Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:436

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
17/1442
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB. Uitbetaling betalingsrechten 2016. Beroepsgronden gericht tegen toekenning betalingsrechten 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1442

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2018 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. A.A. Westers),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Bosma).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.

Bij besluit van 3 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2018. Voor appellante zijn verschenen [naam] en diens echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Bij besluit van 18 december 2015 heeft verweerder aan appellante 107,25 betalingsrechten toegewezen. Bij de vaststelling hiervan is verweerder uitgegaan van 107,25 hectare (ha) geconstateerde subsidiabele landbouwgrond. Eveneens heeft verweerder de waarde van de betalingsrechten voor de periode 2015 tot en met 2019 vastgesteld. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 3 oktober 2016 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2

Het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 18 december 2015, is door verweerder afgewezen bij besluit van 6 juli 2017. Bij besluit van 31 oktober 2017 heeft verweerder het bezwaar daartegen van appellante ongegrond verklaard.

1.3

Appellante heeft op 13 mei 2016 een Gecombineerde opgave 2016 bij verweerder ingediend en hierin verzocht om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2016. Appellante heeft daarbij 19 percelen landbouwgrond voor uitbetaling opgegeven met een oppervlakte van in totaal 115,66 ha.

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerder een bedrag van € 37.069,64 vastgesteld aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016. Daarbij heeft verweerder 107,25 ha in aanmerking genomen voor de berekening van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 en is hij ervan uitgegaan dat appellante beschikt over 107,25 betalingsrechten.

1.5

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante geen hogere uitbetaling kan ontvangen, omdat zij op de peildatum 15 mei 2016 niet over meer betalingsrechten beschikt. Bij de uitbetaling voor 2016 is verweerder uitgegaan van het bij besluit van 18 december 2015 toegewezen aantal betalingsrechten van 107,25 en dit besluit is inmiddels in rechte komen vast te staan.

2. In beroep heeft appellante aangevoerd dat zij uit het besluit van 18 december 2015 niet heeft kunnen afleiden dat de toekenning van het aantal betalingsrechten over het jaar 2015 ook leidend was voor de jaren daarna. Als dit wel duidelijk was geweest, dan had zij daartegen bezwaar kunnen maken. Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij bij het invullen van de Gecombineerde opgave 2015 er niet door verweerder op is gewezen dat met het invullen van de code ‘tijdelijk onbeteelde grond’ haar betalingsrechten voor de volgende vijf jaar zouden komen te vervallen. Appellante stelt dat zij voldoet aan alle voorwaarden om voor betalingsrechten in aanmerking te komen, maar zij door een hiaat in het systeem, dan wel de wet- en regelgeving, deze (ten onrechte) niet toegewezen kan krijgen.
3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de toewijzing van betalingsrechten in 2015 voor de periode 2015 tot en met 2019 volgt uit het wettelijk stelsel. Verweerder heeft appellante daarover ook op verschillende manieren geïnformeerd. Appellante, als professionele landbouwer, wist dan wel behoorde te weten dat in het jaar waarin de betalingsrechten zouden worden toegewezen voor de periode 2015 tot en met 2019, voor percelen met tijdelijk onbeteelde grond geen betalingsrechten zouden worden toegewezen. Als voor appellante de beslissing van 18 december 2015, waarbij aan haar 107,25 betalingsrechten zijn toegewezen, onvoldoende duidelijk was en/of zij bezwaren had tegen die beslissing, dan had het op haar weg gelegen dit eerder en tijdig telefonisch en/of schriftelijk aan te geven. Appellante heeft dit nagelaten. De beslissing met betrekking tot het toekennen van betalingsrechten staat dan ook in rechte vast.

4. Het College komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Het College stelt allereerst vast dat, anders dan appellante heeft gesteld, het beroepschrift van 14 september 2017, waarvan de gronden bij brief van 17 november 2017 zijn ingediend, uitsluitend is gericht tegen het bestreden besluit en niet mede is gericht tegen het besluit van 31 oktober 2017, dat betrekking heeft op het verzoek terug te komen van het besluit van 18 december 2015. In de brief van 17 november 2017 heeft appellante aangegeven thans de gronden van het beroep in te dienen. Meer in het bijzonder heeft zij daarin aangegeven dat het bestreden besluit in geschil is, uiteengezet waarom zij het daarmee niet eens is en verzocht het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. In de brief van 17 november 2017 merkt appellante voorts op dat verweerder inmiddels het besluit van 31 oktober 2017 heeft genomen en kondigt zij aan daartegen beroep te zullen instellen, maar dat betekent niet dat zij daartegen ook beroep heeft ingesteld.

4.2

Hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd komt er in de kern op neer dat zij het niet eens is met het in het besluit van 18 december 2015 vastgestelde aantal betalingsrechten. Dit besluit van 18 december 2015 staat echter in rechte vast, zodat daarvan moet worden uitgegaan. Verweerder is bij de beoordeling van het verzoek om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2016 dan ook terecht ervan uitgegaan dat appellante beschikt over 107,25 betalingsrechten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd kan dan ook geen reden worden gevonden om te oordelen dat het bestreden besluit onrechtmatig is.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. L.N. Nijhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2018.

w.g. A. Venekamp w.g. L.N. Nijhuis