waarvoor de melkveefosfaatreferentie wordt afgegeven.

2. De melkveefosfaatreferentie wordt berekend door de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen door melkvee in het kalenderjaar 2013 op het bedrijf te verminderen met de fosfaatruimte van dat bedrijf in 2013. Bij de berekening volgens de eerste volzin wordt elk resultaat dat negatief is, op nul gesteld.

3. Indien een landbouwer aantoont dat door bedrijfsoverdrachten tussen 1 januari 2013 en 1 november 2014, een lagere melkveefosfaatreferentie wordt afgegeven dan wanneer deze bedrijfsoverdrachten zouden zijn betrokken bij de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt de melkveefosfaatreferentie met inachtneming van deze bedrijfsoverdrachten vastgesteld.

4. De forfaitaire productie van dierlijke meststoffen door melkvee wordt vastgesteld overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 35.

5. De melkveefosfaatreferentie kan worden overgedragen aan een landbouwer waarmee bloed- of aanverwantschap in de eerste, tweede of derde graad bestaat voor het bedrijf waarvoor de melkveefosfaatreferentie is afgegeven.

6. De melkveefosfaatreferentie gaat over aan degene die het bedrijf waarvoor deze melkveefosfaatreferentie is afgegeven bij erfopvolging verkrijgt.

(…)

Artikel 38

1. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

2. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

3. Aan de vrijstelling of de ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.”

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) luidt:

“Artikel 1. Bescherming van eigendom

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”