Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:424

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
17/428
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB. Uitbetaling basisbetaling en vergroeningsbetaling. Perceel ingezaaid met hennep. Ecologisch aandachtsgebied. Akkerrand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/428

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 augustus 2018 in de zaak tussen

de vennootschap onder firma [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van Helvoort-Noorloos en mr. C. Cromheecke).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 7 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling en een extra betaling voor jonge landbouwers voor 2015 opnieuw vastgesteld.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Ter zitting heeft het College het onderzoek geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld zijn standpunt te onderbouwen.

Bij brief van 12 maart 2018 heeft verweerder het verweerschrift van 20 december 2017, met bijlagen, alsnog ingediend en een nader standpunt ingenomen. Appellante heeft daarop bij brief van 22 maart 2018 gereageerd.

Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht op een nadere zitting te worden gehoord, binnen de daartoe door het College gestelde termijn van twee weken, verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. Daarop heeft het College bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft op 11 mei 2015, gewijzigd op 11 juni 2015, een Gecombineerde opgave bij verweerder ingediend waarin zij om toewijzing van de betalingsrechten en uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 heeft verzocht. Hierbij heeft appellante aangegeven dat perceel 21 een oppervlakte heeft van 4,42 ha en dat zij dit perceel zal inzaaien met hennep met de verwachte inzaaidatum van 11 mei 2015, ras Uso-31 met een hoeveelheid van 33 kg/ha en dat zij 7 officiële etiketten van het zaaizaad zal overleggen.

1.2

Bij besluit van 14 april 2016 heeft verweerder aan appellante 34,50 betalingsrechten voor 2015 toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling. Bij beslissing op bezwaar van 17 februari 2017 heeft verweerder dit besluit herroepen en aan appellante 34,92 betalingsrechten voor 2015 toegewezen. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder een bedrag ter hoogte van € 37.548,89 als basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 vastgesteld en de aanvraag voor de extra betaling jonge landbouwers afgewezen. Hierbij heeft verweerder 33,88 ha voor de basisbetaling en 32,74 ha voor de vergroeningsbetaling in aanmerking genomen van de door appellante opgegeven 34,35 ha.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan appellante alsnog de extra betaling jonge landbouwers toegekend en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 vastgesteld op € 39.201,15. Ten aanzien van perceel 21 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellante in de Gecombineerde opgave heeft ingevuld dat perceel 21 met 33 kg per ha zaaizaad hennepvezel ingezaaid zal worden. Appellante heeft zeven officiële etiketten overgelegd van zakken van 20 kg zaaizaad. Voor het uitbetalen van de rechtstreekse betalingen op een hennepperceel is het totaal aantal kilogram te zaaien zaaizaad gelijk aan de geconstateerde oppervlakte van het desbetreffende perceel vermenigvuldigd met de zaadbehoefte per hectare. Appellante had conform de Gecombineerde opgave 145,53 kg (4,41 ha als geconstateerde oppervlakte x 33 kg) moeten inzaaien. Uit de bewijsstukken blijkt dat appellante 140 kg (7 etiketten x 20 kg) heeft ingezaaid. Appellante heeft dan ook te weinig zaaizaad ingezaaid, waardoor verweerder een korting op de uitbetaling heeft opgelegd. Verweerder heeft ten aanzien van perceel 21 de voor uitbetaling beschikbare geconstateerde oppervlakte berekend op 4,24 ha en om die reden ten aanzien van dat perceel 4,24 betalingsrechten voor de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling meegenomen. Volgens verweerder heeft de fout niet plaatsgevonden bij het invullen van de Gecombineerde opgave, maar bij het daadwerkelijk inzaaien van het perceel. Over de vergroeningsbetaling heeft verweerder uiteengezet dat appellante niet voldoet aan de vergroeningsvoorwaarde van het inrichten van ecologisch aandachtsgebied. Verweerder heeft erop gewezen dat perceel 25 niet als een akkerrand kan worden gezien die ondergeschikt is aan perceel 12 en om die reden niet in aanmerking komt voor invulling van het ecologisch aandachtsgebied.

3. Appellante heeft tegen het bestreden besluit – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Wat betreft perceel 21 heeft zij erop gewezen dat zij dit perceel met in totaal 140 kg zaaizaad volledig heeft ingezaaid met vezelhennep. Zij heeft hiervoor een hoeveelheid van 32 kg per ha gebruikt. Voor de inzaai van vezelhennep geldt een aantal aanvullende voorwaarden maar, geen van deze voorwaarden ziet op een minimaal te gebruiken hoeveelheid zaaizaad. Appellante heeft verweerder verzocht de Gecombineerde opgave te wijzigen van 33 kg per ha naar 32 kg per ha, maar dat heeft verweerder ten onrechte niet gehonoreerd, aldus appellante. Wat betreft perceel 25 heeft zij erop gewezen dat dit perceel niet in combinatie met perceel 12, maar met perceel 11 moet worden bekeken. In dat geval voldoet het aan de voorwaarden van een akkerrand en moet het worden meegenomen als ecologisch aandachtsgebied.

4.1

In verweer en in zijn brief van 12 maart 2018 heeft verweerder het volgende naar voren gebracht. Wat betreft perceel 21 heeft verweerder toegelicht dat voor met hennep ingezaaide percelen voorwaarden gelden, zoals dat het zaad gecertificeerd moet zijn en dat de etiketten van het gebruikte zaaizaad moeten worden overgelegd. Indien het zaaizaad aan de voorwaarden voldoet, beoordeelt verweerder of de henneppercelen voor uitbetaling in aanmerking komen. Voor het uitbetalen van de rechtstreekste betalingen is in dit geval het totaal aantal kilogram te zaaien zaaizaad gelijk aan de geconstateerde oppervlakte van het desbetreffende perceel, vermenigvuldigd met de zaadbehoefte per hectare. Indien een landbouwer te weinig zaaizaad heeft ingezaaid, kan er geen volledige uitbetaling van de basisbetaling volgen en zal een korting worden toegepast. Het aantal gebruikte kilogrammen zaaizaad wordt bepaald aan de hand van de toegezonden etiketten en dat wordt vergeleken met de opgegeven zaadbehoefte. Volgens verweerder is geen sprake van een kennelijke fout. Een verschil tussen de opgegeven te gebruiken kilogrammen zaaizaad en de hoeveelheid zaaizaad waarvoor etiketten zijn overgelegd, hoeft niet te betekenen dat sprake is van een vergissing. Wat betreft perceel 25 stelt verweerder zich, anders dan in het primaire en bestreden besluit, op het standpunt dat dit perceel breder is dan 20 meter en daarom niet als akkerrand kan worden aangemerkt en niet kan meetellen als ecologisch aandachtsgebied.

4.2

In haar nadere reactie heeft appellante het volgende aangevoerd. Wat betreft perceel 25 heeft verweerder zijn standpunt ten aanzien van de breedte van de akkerrand pas bij brief van 12 maart 2018 ingenomen. Verweerder stelt niet meer dat sprake is van een sloot tussen de akkerrand en perceel 11, zodat niet langer in geschil is dat perceel 25 aangemerkt dient te worden als een akkerrand ten opzichte van perceel 11. Appellante stelt voorts dat, voor zover de breedte van de akkerrand een rol kan spelen, de gemiddelde breedte van de akkerrand zo’n 21,3 m bedraagt. Wat betreft perceel 21 betwist appellante de wijze waarop verweerder de subsidiabele oppervlakte van dat perceel 21 ten aanzien van het inzaaien van de hennep heeft vastgesteld. Appellante heeft voldaan aan de zaaizaadbehoefte. Het moment van inzaaien ligt voor het invullen van de Gecombineerde opgave, zodat sprake is van een kennelijke fout bij het invullen van de Gecombineerde opgave en niet bij het inzaaien. Appellante heeft zich vergist: er is sprake van een evidente reken- of typefout, aldus appellante.

5. In geschil is of verweerder terecht de betalingsrechten van perceel 21 niet volledig heeft uitbetaald en of appellante heeft voldaan aan de vergroeningsvoorwaarde van het inrichten van ecologisch aandachtsgebied (EA) met perceel 25.

6.1

Wat betreft perceel 21 overweegt het College als volgt.

6.2

In artikel 32, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) is bepaald dat de steun in het kader van de basisbetalingsregeling aan landbouwers wordt verleend na activering, door middel van een aangifte overeenkomstig artikel 33, lid 1, van een betalingsrecht per subsidiabele hectare in de lidstaat waar het is toegewezen. Elk geactiveerd betalingsrecht geeft recht op de jaarlijkse betaling van het in het kader van dat betalingsrecht vastgestelde bedrag, zulks onverminderd de toepassing van de financiële discipline, de verlaging van betalingen overeenkomstig artikel 11 en van de lineaire verlagingen overeenkomstig artikel 7, artikel 51, lid 2, en artikel 65, lid 2, onder c), van deze verordening, alsmede de toepassing van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013. In het zesde lid is bepaald dat voor de productie van hennep gebruikte arealen slechts subsidiabele hectaren vormen indien het gehalte aan tetrahydrocannabinol van de gebruikte rassen maximaal 0,2 % bedraagt.

6.3

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (Verordening 639/2014), zijn voor de toepassing van artikel 32, zesde lid, van Verordening 1307/2013 voor de productie van hennep gebruikte arealen slechts subsidiabel indien zij zijn ingezaaid met zaad van rassen uit de overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad gepubliceerde gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen die geldt op 15 maart van het jaar waarvoor de betaling wordt toegekend. Het zaad moet zijn gecertificeerd overeenkomstig Richtlijn 2002/57/EG van de Raad.

6.4

Op grond van artikel 17, zevende lid, van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014) bevat de verzamelaanvraag voor overeenkomstig artikel 32, lid 6, van Verordening 1307/2013 voor de productie van hennep gebruikte arealen:

a. a) alle informatie die nodig is voor de identificatie van de met hennep ingezaaide percelen, met een opgave van de gebruikte henneprassen;

b) een opgave van de gebruikte hoeveelheden zaaizaad (kilogram per hectare);

c) de overeenkomstig Richtlijn 2002/57/EG van de Raad, en met name artikel 12 daarvan, op de verpakking van het zaaizaad gebruikte officiële etiketten of andere door de betrokken lidstaat als gelijkwaardig erkende documenten.

6.5

Appellante heeft in haar Gecombineerde opgave opgegeven dat zij 33 kg zaaizaad per hectare van het ras Uso-31 heeft ingezaaid. Niet in geschil is dat appellante perceel 21 heeft opgegeven met een oppervlakte van 4,42 ha en dit perceel heeft ingezaaid met vezelhennep waarvoor zij volgens eigen opgave in totaal 145,53 kg zaaizaad heeft gebruikt. Appellante heeft evenwel slechts zeven etiketten voor elk 20 kg aan verweerder toegezonden en aldus niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 17, zevende lid, van Verordening 809/2014, omdat niet kan worden vastgesteld dat appellante conform haar opgave het betreffende perceel volledig heeft ingezaaid met gecertificeerd zaaizaad.

6.6

Voor zover appellante heeft beoogd een wijziging in haar Gecombineerde opgave te bewerkstelligen wegens een (kennelijke) fout, kan dit niet slagen. In artikel 4 van Verordening 809/2014 is, voor zover hier van belang, bepaald dat steunaanvragen en eventuele door de begunstigde verstrekte bewijsstukken te allen tijde na de indiening ervan mogen worden gecorrigeerd en aangepast in geval van kennelijke fouten die door de bevoegde autoriteit worden erkend op basis van een algemene beoordeling van het specifieke geval en mits de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld. Appellante heeft weliswaar gesteld dat zij een vergissing heeft gemaakt in de zin dat zij in de gecombineerde opgave 31,67 kg/ha of 32 kg/ha had moeten invullen en dat verweerder dit aldus had moeten corrigeren, maar zij heeft deze stellingname niet met concrete feiten onderbouwd. Daarbij is verder van belang dat de opgegeven hoeveelheid van 33 kg/ha geen vreemde hoeveelheid is, zodat verweerder er niet van hoefde uit te gaan dat van een kennelijke fout sprake was.

6.7

Appellante heeft niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 17, zevende lid, van Verordening 809/2013. Verweerder heeft de voor uitbetaling beschikbare oppervlakte van perceel 21 verweerder terecht verlaagd.

7.1

Wat betreft perceel 25 overweegt het College als volgt.

7.2

Ten aanzien van perceel 25 zijn partijen verdeeld over de vraag of dit perceel als een (onbeheerde) akkerrand kan worden aangemerkt en meegenomen kan worden bij de vergroeningsvoorwaarden van de inrichting van een ecologisch aandachtsgebied. Verweerder heeft daarover een nader standpunt ingenomen in zijn brief van 12 maart 2018 en daarmee zijn motivering in het bestreden besluit gewijzigd. Het bestreden besluit komt daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12 (het motiveringsbeginsel) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard. Het College ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten, gelet op het navolgende.

7.3

De vergroeningsbetaling wordt toegekend aan landbouwers die voldoen aan de vergroeningsvoorwaarden. Dit houdt kort gezegd in dat zij de volgende klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken in acht nemen: gewasdiversificatie, het in stand houden van bestaand blijvend grasland, en de aanwezigheid van een ecologisch aandachtsgebied op het landbouwareaal (zie artikel 43, tweede lid, van Verordening 1307/2013). Artikel 46, eerste lid, van Verordening 1307/2013 bepaalt dat, indien het bouwland van een bedrijf meer dan 15 hectare beslaat, de landbouwers ervoor zorgen dat vanaf 1 januari 2015 een areaal dat ten minste 5% vertegenwoordigt van het bouwland van het bedrijf dat de landbouwer overeenkomstig artikel 72, eerste lid, eerste alinea, onder a), van Verordening 1306/2013 heeft aangegeven en, voor zover die gebieden als ecologisch aandachtsgebied worden beschouwd door de lidstaat overeenkomstig het tweede lid van dit artikel bedoelde gebieden, ecologisch aandachtsgebied is. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van deze bepaling beslissen lidstaten – kort gezegd – dat landschapselementen, met inbegrip van elementen die grenzen aan het bouwland van het bedrijf als ecologisch aandachtsgebied moet worden beschouwd.

7.4

Op grond van artikel 45, vierde lid, aanhef en onder e, van Verordening 639/2014 staan landschapselementen ter beschikking van de landbouwer en zijn beschermd in het kader van GLMC 7, RBE 2 of RBE 3 als bedoeld in bijlage II bij Verordening 1306/2013, alsmede akkerranden met een breedte tussen 1 en 20 m waarop geen landbouwproductie plaatsvindt.

7.5

Ter uitvoering van artikel 46, tweede lid, van Verordening 1307/2013 is in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder van de Uitvoeringsregeling vastgelegd dat als ecologisch aandachtsgebied als bedoeld in artikel 46, eerste en tweede lid, van Verordening 1307/2013 wordt beschouwd akkerranden als bedoeld in artikel 45, vierde lid, onderdeel e, van Verordening 639/2014, die zijn gelegen op of direct grenzend aan bouwland. In de toelichting bij de Uitvoeringsregeling is vermeld dat in Nederland als ecologisch aandachtsgebied in aanmerking komen akkerranden op of direct grenzend aan bouwland (als landschapselement). Deze akkerranden mogen tussen de 1 en 20 meter breed zijn en er mag geen productie op plaatsvinden.

7.6

Naar het oordeel van het College volgt uit deze bepalingen dat een (onbeheerde) akkerrand als ecologisch aandachtsgebied wordt aangemerkt als deze akkerrand op of direct grenzend is aan bouwland, tussen de 1 en 20 meter breed is en er geen landbouwproductie op plaats vindt. Als onbestreden staat vast dat de betreffende akkerrand breder is dan 20 meter. Verweerder heeft perceel 25 terecht niet aangemerkt als een akkerrand als hiervoor bedoeld en aldus niet als ecologisch aandachtsgebied in aanmerking genomen.

8. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere reactie met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit ten aanzien van perceel 25;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.252,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. J.A.M. van den Berk en

mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2018.

w.g. A. Venekamp w.g. C.S. de Waal