Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:451

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
17/31
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep tegen maatregel die is opgelegd in verband met de op het bedrijf van appellante geconstateerde bacterie Ralstonia solanacearum is ongegrond

artikel 3 Plantenziektenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/31

32100

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2018 in de zaak tussen

D-Roses B.V., te Klazienaveen, appellante

(gemachtigden: mr. M.R. Plug en mr. drs. M. Buitelaar),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. dr. A. Herczog, mr. drs. P.J. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder in verband met de op het bedrijf van appellante geconstateerde bacterie Ralstonia solanacearum (RS) aan appellante een aantal maatregelen aangezegd om verspreiding hiervan te voorkomen.

Bij besluit van 16 november 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 8 september 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder in verband met de opnieuw op het bedrijf van appellante aangetroffen bacterie RS, in vervolg op en ter vervanging van het primaire besluit 1, een aantal maatregelen aangezegd om verspreiding hiervan te voorkomen.

Bij besluit van 2 december 2016 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 25 mei 2018 heeft appellante, op verzoek van het College, nog nadere opmerkingen gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018. Appellante is bijgestaan door haar gemachtigden. Namens appellante zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] . Verder is namens appellante verschenen [naam 3] , werkzaam als hoofd keuringen bij de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verder zijn namens verweerder verschenen [naam 4] en [naam 5] .

Overwegingen

1.1

Appellante exploiteert een rozenkwekerij en kweekte ten tijde hier van belang rozen van het ras Rosa spp. Haar kas bevat in totaal zes rijen rozen aan weerszijden van een pad. Links van het pad bevinden zich afdelingen 1, 3, 5a en 5b, en rechts van het pad bevinden zich afdelingen 2, 4 en 6.

1.2

Op 2 juni 2016 heeft het laboratorium van het Belgisch Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO), na onderzoek van een door appellante ingestuurd monster van het ras Heaven, besmetting met de bacterie RS geconstateerd en de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) hiervan eind juni 2016 op de hoogte gesteld.

1.3

Naar aanleiding hiervan heeft NVWA het gehele bedrijf van appellante geïnspecteerd en monsters genomen. Tijdens de inspectie op 1 juli 2016 zijn in afdeling 5b van appellante visueel duidelijke symptomen van de bacterie RS waargenomen. In een monster van een plant uit afdeling 5b is door de NVWA de bacterie RS aangetoond.

1.4

In het primaire besluit 1 van 29 juli 2016 heeft verweerder, voor zover thans relevant, een deel van de planten in twee afdelingen (afdeling 5b en een deel van afdeling 6) van het bedrijf van appellante besmet verklaard, de overige planten waarschijnlijk besmet verklaard en op grond de artikelen 3, 4, 5 en 6 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen (Bbso) en artikel 2 van de Regeling bestrijding schadelijke organismen (Rbso) en artikel 11 van de Plantenziektenwet (Pzw) de maatregel aangezegd dat de als besmet aangemerkte planten moeten worden vernietigd op fytosanitair verantwoorde wijze en volgens een door de NVWA goedgekeurde methode op een door NVWA goedgekeurde bestemming en dat de als waarschijnlijk besmet aangemerkte planten uitsluitend mogen worden afgezet als snijbloem, waarna deze ook moeten worden vernietigd. Gebruik als voortkwekingsmateriaal, zoals stek, is niet toegestaan. Appellante heeft de in het primaire besluit 1 als (waarschijnlijk) besmet verklaarde planten geruimd.

1.5

Op 2 augustus 2016 heeft een keurmeester van Naktuinbouw het bedrijf van appellante bezocht en wegens het waarnemen van verdachte verschijnselen, een nieuw monster genomen. In dit monster, van een plant uit afdeling 5a, is wederom de bacterie RS aangetoond.

1.6

Als gevolg daarvan heeft verweerder in het primaire besluit 2 van 8 september 2016, in vervolg op en ter vervanging van de maatregelen in het primaire besluit 1, de planten in afdeling 5a van het bedrijf van appellante tevens besmet verklaard, de overige planten waarschijnlijk besmet verklaard en de maatregelen aangezegd dat de besmet verklaarde planten moeten worden vernietigd op fytosanitair verantwoorde wijze en volgens een door de NVWA goedgekeurde methode op een door NVWA goedgekeurde bestemming, evenals de waarschijnlijk besmet verklaarde planten waarvan, tot daaraan uitvoering wordt gegeven, de snijbloemen mogen worden afgezet voor directe levering aan de consument. Gebruik als voortkwekingsmateriaal, zoals stek, is niet toegestaan. De besmet verklaarde planten zijn op de voorgeschreven wijze geruimd en vernietigd. Appellante heeft de resterende als (waarschijnlijk) besmet verklaarde planten in afdeling 5 vernietigd.

1.7

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.

1.8

Bij het bestreden besluit 1 van 16 november 2016 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard en bij het bestreden besluit 2 van 2 december 2016 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 2 eveneens ongegrond verklaard. Volgens verweerder is er geen manier om de besmette rozenplanten curatief te behandelen tegen de bacterie RS, zodat de maatregelen terecht zijn gericht op de vernietiging van de planten.

2.1

Appellante komt in haar brief van 9 januari 2017, op nader aan te voeren gronden, op tegen het bestreden besluit 2. In haar aanvullende beroepschrift van 8 februari 2018 heeft appellante medegedeeld dat zij zich weliswaar ook niet kan verenigen met het bestreden besluit 1, maar er tevens op gewezen dat haar beroep uitdrukkelijk alleen is gericht tegen bestreden besluit 2. In de kern samengevat betoogt appellante in beroep, na verdere precisering ter zitting, dat de aangezegde maatregelen haar ten onrechte zijn opgelegd en dat het bestreden besluit 2 niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Daartoe voert zij onder meer het volgende aan. Verweerder heeft gelast om de besmette rozen te ruimen, zonder te onderzoeken of er alternatieven waren. Verweerder mocht de contra-expertise, bestaande uit het rapport van Agro Expertisebureau en het proces-verbaal van constateringen van de gerechtsdeurwaarder van 16 september 2016, niet, zoals nu is gebeurd, zonder enige motivering passeren. Daarnaast is verweerder voorbijgegaan aan de positieve productieresultaten en de goede kwaliteit van het gewas van appellante ten tijde van het aanzeggen van de maatregelen. Bovendien kan uit onderzoek van de Universiteit Wageningen worden afgeleid dat de overlevingskansen van de bacterie RS in de loop van de tijd afnemen, meer in het bijzonder bij lage temperaturen. Om die reden is de maatregel tot onmiddellijke ontruiming onevenredig. Voorts voert appellante aan dat in vergelijkbare omstandigheden bij een andere rozenkweker, in Heerhugowaard, naar aanleiding van wiens beroep het College op 25 januari 2018 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:CBB:2018:13), pas maanden na aantonen van besmetting met de bacterie RS maatregelen zijn aangezegd. Appellante had haar schade kunnen beperken als de maatregelen haar ook pas maanden na aantonen van de besmetting met de bacterie RS waren aangezegd. Na enkele maanden zou zijn gebleken welke planten niet besmet waren met de bacterie RS, zodat appellante de rozen van die planten nog had kunnen verkopen.

2.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestreden besluiten op goede gronden zijn genomen. De maatregelen zijn genomen naar aanleiding van de geconstateerde besmetting met de bacterie RS. Bij een geconstateerde besmetting heeft verweerder niet de mogelijkheid om een deel van de planten waarop de bacterie is aangetroffen uit te zonderen. Bovendien is de stelling van appellante dat het plantmateriaal voorafgaand aan de ruimingen onverminderd goed was onjuist. In het proces-verbaal van de deurwaarder is tevens geconstateerd dat er sprake is van insterfte en/of uitsterfte in de te ruimen partij. Daarbij komt dat het rapport en het proces-verbaal slechts zien op de visuele aspecten van de planten, welke de uitslagen van de laboratoriumonderzoeken van het Nationaal Referentie Centrum (NRC) en de Nederlandse Algemene Keuringsdienst (NAK) niet kunnen weerleggen.

3.1

In dit geding is de volgende wet- en regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 (Fytorichtlijn) stelt elke lidstaat de Commissie en de andere lidstaten onverwijld schriftelijk in kennis van, voor zover thans van belang, het voorkomen van in bijlage I, deel A, rubriek II, genoemde schadelijke organismen op een deel van zijn grondgebied waar de aanwezigheid ervan tot dan toe niet bekend was. In die bepaling is verder vermeld dat de lidstaat alle noodzakelijke maatregelen neemt om de schadelijke organismen uit te roeien of, indien dat niet mogelijk is, in te dijken. De bacterie RS is vermeld in voormelde bijlage, Rubriek II: “schadelijke organismen waarvan bekend is dat zij in de gemeenschap voorkomen en die risico's opleveren voor de gehele gemeenschap”, onder c: “Bacteriën”, onder 2: “Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al.”

Plantenziektenwet (Pzw)

artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

e. "schadelijke organismen": voor planten of plantaardige produkten schadelijke organismen van dierlijke of plantaardige aard, alsmede virussen, mycoplasma's, viroïden, rickettsia’s of andere ziekteverwekkers; (…)

artikel 3

1. Ter voorkoming van het optreden en van de verbreiding van schadelijke organismen en ter bestrijding daarvan kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld omtrent:

a. het telen, oogsten en rooien van planten, het geven van een bepaalde bestemming aan planten of plantaardige produkten en het kenmerken, onder verzegeling brengen, bewaren, voorhanden of in voorraad hebben, verhandelen, verplaatsen, vervoeren, bewerken, behandelen en vernietigen of anderszins onschadelijk maken van planten en plantaardige produkten, daarvoor gebruikt verpakkingsmateriaal, schadelijke organismen, grond of andere cultuurmedia en resten daarvan en afval van planten en plantaardige produkten;

(…)

2 Onze Minister is bevoegd in het belang van de bestrijding van schadelijke organismen regelen, als in het eerste lid bedoeld, te stellen voor een termijn van ten hoogste vier maanden.

3 Indien een onmiddellijke voorziening geboden is, is Onze Minister bevoegd om, voor een termijn van ten hoogste vier maanden, ten aanzien van individuele gevallen voorschriften te geven betreffende hetgeen in het eerste lid is vermeld.

Besluit bestrijding schadelijke organismen (Bbso)

artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. partij: hoeveelheid planten of plantaardige produkten, al dan niet met aanhangende grond of andere cultuurmedia, of resten daarvan of afval van deze planten of plantaardige produkten; (...)

c. een door schadelijk organisme aangetaste partij: een partij waarop of waarin op enigerlei wijze een schadelijk organisme voorkomt; (...)

artikel 3

1. De eigenaar of houder van een partij, aan wie door Onze Minister is medegedeeld, dat die partij geheel of gedeeltelijk door een schadelijk organisme is aangetast of verdacht wordt daardoor te zijn aangetast, is verplicht overeenkomstig de hem door Onze Minister gedane aanzegging, op de daarbij voorgeschreven wijze en binnen dan wel gedurende de daarbij gestelde termijn:

a. de planten van deze partij te oogsten of te rooien;

b. de planten of plantaardige produkten van deze partij een door Onze Minister bepaalde bestemming te geven, of

c. deze partij, het daarvoor gebruikte verpakkingsmateriaal of de schadelijke organismen afkomstig van deze partij te bewaren, te verplaatsen, te vervoeren, te bewerken, te behandelen of te vernietigen of anderszins onschadelijk te maken.

(...)

3.2

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef, van het Bbso is de verdenking dat een partij geheel of gedeeltelijk door een schadelijk organisme is aangetast, voldoende om de in dit artikel genoemde maatregelen te mogen nemen, waaronder de aanzegging door verweerder om de planten van deze partij te oogsten of te rooien en deze partij te vernietigen of anderszins onschadelijk te maken.

3.3

Naar aanleiding van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld concludeert het College, gelet op de stukken en het onderzoek ter zitting, dat verweerder op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat deze voldoende waren voor de aanwezigheid van de in artikel 3 Bbso bedoelde besmetting, onderscheidenlijk verdenking, en derhalve in beginsel grondslag boden voor het nemen van de aan appellante aangezegde maatregelen. Het rapport van Agro Expertisebureau en het proces-verbaal van constateringen van de gerechtsdeurwaarder van 16 september 2016 behoefden verweerder niet tot een ander oordeel te leiden. Nog geheel daargelaten dat dit rapport en proces-verbaal slechts zien op de visuele aspecten van de planten, maken immers ook deze bescheiden, onder meer, melding van waarneembare besmetting met RS onderscheidenlijk in- en/of uitsterfte. Dat verweerder, tegen de achtergrond van de, op laboratoriumproeven gebaseerde, bevindingen van de NVWA en de Naktuinbouw in het bestreden besluit 2 heeft volstaan met te overwegen dat bedoeld rapport en proces-verbaal aan de uitslagen van onderzoeken van eerstgenoemde instellingen niet afdoen, geeft geen blijk van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit 2 en levert hier evenmin een motiveringsgebrek op. Het door appellante ontwikkelde betoog faalt.

3.4

Het College is, in navolging van zijn uitspraak van 25 januari 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:13, rechtsoverweging 3.4), van oordeel dat het betoog van appellante, dat de maatregel tot onmiddellijke ruiming onevenredig is, niet kan slagen. Verweerder wijst erop dat hij op grond van de Fytorichtlijn was gehouden om maatregelen te nemen om de op het bedrijf van appellante aanwezige bacterie RS uit te roeien of, indien dat niet mogelijk is, verspreiding ervan te voorkomen. Minder verstrekkende maatregelen waren, aldus verweerder, dan ook niet mogelijk. Het College ziet geen aanleiding verweerder in voormeld standpunt niet te volgen. Ter beoordeling staat of verweerder, gelet op enerzijds de ernst van (mogelijke) schade veroorzaakt door de bacterie RS en anderzijds de bezwaarlijkheid van de door appellante te nemen maatregelen van het opleggen van de onderhavige maatregelen had moeten afzien. Hoewel het voldoen aan de aangezegde maatregelen voor appellante ontegenzeggelijk bezwaarlijk was, weegt hetgeen verweerder heeft gesteld omtrent de risico’s van de bacterie RS dermate zwaar dat de maatregelen hierdoor kunnen worden gerechtvaardigd. Dat de overlevingskansen van de bacterie RS in de loop van de tijd afnemen, meer in het bijzonder bij lage temperaturen, doet aan het vorenstaande niet af.

3.5

Voor zover appellante heeft willen betogen dat de maatregel tot onmiddellijke ruiming in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat in vergelijkbare omstandigheden bij een andere rozenkweker pas maanden na aantonen van besmetting met de bacterie RS maatregelen zijn aangezegd, slaagt deze beroepsgrond evenmin. Die enkele omstandigheid biedt onvoldoende grondslag om aan te nemen dat verweerder in het door appellante aangeduide geval handelde volgens een vaste gedragslijn. Appellante kon op zo’n behandeling in haar geval dan ook geen aanspraak maken, te minder nu, naar uit het voren overwogene blijkt, dat en waarom spoedig ingrijpen door verweerder hier onontkoombaar was.

4. Het voorgaande voert tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018.

w.g. R.R. Winter w.g. L. ten Hove