Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:463

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
16/1186
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB, aantal toegewezen betalingsrechten staat in rechte vast, korting vanwege teveel opgegeven landbouwgrond is komen te vervallen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1186

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2018 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: [naam 2] ),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Bosma).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellante ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 27 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit ambtshalve herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling opnieuw vastgesteld.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 10 april 2018 (het herziene bestreden besluit) heeft verweerder het bestreden besluit vervangen door het herziene bestreden besluit, het primaire besluit herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling opnieuw vastgesteld.

Appellante heeft schriftelijk gereageerd op het herziene bestreden besluit.

Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellante heeft met het indienen van de Gecombineerde opgave 2015 verzocht om toewijzing van betalingsrechten en uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling.

2. Bij besluit van 31 maart 2016 heeft verweerder aan appellante 114,27 betalingsrechten toegewezen op basis van 114,27 geconstateerde subsidiabele ha. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder een bedrag van € 8.757,21 vastgesteld aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015. Daarbij is verweerder uitgegaan van 114,27 betalingsrechten en een geconstateerde oppervlakte subsidiabele landbouwgrond van 114,27 ha. Verweerder heeft op de betaling, naast de standaardkortingen, een korting toegepast vanwege een afwijking tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte en vanwege een overtreding van de randvoorwaarden.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante, namelijk dat perceel 1 ten onrechte niet als subsidiabele landbouwgrond is aangemerkt en dat ten onrechte een korting vanwege een verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte is toegepast, ongegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit ambtshalve herroepen vanwege een gewijzigd sanctieregime en heeft het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 gewijzigd vastgesteld op € 8.936,11. Verweerder heeft zich in dit besluit op het standpunt gesteld dat de subsidiabele oppervlakte van de percelen, dus ook van perceel 1, al in het besluit van 31 maart 2016 is beoordeeld. Nu appellante hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt, staat dit besluit in rechte vast, en daarmee dus ook de afwijzing van perceel 1 als subsidiabele oppervlakte. Dit betekent dat appellante op 15 mei 2015 over 114,27 betalingsrechten beschikte en daar is verweerder bij het primaire besluit ook van uitgegaan. Appellante kan alleen meer betalingsrechten laten uitbetalen als hij daarover beschikt, aldus verweerder.

5. Bij het herziene bestreden besluit heeft verweerder het bestreden besluit vervangen door het herziene bestreden besluit, het primaire besluit herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling gewijzigd vastgesteld op € 9.472,81. Verweerder heeft perceel 1 naar aanleiding van de uitspraak van het College van 11 juli 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:212) opnieuw beoordeeld en alsnog als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt. De subsidiabele oppervlakte van het perceel is vastgesteld op 6,31 ha, zoals door appellante in de Gecombineerde opgave 2015 is opgegeven. De eerder toegepaste korting vanwege het verschil in de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte is daarmee komen te vervallen.

6. Appellante heeft in reactie op het herziene betreden besluit aan het College meegedeeld dat zij haar beroep wenst te handhaven, omdat de aanvankelijk toegepaste korting niet volledig is uitbetaald. Appellante mist nog een bedrag van € 198,28. Verder voert appellante aan dat zij nog steeds 6,3 betalingsrechten mist. Het besluit van 31 maart 2016 kwam voor haar op een ongelukkig moment en het is haar toen niet opgevallen dat het besluit een fout bevatte. Pas bij de ontvangst van het primaire besluit zag appellante dat voor perceel 1 geen betalingsrechten waren toegewezen en werd haar duidelijk wat de consequenties hiervan zijn. Omdat het perceel momenteel niet meer door appellante in gebruik is, komt appellante niet in aanmerking voor de compensatieregeling waarbij voor het jaar 2018 betalingsrechten kunnen worden aangevraagd uit de nationale reserve. Appellante mist hierdoor voor de uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling al vier jaar lang 6,31 betalingsrechten en dit zal ook de komende jaren nog het geval zijn.

7. Het College stelt vast dat verweerder met het herziene bestreden besluit niet volledig tegemoetgekomen is aan de bezwaren van appellante, zodat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht wordt mede te zijn gericht tegen het herziene bestreden besluit. Het College zal het herziene bestreden besluit daarom bij de beoordeling van het beroep betrekken. Appellante heeft geen belang meer bij een beoordeling van het beroep gericht tegen het bestreden besluit, zodat het niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

8. Het College stelt verder vast dat het besluit van 31 maart 2016, waarbij aan appellante 114,27 betalingsrechten zijn toegewezen, in rechte onaantastbaar is geworden, omdat appellant daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Dit betekent dat het rechtsgevolg waarop dit besluit is gericht, namelijk de vaststelling van het aantal en de waarde van de aan appellante toegewezen betalingsrechten, vaststaat. Het alsnog subsidiabel achten van perceel 1 kan er niet toe leiden dat appellante alsnog 6,31 betalingsrechten meer toegewezen krijgt. Verweerder is zodoende in het herziene bestreden besluit voor de uitbetaling terecht uitgegaan van 114,27 betalingsrechten. Dat het besluit van 31 maart 2016 voor appellante op een ongelegen moment kwam en pas later tot appellante is doorgedrongen wat de consequenties van dit besluit zijn, is ongelukkig, maar kan niet leiden tot een andere conclusie. Ook de stelling dat appellante geen gebruik kan maken van de compensatieregeling, wat daar ook van zij, kan er niet aan af doen dat het aantal aan appellante toegewezen betalingsrechten in rechte vaststaat.

9. Wat betreft de korting overweegt het College het volgende. Verweerder heeft in het aanvullend verweerschrift uiteengezet dat aanvankelijk bij het primaire besluit een korting op de uitbetaling is toegepast van € 913,88 vanwege het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte. Bij het bestreden besluit is de korting wegens een gewijzigd sanctieregime op een lager bedrag vastgesteld, namelijk op € 685,41. Appellante heeft daarom een nabetaling ontvangen van € 178,90. Bij het herziene bestreden besluit is deze korting komen te vervallen, omdat geen sprake meer was van een afwijking tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte. Appellante heeft daarom een nabetaling ontvangen van € 536,69. Wat betreft de stelling van appellante dat de oorspronkelijke korting van € 913,88 niet volledig is uitbetaald, omdat appellante nog € 198,28 mist, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat op de betalingen nog altijd de standaardkortingen zijn toegepast en in dit geval ook een randvoorwaardenkorting. Deze kortingen betreffen een percentage van het uit te betalen bedrag. Doordat bij het bestreden besluit en bij het herziene bestreden besluit een lager sanctiebedrag is vastgesteld en er nabetalingen zijn geweest, is het totale uit te betalen bedrag dus hoger geworden, waardoor ook de nog van toepassing zijnde kortingen hoger zijn geworden. Dit verklaart het verschil van € 198,28, aldus verweerder. Appellante heeft een en ander niet betwist. Aldus bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling bij het herziene bestreden besluit niet correct heeft vastgesteld.

10. Gezien het voorgaande moet het beroep tegen het herziene bestreden besluit ongegrond worden verklaard.

11. Nu verweerder het bestreden besluit in beroep heeft herzien, ziet het College aanleiding verweerder op te dragen het door appellante betaalde griffierecht van € 334,- te vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het herziene bestreden besluit ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2018.

w.g. A. Venekamp w.g. D. de Vries