Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:435

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
16/1088, 17/1464 en 17/1465
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB. Toewijzing en (herberekening) uitbetaling betalingsrechten 2015. Nationale reserve. Jonge landbouwer. Oppervlakte vastgestelde percelen. 2%-marge. Stukgelopen perceel, voorlichting, vertrouwensbeginsel. Sloot met talud. Uitbetaling betalingsrechten 2016. Proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/1088, 17/1464 en 17/1465

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2018 in de zaken tussen

V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. drs. C.C.J. Hartendorf),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S. van Rijn).

Procesverloop

16/1088


Bij besluit van 25 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante betalingsrechten uit de Nationale Reserve voor jonge landbouwers toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).


Bij besluit van 12 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Het aantal betalingsrechten is ongewijzigd vastgesteld.


Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 april 2017 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit gedeeltelijk herzien en is het aantal betalingsrechten gewijzigd vastgesteld.

Appellante heeft op het wijzingsbesluit gereageerd.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


17/1464

Bij besluit van 10 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling), de vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2015 opnieuw vastgesteld vanwege gewijzigde gegevens.

Bij besluit van 4 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het besluit van 10 januari 2017 herroepen en een bedrag van € 10.826,83 vastgesteld aan basisbetaling en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2015.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij besluit van 18 december 2017 (wijzigingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd, in die zin dat alsnog aan appellante proceskosten zijn toegekend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

17/1465

Bij besluit van 17 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling), de vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling.

Bij besluit van 31 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gegrond verklaard en dat besluit herroepen en een bedrag van € 12.942,38 vastgesteld aan basisbetaling en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2016.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2018. Namens appellante is verschenen [naam 2] , een van haar vennoten, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen


16/1088

1. Appellante heeft met het doen van haar Gecombineerde opgave 2015 de toekenning en uitbetaling van betalingsrechten uit de Nationale Reserve voor jonge landbouwers aangevraagd. Zij heeft hiertoe 17 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 24,02 ha.

2. In geschil is de door verweerder vastgestelde oppervlakte van een aantal percelen van het veehoudersbedrijf van appellante. Appellante meent dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van een aantal percelen te klein heeft vastgesteld.

3. Hangende beroep heeft verweerder bij het wijzigingsbesluit het aantal betalingsrechten opnieuw vastgesteld en aan appellante 23,62 betalingsrechten toegewezen. Daarbij is verweerder uitgegaan van 23,62 ha geconstateerde subsidiabele landbouwgrond. Voorts is alsnog een dwangsom aan appellante toegekend van € 370,-. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit.

4. Naar aanleiding van het wijzigingsbesluit, waarbij verweerder onder meer heeft besloten dat perceel 17 alsnog subsidiabel moet worden geacht, heeft appellante aangegeven dat perceel 17 niet langer in geschil is.

5. Wat betreft de percelen 12, 13 en 16 stelt het College, in navolging van verweerder, vast dat voor elk van deze percelen het verschil in de door appellante aangevraagde oppervlakte en de door verweerder vastgestelde maximaal subsidiabele oppervlakte van de referentiepercelen minder dan 2% bedraagt. Appellante heeft dit niet betwist. Zoals het College in de uitspraak van 29 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:197 heeft geoordeeld, mag verweerder bij een verschil van minder dan 2% uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van dat verschil. Gelet hierop mocht verweerder uitgaan van de juistheid van de door hem vastgestelde oppervlakte van de percelen 12, 13 en 16. Dat betekent dat in dit geding de (subsidiabele) oppervlakte van de percelen 4, 8 en 14 nog aan de orde is.

6.1

Ten aanzien van perceel 4 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit perceel niet kan worden aangemerkt als landbouwareaal. Uit de luchtfoto’s van de percelen leidt verweerder af dat er geen gewas staat. Om die reden is er geen sprake van bouwland, blijvend gras- of weiland of grond voor blijvende teelten als bedoel in artikel 4, eerste lid, onder e, van de Verordening 1307/2013.

6.2

In het door appellante ingenomen standpunt dat er op perceel 4 het jaar rond paarden lopen, die het perceel ‘zwart lopen’, maar er anders gras zou groeien, en het perceel om die reden als subsidiabel landbouwareaal moet worden aangemerkt, ziet het College geen aanleiding om het standpunt van verweerder onjuist te achten. Daarvoor is het volgende redengevend. Op grond van artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (Verordening 1307/2013) wordt onder een subsidiabele hectare verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit. Om voor betalingsrechten in aanmerking te komen, is dus onvoldoende dat grond voor landbouwactiviteiten, zoals begrazing door vee, wordt gebruikt. De grond moet ook landbouwareaal zijn. Landbouwareaal is gelet op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013 om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten. Naar het oordeel van het College is het op basis van de luchtfoto’s van perceel 4 over de jaren 2012 tot en met 2015 duidelijk zichtbaar dat er al jaren geen sprake is van enige begroeiing met gras. Het is dan ook niet aannemelijk dat dit perceel wordt gebruikt voor landbouwactiviteiten.

6.3

Appellante heeft zich met betrekking tot perceel 4 voorts nog op het standpunt gesteld dat haar in een voorlichting door een medewerker van verweerder, [naam 3] , is medegedeeld dat zij het ‘stukgelopen’ perceel als grasland moest opgeven. Deze mededeling is haar later nog schriftelijk bevestigd. Gelet op deze mededelingen en toezeggingen van verweerder mocht zij erop vertrouwen dat zij in aanmerking zou komen voor betalingsrechten.

6.4

Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 december 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:489), kan op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie het vertrouwensbeginsel niet tegen een duidelijke Unierechtelijke bepaling worden aangevoerd en kan een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het Unierecht belaste nationale autoriteit bij een marktdeelnemer geen gewettigd vertrouwen op een met het Unierecht strijdige behandeling opwekken (zie het arrest van 20 juni 2013, zaak C‑568/11, Agroferm, ECLI:EU:C:2013:407, punt 52 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit betekent dat appellante niet in weerwil van de door artikel 24 van Verordening 1307/2013 gestelde voorwaarden op basis van mededelingen en toezeggingen van de RVO, wat daar ook van zij, toch in aanmerking kan worden gebracht voor betalingsrechten voor perceel 4.

7.1

Met betrekking tot perceel 8 heeft verweerder op basis van de luchtfoto vastgesteld dat aan de noordzijde van dat perceel een sloot ligt met een talud en appellante een gedeelte van dat talud heeft ingetekend. Omdat het talud de functie heeft van water aan- en afvoer is het geen onderdeel van het perceel landbouwgrond. Om die reden heeft hij de perceelgrens op de insteek van de sloot gelegd.

7.2

Appellante heeft gesteld dat verweerder bij het vaststellen van de perceelgrenzen schijnbaar sterk heeft ingezoomd, waardoor er een vertekend beeld ontstaat en om die reden een deel van het perceel ten onrechte is afgekeurd. Met deze stelling heeft appellante naar het oordeel van het College onvoldoende betwist dat verweerder de perceelgrens niet op de insteek van de sloot heeft mogen leggen. Daarbij komt dat, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, dat het College verweerders systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen (de AAN-laag), toereikend heeft geacht (zie de uitspraak van 29 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:197).

8.1

Ten aanzien van perceel 14 heeft appellante aangevoerd dat verweerder het bestreden besluit in strijd met het verbod van reformatio in peius heeft genomen, omdat verweerder na bezwaar het perceel 0,01 ha kleiner heeft vastgesteld.

8.2

Het College overweegt dienaangaande dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat verweerder in de bezwaarschriftprocedure wijzigingen ten nadele van de indiener aanbrengt indien de bevoegdheid daartoe ook buiten het kader van de bezwaarschriftprocedure bestaat.

Verweerder heeft in dat kader terecht gewezen op de uitspraak van het CBB van 20 maart 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ7854.

9. Gelet op het voorgaande kan in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden worden gevonden om het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond.


17/1464

10. Het geschil in deze zaak gaat over de herberekening van de uitbetaling voor het jaar 2015 van de betalingsrechten (basisbetaling), vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwers, die verweerder aan appellante heeft toegewezen. Appellante meent dat zij in aanmerking komt voor een hoger bedrag aan basisbetaling, vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwers, omdat verweerder ten onrechte de subsidiabele oppervlakte van de percelen 4, 8, 12, 13, 14 en 16 te klein heeft vastgesteld. Zij heeft daartoe dezelfde gronden aangevoerd als in zaak 16/1088.

11. Zoals het College hiervoor heeft geoordeeld, is de omvang van de toewijzing van betalingsrechten van de percelen 4, 8, 12, 13,14 en 16 bij het (gewijzigde) bestreden besluit in zaak 16/1088 niet onrechtmatig, zodat verweerder in het bestreden besluit voor de uitbetaling voor het jaar 2015 terecht van dit aantal betalingsrechten is uitgegaan.

12. Met betrekking tot de stelling van appellante dat zij tijdens de hoorzitting onzorgvuldig is gehoord en het verslag van de hoorzitting onvolledig is, overweegt het College dat het verslag van de hoorzitting weliswaar summier is, maar dat daar niet zonder meer uit kan worden afgeleid dat appellante niet afdoende is gehoord door verweerder. Voor zover daarvan al sprake zou zijn en aangenomen zou moeten worden dat er op dit punt een gebrek aan het bestreden besluit kleeft, ziet het College aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Daartoe is van belang dat appellante in beroep schriftelijk en mondeling ter zitting de gelegenheid heeft gehad haar standpunt en belangen nader toe te lichten en te onderbouwen, zodat aannemelijk is dat appellante niet is benadeeld door een mogelijke schending van de hoorplicht door verweerder.

13. Gezien het voorgaande moet het beroep tegen het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit ongegrond worden verklaard.

17/1465

14. In deze zaak heeft appellante met betrekking tot de uitbetaling voor het jaar 2016 van de betalingsrechten (basisbetaling) en vergroeningsbetaling, evenals in zaak 17/1464, dezelfde gronden aangevoerd als in zaak 16/1088. Nu gesteld noch gebleken is dat ten aanzien van de in geschil zijnde percelen voor het jaar 2016 sprake is van een gewijzigde situatie met betrekking tot die percelen, is verweerder in het bestreden besluit voor de uitbetaling voor het jaar 2016 terecht van het aantal betalingsrechten uitgegaan zoals deze zijn vastgesteld bij het (gewijzigde) bestreden besluit in zaak 16/1088. Voor de motivering van dit oordeel verwijst het College naar het hiervoor overwogene.

15. Appellante heeft aangevoerd dat verweerder de hoogte van de dwangsom onjuist heeft vastgesteld. In het verweerschrift heeft verweerder erkend dat de dwangsom te laag is vastgesteld, heeft hij deze alsnog op € 780,- bepaald en gesteld dat het ten onrechte niet aan appellante uitbetaalde bedrag alsnog aan haar voldaan is. Het College stelt vast dat daarmee tegemoet is gekomen aan het door appellante geëiste, zodat deze grond geen verdere bespreking behoeft.

16. Verweerder heeft bij de begroting van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in bezwaar de zaak als ‘licht’ aangemerkt en wegingsfactor 0,5 toegepast. Dit heeft geresulteerd in een proceskostenvergoeding van in totaal € 496,- (één punt voor het indienen van het bezwaarschrift en één punt voor het verschijnen op de hoorzitting, wegingsfactor 0,5 en € 496,- per punt). Appelante kan zich niet vinden in de hoogte van de toegekende proceskosten in bezwaar. Zij stelt zich op het standpunt dat sprake is van een zaak van gemiddeld gewicht en de proceskosten derhalve ten onrechte zijn gehalveerd. Ter zitting heeft appellante nog aangevoerd dat verweerder haar in de bezwaarfase heeft verzocht om een nadere reactie, zij hieraan tegemoet is gekomen en verweerder bij het vaststellen van de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand hier ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden.

17. Als uitgangspunt heeft te gelden dat behandeling van een zaak in de bezwaarprocedure in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken. Een andere wegingsfactor dan 1 wordt slechts gehanteerd bij een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak. Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan sprake is van de categorie licht of zeer licht, moet het bestuursorgaan dit motiveren. Met de verwijzing naar de omstandigheid dat er in deze zaak -gelet op hetgeen reeds aan de orde is geweest in (bezwaar)zaak 16/1088 - geen sprake is van een juridisch inhoudelijk geschil en het besluit enkel een nieuwe berekening behelst als gevolg van een wijziging in de toekenning van de betalingsrechten 2015 heeft verweerder naar het oordeel van het College afdoende onderbouwd waarom de wegingsfactor van de behandeling van deze zaak in afwijking van de categorie gemiddeld als licht is te kwalificeren. Voorts is het College van oordeel dat appellante de eerst ter zitting bij het College naar voren gebrachte grond, dat een op verzoek door verweerder door haar gegeven inhoudelijke reactie in bezwaar een voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling is, tardief naar voren heeft gebracht en dat deze buiten beschouwing dient te blijven. Daarbij overweegt het College dat niet valt in te zien dat appellante deze nieuwe grond niet eerder in beroep had kunnen formuleren, zodat verweerder voldoende gelegenheid was geboden om zijn verdediging hierop in te richten.

18. Gelet op het voorgaande kan in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden worden gevonden om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond.

19. Het College veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante, gelet op de door verweerder na het instellen van de beroepen genomen wijzigingsbesluiten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 0,5 punt voor repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De beroepen zijn daarbij beschouwd als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

Beslissing

Het College:

- verklaart in de zaak 16/1088 het beroep tegen het bestreden besluit en het

wijzigingsbesluit ongegrond;

- verklaart in de zaak 17/1464 het beroep tegen het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit ongegrond;

- verklaart in de zaak 17/1465 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 1000,- (€ 333,- in de zaak 16/1088, € 334,- in de zaak 17/1464 en € 333,- in zaak 17/1465) aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.252,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. L.N. Nijhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2018.

w.g J.A. Hagen w.g. L.N. Nijhuis