Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:445

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
17/1324
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB; geen aanvraag tot uitbetaling gedaan; kennelijke fout niet aan de orde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1324

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2018 in de zaak tussen

[naam] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: J.C. van Norden),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. P. Noorloos en mr. L. Anvelink).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 24 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de kant van appellante is ook een van de vennoten verschenen, [naam] .

Overwegingen

1. De landbouwer die in aanmerking wil komen voor uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetaling moet daartoe bij verweerder een aanvraag indienen. Daarbij moet gebruik worden gemaakt van de verzamelaanvraag (zie artikel 4.2 van de Uitvoeringsregeling). De uiterste datum voor het indienen van die aanvraag voor het jaar 2016 is 15 mei 2016, zo volgt uit artikel 4.2, derde lid, van de Uitvoeringsregeling. Bij een aanvraag om uitbetaling na die uiterste datum wordt, behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden, een verlaging per werkdag toegepast op de bedragen waarop de begunstigde recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend, zo volgt uit artikel 13, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014). Wordt de termijn met meer dan 25 kalenderdagen overschreden, dan wordt de aanvraag niet‑ontvankelijk geacht en wordt geen steun verleend.

2. Appellante heeft op 23 mei 2016 een Gecombineerde opgave 2016 bij verweerder ingediend. Het formulier voor die opgave bevat een rubriek Regelingen, waarbij als toelichting wordt gegeven: "Geef hieronder aan voor welke regelingen u in 2016 in aanmerking wilt komen, of waarvoor u uitbetaling wilt aanvragen". De rubriek bestaat uit drie onderdelen: Betalingsrechten, Toekenning uit Nationale reserve en Overige regelingen. Bij het onderdeel Betalingsrechten staat één mogelijkheid: 'Uitbetaling Betalingsrechten en Vergroeningsbetaling', met daarachter de vakjes ja en nee. Appellante heeft hier nee aangekruist, zoals zij eveneens bij de andere onderdelen heeft ingevuld. Verweerder heeft zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat appellante aldus in de Gecombineerde opgave 2016 niet heeft gevraagd om uitbetaling.

3. Appellante heeft bij brief van 21 maart 2017 verzocht de Gecombineerde opgave 2016 te wijzigen, en alsnog om uitbetaling van de betalingsrechten en vergroeningsrechten verzocht. Zij beroept zich er daarbij op dat zij een kennelijke fout heeft gemaakt. Het College wijst er echter op dat wijziging van de Gecombineerde opgave vanwege een kennelijke fout pas aan de orde is als een steunaanvraag is ingediend. Dit volgt uit artikel 4 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014). Appellante heeft in de Gecombineerde opgave 2016 geen aanvraag gedaan. Daarom is wijziging van de Gecombineerde opgave en uitbetaling op basis van een kennelijke fout niet aan de orde (zie ook de uitspraak van het College van 6 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:68).

4. Het verzoek van 22 maart 2017 om tot uitbetaling uit te gaan, is na de uiterste datum van 15 mei 2016 ingediend, en na de aansluitende termijn van 25 kalenderdagen. Verweerder was dus gehouden de aanvraag van appellante af te wijzen.

5. Appellante heeft betoogd dat het elektronische formulier voor het doen van de verzamelaanvraag een ondeugdelijk middel is, omdat er geen controlemechanisme is. Appellante heeft ter zitting toegelicht dat niet voldoende is dat de Gecombineerde opgave 2016 een samenvatting bevat. Volgens appellante had verweerder haar erop moeten wijzen dat zij geen aanvraag had ingediend, nadat hij de Gecombineerde opgave 2016 van appellante had ontvangen. Aldus wordt een moment van bezinning gecreëerd tussen het indienen van de aanvraag en de controle op de juistheid ervan door appellante. Het College volgt dit betoog niet. Het is de verantwoordelijkheid van appellante als professionele marktdeelnemer die aanspraak wenst te maken op rechtstreekse betalingen om ervoor zorg te dragen dat zij correct en tijdig een aanvraag daartoe indient. Appellante had, indien zij dat wenste, zelf een pauze kunnen inlassen nadat zij de Gecombineerde opgave 2016 had ingevuld, en deze nog even kunnen doornemen voordat zij hem aan verweerder stuurde.

6. Appellante heeft ook betoogd dat verweerder na het indienen van de Gecombineerde opgave 2016 een beschikking had moeten nemen. Daarmee zou verweerder hebben bevestigd dat aan appellante geen uitbetaling zou worden toegekend, waartegen appellante dan bezwaar had kunnen maken. Ook dit betoog volgt het College niet. Verweerder heeft pas een besluit genomen, nadat appellante daar bij brief van 21 maart 2017 om had verzocht. Voorafgaand aan dat verzoek lag er geen aanvraag van appellante. Er is geen rechtsregel op basis waarvan verweerder gehouden was een ambtshalve besluit te nemen.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2018.

w.g. T. Pavićević w.g. M.B.L. van der Weele