Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:461

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
17/309
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB, aanvankelijk toegepaste korting vanwege teveel opgegeven landbouwgrond is komen te vervallen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/309

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2018 in de zaak tussen

[naam] te [plaats] , appellante

(gemachtigde: H. Hofstee),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Bosma).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellante ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 16 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 8 januari 2018 (het herziene bestreden besluit) heeft verweerder het bestreden besluit vervangen door het herziene bestreden besluit, het primaire besluit herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling opnieuw vastgesteld.

Appellante heeft schriftelijk gereageerd op het herziene bestreden besluit.

Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft samen met de beroepen met de zaaknummers 16/1204, 16/1205 en 17/310 plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. In de zaken 16/1204, 16/1205 en 17/310 is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Appellante heeft met het indienen van de Gecombineerde opgave 2015 onder meer verzocht om toewijzing van betalingsrechten en uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling. Appellante heeft daarvoor 28 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 107,14 hectare (ha).

2. Bij besluit van 14 april 2016 heeft verweerder aan appellante 38,10 betalingsrechten toegewezen. Verder heeft verweerder vastgesteld dat appellante 18,56 betalingsrechten huurt door middel van een private overeenkomst. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder een bedrag van € 9.785,85 vastgesteld aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015. Daarbij is verweerder uitgegaan van 56,66 betalingsrechten en een geconstateerde oppervlakte subsidiabele landbouwgrond van 56,66 ha. Verweerder heeft op de betaling, naast de standaardkortingen, een korting toegepast vanwege een afwijking tussen de aangevraagde oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte. De korting is vastgesteld op een bedrag dat overeenkomt met twee keer het verschil tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd, met dien verstande dat de basisbetaling, vanwege de met ingang van 22 augustus 2016 gewijzigde regelgeving over kortingen, is gekort met een bedrag dat overeenkomt met anderhalf keer het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte. Nu dit verschil tussen beide 89,09% bedraagt, ontvangt appellante geen basisbetaling voor het jaar 2015.

5. Bij het herziene bestreden besluit heeft verweerder het bestreden besluit vervangen door het herziene bestreden besluit en het primaire besluit herroepen. Verweerder heeft niet subsidiabel geachte percelen naar aanleiding van de uitspraak van het College van 11 juli 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:212) opnieuw beoordeeld en alsnog voor een groot deel als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt. Verweerder heeft het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 vastgesteld op € 32.316,44. De eerder toegepaste korting vanwege het verschil in de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte is komen te vervallen.

6. Het College stelt vast dat verweerder met het herziene bestreden besluit niet volledig tegemoetgekomen is aan de bezwaren van appellante, zodat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht wordt mede te zijn gericht tegen het herziene bestreden besluit. Het College zal het herziene bestreden besluit daarom bij de beoordeling van het beroep betrekken. Appellante heeft geen belang meer bij een beoordeling van het beroep gericht tegen het bestreden besluit, zodat het niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

7. Het College stelt vast dat het besluit van 14 april 2016 in rechte is komen vast te staan. Met dit besluit zijn aan appellante 38,10 betalingsrechten toegewezen en is vastgesteld dat appellante 18,56 betalingsrechten huurt door middel van een private overeenkomst. Verweerder is zodoende in het herziene bestreden besluit voor de uitbetaling terecht uitgegaan van 56,66 betalingsrechten. Dat verweerder volgens appellante zelf ook fouten heeft gemaakt en het bestreden besluit heeft herzien, maakt dit niet anders.

8. Het betoog van appellante dat verweerder niet bevoegd was een korting toe te passen en dat die korting in strijd is met het vertrouwensbeginsel mist feitelijke grondslag en faalt reeds om die reden. De korting is immers met het herziene bestreden besluit komen te vervallen.

9. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat zij in aanmerking moet komen voor een vergoeding van de in de bezwaarprocedure gemaakte kosten, moet worden geoordeeld dat dit betoog faalt, omdat zij niet al tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten heeft verzocht en zij dus niet heeft voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb. De kosten van bezwaar komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

10. Voor een proceskostenvergoeding in deze zaak bestaat geen aanleiding, nu reeds in de uitspraak van heden in de zaken 16/1204, 16/1205 en 17/310 een proceskostenveroordeling is uitgesproken voor die drie zaken en onderhavige zaak tezamen.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het herziene bestreden besluit ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2018.

w.g. A. Venekamp w.g. D. de Vries