Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:476

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
16/1280, 17/128 en 17/463
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betalingsrechten, uitbetaling GLB, subsidiabele hectares, graasdierpremie, aftrek subsidiabel grasland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/1280, 17/128 en 17/463

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 september 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.F. Bosma en M.G. Dusseljee).

Procesverloop

16/1280

Bij besluit van 21 april 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om toekenning van betalingsrechten 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (hierna: Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 28 november 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

17/128

Bij besluit van 9 juli 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om uitbetaling van de graasdierpremie 2015.

Bij besluit van 3 januari 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

17/463

Bij besluit van 21 juli 2016 (het primaire besluit 3) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om uitbetaling van betalingsrechten (de basis- en vergroeningsbetaling) 2015.

Bij besluit van 14 maart 2017 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Bij besluit van 30 november 2017 (het herziene bestreden besluit 1) heeft verweerder opnieuw op het bezwaar tegen het primaire besluit 1 beslist en heeft hij het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft hij het primaire besluit 1 herroepen.

Bij brief van 3 januari 2018 heeft appellant meegedeeld dat hij het beroep tegen het bestreden besluit 1 wenst te handhaven.

Bij besluit van 26 maart 2018 (het herziene bestreden besluit 3) heeft verweerder opnieuw op het bezwaar tegen het primaire besluit 3 beslist en heeft hij het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft hij het primaire besluit 3 herroepen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

16/1280 en 17/463

1.1

Bij de herziene bestreden besluiten 1 en 3 heeft de bestreden besluiten 1 en 3 ingetrokken en vervangen door de herziene bestreden besluiten 1 en 3, waarbij verweerder appellant respectievelijk 76,43 betalingsrechten heeft toegewezen en een bedrag van basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 heeft toegekend van € 13.318,38.

1.2

De beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 3 hebben op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op de herziene bestreden besluiten 1 en 3. Nu de bestreden besluiten 1 en 3 zijn ingetrokken en vervangen door de herziene bestreden besluiten 1 en 3 en gesteld, noch gebleken is dat appellant nog belang heeft bij beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen de bestreden besluiten 1 en 3, zullen de beroepen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.1

Het geschil gaat in beide beroepen over de vraag of verweerder de percelen 3, 34, 41, 43, 44 en 45 terecht heeft afgewezen en de percelen 1, 18, 66 en de percelen 33 en 64, door verweerder gesplitst in de percelen 33, 86, 88, 90, 92, 94 en 96 respectievelijk 64 en 100, terecht kleiner heeft vastgesteld dan appellant heeft opgegeven. Verweerder heeft in de herziene bestreden besluiten 1 en 3 gemotiveerd waarom deze percelen geheel of gedeeltelijk niet als subsidiabele landbouwgrond kunnen worden aangemerkt. Verweerder heeft daarbij met betrekking tot de percelen 1, 18, 66 en de gesplitste percelen 33 en 64 uiteengezet dat zich binnen de opgegeven oppervlaktes niet-subsidiabele elementen bevinden, zoals bermen, sloten met taluds, bomenrijen, een poel, zandbulten, kale plekken, vernatting, ruigte, verstruiking en een tuin. Ten aanzien van de percelen 3, 34, 41, 43, 44 en 45 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze percelen niet subsidiabel zijn omdat daarbij de gewascode 332 ‘grasland natuurlijk, hoofdfunctie natuur’ is opgegeven. Er is volgens verweerder geen sprake van blijvende teelten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder e, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013).

2.2

Appellant heeft aangevoerd dat verweerder de oppervlaktes van zijn percelen niet juist heeft vastgesteld en dat deze dienen te worden herbeoordeeld. Volgens appellant is geen sprake van vernatting en/of verruiging en zijn de door verweerder afgewezen (gedeelten van) percelen wel subsidiabel. Ten bewijze daarvan heeft hij een e-mail van 16 april 2018 van de verpachter van de betreffende percelen, Staatsbosbeheer, overgelegd. Deze mail luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) Het klopt dat de vegetatie van schraalgraslanden, zeker op de lagere delen, op sommige momenten onder water kunnen staan. Aan de hand van een momentopname, zoals een luchtfoto, is in mijn ogen ook niet goed te beoordelen of dit begraasbaar oppervlak is of niet. Zéker duinvalleien staan aan het einde van de winter of na een natte (na)zomer onder water, maar dit neemt niet weg dat het belangrijk is voor de diversiteit in soorten en structuur dat deze stukken mee begraasd of gemaaid worden. (…)”

Ter zitting heeft appellant desgevraagd bevestigd dat deze verklaring ziet op perceel 96. Ten aanzien van de gedeeltes natuurgrond die verruigd zijn heeft appellant aangevoerd dat deze percelen begraasd worden en dat zij daarom wel degelijk dienen te worden aangemerkt als landbouwgrond.

2.3

Het College is van oordeel dat het (herziene) bestreden besluit 1 onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Appellant heeft niet gemotiveerd op grond waarvan de percelen 3, 34, 41, 43, 44 en 45 als subsidiabele landbouwgrond moeten worden aangemerkt. De enkele stelling dat deze percelen worden gebruikt voor de bedrijfsmatige exploitatie van zijn bedrijf is daartoe onvoldoende. Ten aanzien van de percelen 1, 18, 33, 64, 66, 86, 88, 90, 92, 94, 96 en 100 heeft appellant evenmin onderbouwd uiteengezet op grond waarvan deze door verweerder gedeeltelijk subsidiabel geachte percelen onjuist zijn beoordeeld. Voor de subsidiabiliteit van perceel 96 beroept appellant zich weliswaar op een verklaring van de verpachter, Staatsbosbeheer, maar daaruit valt niet af te leiden dat het perceel 96 naar het oordeel van Staatsbosbeheer begraasbare oppervlakte bevat en als zodanig wordt gebruikt, laat staan dat daarin gemotiveerd wordt uiteengezet dat perceel 96 subsidiabele landbouwgrond betreft. Het beroep faalt in zoverre.

2.4

In beroep tegen het (herziene) bestreden besluit 3 heeft appellant aangevoerd dat het beroep in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat ten tijde van de Gecombineerde Opgave 2015 niet bekend was dat voor de onjuiste gewascode een administratieve sanctie zou worden toegepast. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar niet op deze bezwaargrond gereageerd.

2.5

Het College overweegt daaromtrent als volgt. Het College stelt voorop dat de administratieve sanctie niet is toegepast vanwege een onjuiste gewascode, maar omdat het door verweerder geconstateerde subsidiabele areaal verschilt van het door appellante aangegeven areaal. In zoverre faalt het betoog van appellant. Nu het verschil tussen de aangevraagde en de, na herbeoordeling, geconstateerde oppervlakte 60,08 %, en dus meer dan 3 % bedraagt, heeft verweerder de basisbetaling gekort met een bedrag dat overeenkomt met anderhalf keer het verschil tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte. Deze korting heeft verweerder gebaseerd op artikel 19bis, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en randvoorwaarden (Verordening 640/2014). Ten tijde van de aanvraag was niet artikel 19bis, maar artikel 19 van Verordening 640/2014 op de aanvraag van appellant van toepassing, waarin – kort gezegd – is bepaald dat verweerder in het geval dat het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte meer dan 50% bedroeg, gehouden was om geen basisbetaling toe te wijzen. Toepassing van artikel 19bis van Verordening 640/2014 is voor appellant dan ook gunstiger dan het bij het primaire besluit toegepaste artikel 19 van Verordening 640/2014. Voor zover appellant heeft beoogd te betogen dat het niet voorzienbaar was dat een administratieve sanctie zou worden toegepast indien hij teveel niet-subsidiabele grond zou opgeven, slaagt het beroep daarom evenmin.

2.6

Het beroep is, voor zover dat ziet op de herziene bestreden besluiten 1 en 3, ongegrond.

3. Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten die appellant in verband met het beroep heeft moeten maken. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De zaken 16/1280 en 17/463 worden beschouwd als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

17/128

4.1

In geschil is of verweerder de aanvraag van appellant om uitbetaling van de graasdierpremie terecht heeft afgewezen.

4.2

Verweerder heeft bij het bestreden besluit 1 het aantal geconstateerde hectaren subsidiabele landbouwgrond van appellant vastgesteld op 54,48 ha en het gemiddeld aantal runderen op 60,16319. In het bestreden besluit 2 heeft verweerder verwezen naar artikel 2.24 van de Uitvoeringsregeling waarin is bepaald dat bij de graasdierpremie rekening wordt gehouden met de op het bedrijf aanwezige hectares grasland. Verweerder heeft op het bedrijf van appellant 54,48 ha grasland geconstateerd, hetgeen gelijk staat aan 95,34 runderen. Verweerder heeft geconcludeerd dat nu deze correctie groter is dan het gemiddeld aantal gehouden runderen, te weten 60,16319, de graasdierpremie terecht op € 0,00 is vastgesteld.

4.3

Appellant stelt dat verweerder de graasdierpremie ten onrechte op € 0,00 heeft vastgesteld. Appellant voldoet aan de voorwaarden voor toewijzing. Appellant stelt dat het in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel dat verweerder in het bestreden besluit 2 een correctie heeft doorgevoerd voor de percelen waarop betalingsrechten uitbetaald kunnen worden, terwijl de betalingsrechten die appellant over deze percelen heeft aangevraagd niet volledig zijn toegewezen.

4.4

Artikel 2.24 Berekening vrijwillig gekoppelde steun bepaalt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1 De steun bedraagt € 160 per rund (…)

2 Het aantal op het bedrijf gehouden dieren, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als A gedeeld door B waarbij A staat voor de som van het aantal dagen dat de runderen, respectievelijk de schapen, voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 22 respectievelijk 2.23, en B het getal 289 is.

3 De uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, wordt verminderd met de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal tot het bedrijf behorende hectaren grasland, met:

a. (…)

b. 1,75, voor wat betreft het aantal gehouden runderen.

4.5

Niet in geschil is dat op het landbouwbedrijf van appellante in ieder geval 54,48 ha subsidiabel grasland aanwezig is, waarvoor appellant blijkens het bestreden besluit 1 ook betalingsrechten zijn toegewezen. Het herziene bestreden besluit 1 heeft daarin geen relevante wijziging gebracht. Ingevolge het bepaalde in artikel 2.24, derde lid, van de Uitvoeringsregeling volgt in het geval een bedrijf subsidiabel grasland heeft een correctie op het aantal dieren dat in aanmerking komt voor graasdierpremie, omdat de dieren ook op deze subsidiabele grond kunnen grazen. Een aantal dieren wordt toegerekend aan het subsidiabele grasland, in het geval van appellant 95,34 runderen (1,75 grootvee-eenheden per hectare). Voor deze dieren kan geen graasdierpremie worden verkregen. Nu het aantal runderen waarmee hier op grond van de graslandcorrectie rekening moet worden gehouden (95,34), groter is dan het gemiddeld aantal door appellant gehouden runderen in 2015 (60, 16319, heeft verweerder de graasdierpremie terecht op € 0,00 vastgesteld. Van enige onzorgvuldigheid bij die vaststelling is niet gebleken.

4.6

Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College

In de zaken 16/1280 en 17/463

- verklaart de beroepen, gericht tegen de bestreden besluiten 1 en 3, niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen, gericht tegen de herziene bestreden besluiten 1 en 3, ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.002,-.

In de zaak 17/128

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, mr. B. Bastein en mr. C.J. Borman, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. J.B.C. van der Veer