Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:423

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
16/1273
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag S&O-verklaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2018/1983 met annotatie van Bram de Nies
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1273

27660

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 augustus 2018 in de zaak tussen

Chromalloy Holland B.V., te Tilburg, appellante

(gemachtigde: mr. M.R. Broekema),

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1995 (Wva) een verklaring voor het verrichten van speur- en ontwikkelingswerk (S&O-verklaring) afgegeven en de aangevraagde kosten en uitgaven afgewezen

Bij besluit van 14 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor verweerder is tevens verschenen ing. [naam 1] . Voor appellante zijn tevens verschenen [naam 2] en ir. [naam 3] .

Overwegingen

1. Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een S&O-verklaring voor de periode januari 2016 tot en met maart 2016. Het project ten behoeve waarvan de aanvraag is gedaan, is erop gericht een sterk verbeterd proces te ontwikkelen dat het huidige A12-proces, een poederpackproces dat appellante in de jaren '80 heeft ontwikkeld, kan vervangen. Het te ontwikkelen proces moet minder agressief zijn voor de omgeving en minder bewerkelijk. Doel is een omgevings- en milieuvriendelijker, snel en kwalitatief beter proces. Bij het primaire besluit heeft verweerder de S&O-verklaring afgegeven en de aangevraagde kosten (€ 1.000,-) en uitgaven (€ 1.690.980,-) voor het project afgewezen.

2.1

Tussen partijen is in geschil of de door appellante gevraagde kosten en uitgaven worden aangewend ten behoeve van een prototype van het te ontwikkelen

A12-coatingsproces.

2.2

Volgens appellante is dat niet het geval. Zij heeft aangevoerd dat uit de Wva en de Regeling S&O-afdrachtvermindering (de Regeling) volgt dat verweerder bij de beoordeling van de opgevoerde kosten en uitgaven eerst zal moeten vaststellen of sprake is van speur- en ontwikkelingswerk. Alleen als deze vraag bevestigend beantwoord kan worden, zal verweerder moeten oordelen of de kosten uitsluitend dienstbaar en de uitgaven dienstbaar zijn aan het speur- en ontwikkelingswerk. Appellante meent dat, nu verweerder zonder voorbehoud de aangevraagde uren heeft goedgekeurd, hij vindt dat sprake is van speur- en ontwikkelingswerk. Dat betekent volgens appellante dat artikel 2, aanhef en onder l van de Regeling niet meer van toepassing is. Door de nadruk te leggen op de vraag of sprake is van een "productieve of commerciële betekenis" heeft verweerder feitelijk de beoordeling die noodzakelijk is voor de kwalificatie van de S&O-werkzaamheden toegepast op de kwalificatie van de kosten en uitgaven ten behoeve van de goedgekeurde S&O-werkzaamheden. Appellante heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het voor de beoordeling van de aanvraag niet relevant is of de uitgaven na de periode waarop de aanvraag ziet al dan niet voor commerciële of productieve doeleinden worden ingezet

2.3

Volgens verweerder is een hoofdlijn binnen de Wva dat alle werkzaamheden met betrekking tot de invoering en commercialisatie van nieuwe producten, processen en programmatuur worden uitgesloten. Verweerder heeft een S&O-verklaring verstrekt voor het verrichten van onder meer testwerkzaamheden. Hij heeft de aanvraag voor zover die ziet op kosten en uitgaven afgewezen omdat die betrekking hebben op (proces)onderdelen die gebruikt worden voor de realisatie van een prototype waarmee kan worden aangetoond of het werkingsprincipe van het door appellante te ontwikkelen A12-coatingproces in technische zin voldoet. Volgens verweerder is aannemelijk dat dit prototype voor appellante een commerciële of productieve betekenis kan hebben.

3.1

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder t, ten tweede, van de Wva, worden, voor zover hier van belang, onder kosten verstaan: al hetgeen voor de realisatie van speur- en ontwikkelingswerk van de S&O-inhoudingsplichtige is betaald door de S&O-inhoudingsplichtige voor zover deze betalingen uitsluitend dienstbaar en direct toerekenbaar zijn aan het uitvoeren van speur- en ontwikkelingswerk.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder u, ten derde, van de Wva, worden, voor zover hier van belang, onder uitgaven verstaan; al hetgeen is betaald voor de verwerving van nieuw vervaardigde bedrijfsmiddelen voor zover deze betalingen drukken op de S&O-inhoudingsplichtige en deze bedrijfsmiddelen dienstbaar en direct toerekenbaar zijn aan de realisatie van speur- en ontwikkelingswerk van de S&O-inhoudingsplichtige.

3.2

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder l, van de Regeling wordt tot speur- en ontwikkelingswerk niet gerekend het bouwen van een pilot-plant op productieschaal, dan wel een prototype, zijnde een realisatie van het werkingsprincipe, waarvan aannemelijk is dat het een productieve of commerciële betekenis kan hebben.

3.3

In de toelichting op de Regeling is vermeld dat onderdeel l is aangepast om te verduidelijken wat onder een prototype verstaan wordt en onder welke voorwaarde de werkzaamheden aan een prototype niet als S&O aangemerkt worden. Een prototype wordt omschreven als de realisatie van het werkingsprincipe. Hieronder wordt verstaan een model waarmee wordt aangetoond of het werkingsprincipe van de gekozen oplossing in technische zin voldoet. Wanneer een prototype potentiële commerciële of productieve betekenis heeft, heeft het gebruikerswaarde en valt het bouwen hiervan niet onder de reikwijdte van het S&O-begrip. Vaak zal de eindbestemming van een prototype bepalend zijn of er sprake is van commerciële of productieve betekenis. Een prototype heeft commerciële betekenis als het kan worden verkocht of voor dienstverlening aan (potentiële) klanten kan worden ingezet. Daarbij is niet van belang of er kosten in rekening worden gebracht of worden betaald. Van productieve betekenis is sprake wanneer het prototype als bedrijfsmiddel kan worden ingezet in de eigen productieomgeving.

4.1

Het College stelt het volgende voorop. Uit het wettelijk systeem blijkt dat een aanvrager vooraf in voldoende mate moet specificeren op welke werkzaamheden de aanvraag betrekking heeft (zie de uitspraak van 21 december 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AS2016). Om te kunnen beoordelen of de werkzaamheden waarvoor een verklaring wordt aangevraagd al dan niet onder de werkingssfeer van de Wva vallen, is het voor verweerder dan ook noodzakelijk om van de aanvrager voldoende gegevens te verkrijgen met betrekking tot deze werkzaamheden. Zoals het College al eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juni 2015, ECLI:NL:CBB:2015:213) is bij de beoordeling van een aanvraag allereerst beslissend of uit hetgeen in de aanvraag is beschreven, kan worden afgeleid welke speur- en ontwikkelingswerkzaamheden de aanvrager voornemens is te gaan verrichten. Het is vervolgens aan verweerder om, mocht hij de aanvraag niet of niet ten volle inwilligen, een passende reactie te geven op hetgeen betrokkene in de aanvraag heeft uiteengezet. Wanneer verweerder naar aanleiding van de aanvraag aanleiding ziet nadere informatie bij de aanvrager in te winnen zal hij de aldus verkregen informatie in zijn beschouwingen en bij zijn besluitvorming moeten betrekken.

4.2

Het door appellante ingenomen standpunt dat het verstrekken van een S&O-verklaring voor het project met zich brengt dat de gevraagde kosten en uitgaven voor hetzelfde project niet op grond van artikel 2, aanhef en onder l van de Regeling kunnen worden afgewezen vindt geen steun in de Wva en de Regeling. Hetzelfde geldt voor het standpunt van appellante dat voor de beoordeling van de aanvraag niet relevant is of de uitgaven na de periode waarop de aanvraag ziet al dan niet voor commerciële of productieve doeleinden worden ingezet

4.3

Verweerder heeft appellante naar aanleiding van de aanvraag verzocht te onderbouwen dat het niet gaat om uitgaven en kosten met een productieve of commerciële bestemming. Daarbij heeft hij opgemerkt dat het gezien de hoogte van het bedrag voor hem niet aannemelijk is dat de uitgaven na het aantonen van het werkingsprincipe van het nieuw te ontwikkelen A12-coatingsproces niet ingezet worden voor productieve doeleinden. Appellante heeft in antwoord op deze vraag aangeven dat de uitgaven gedurende de aanvraagperiode niet worden ingezet voor productiedoeleinden. De kosten zullen gedurende de aanvraagperiode niet worden ingezet voor commerciële doeleinden. Het prototype/de bestemming van het prototype zal gedurende de aanvraagperiode geen productieve of commerciële betekenis krijgen. Nu appellante zich in de beantwoording van de vragen heeft beperkt tot de periode waarop de aanvraag ziet - drie maanden - en in een persbericht vanuit het (Amerikaanse) hoofdkantoor van appellante van 2 juni 2016 is vermeld dat de

A12-coatinglijn is geopend voor productiedoeleinden, ziet het College geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat appellante wat betreft de kosten en uitgaven niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet worden ingezet voor productieve of commerciële doeleinden.

5. De conclusie is dat het beroep ongegrond is.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen reden.

Beslissing

Het College verklaard het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. E.R. Eggeraat en mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. L. van Gulick, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2018.

w.g. R.R. Winter w.g. L. van Gulick