Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:415

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-08-2018
Datum publicatie
16-08-2018
Zaaknummer
18/1212
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Besluit tot ambtshalve uitschrijving. Onvoldoende duidelijkheid dat verzoeker geen bestuurder meer was van VHGG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1212

24000

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , verzoeker

en

Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2017 heeft verweerster besloten tot uitschrijving uit het handelsregister van verzoeker als bestuurder van Vereniging van Homburg- en Geneba-gedupeerden (VHGG) per 28 november 2016.

Bij besluit van 28 juli 2017 heeft verweerster, voor zover hier van belang, het door verzoeker gemaakte bezwaar, voor zover het betreft de uitschrijving van verzoeker als bestuurder per 28 november 2016, ongegrond verklaard.

Het College heeft bij zijn uitspraak van 12 juni 2018, ECLI:NL:CBB:2018:285, het beroep tegen het besluit van 28 juli 2017 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard wat betreft de uitschrijving van verzoeker als bestuurder per 29 november 2016, het primaire besluit in zoverre herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 28 juli 2017, voor zover dat is vernietigd.

Bij besluit van 15 juni 2018 (primaire besluit) heeft verweerster ambtshalve besloten tot uitschrijving van verzoeker als bestuurder van VHGG per 28 november 2016.

Bij besluit van 3 juli 2018 (bestreden besluit) heeft verweerster het door verzoeker gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2018. Verzoeker is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. Het verzoek strekt er toe dat de uitschrijving van verzoeker als bestuurder van VHGG per 28 november 2016 wordt opgeheven. Verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met de uitspraak van het College van 12 juni 2018 terwijl niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden. Verweerster maakt daarom misbruik van zijn bevoegdheden en van het bestuursprocesrecht. Verzoeker heeft verder verzocht om een dwangsom op te leggen om te voorkomen dat verweerster opnieuw een besluit neemt dat afwijkt van hetgeen het College in zijn uitspraak van 12 juni 2018 heeft overwogen.

3. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de e-mailberichten van 29 november 2016 duidelijk volgt dat verzoeker is teruggetreden als bestuurder van VHGG, dat ontslagname een eenzijdige rechtshandeling met directe werking is, dat de ontslagname geen bevestiging behoeft en dat niet is gebleken dat verzoeker zijn ontslagname naderhand heeft ingetrokken dan wel dat verzoeker is herbenoemd als bestuurder.

4. Ter beoordeling aan de voorzieningenrechter staat of verweerster terecht tot de ambtshalve uitschrijving van verzoeker als bestuurder van VHGG per 28 november 2016 heeft besloten.

5. Uit vaste rechtspraak van het College, bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 18 april 2018, ECLI:NL:CBB:2018:235, volgt dat gerede twijfel aan de juistheid van in het handelsregister opgenomen gegevens voldoende aanleiding vormt voor verweerster om uit eigen beweging gegevens in onderzoek te nemen, doch dient, nadat dit onderzoek is afgerond, gelet op de omstandigheden van het geval, voldoende duidelijkheid omtrent de onjuistheid van deze gegevens te bestaan, voordat tot wijziging of doorhaling ervan kan worden overgegaan.

6.1

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker door middel van twee e-mailberichten van 29 november 2016 aan de andere leden van het toenmalige bestuur van VHGG te kennen heeft gegeven dat hij bedankt als bestuurslid van VHGG en dat hij in het tweede bericht het bestuur verzoekt om hem als bestuurder uit te schrijven uit het handelsregister. De voorzieningenrechter is met verweerster van oordeel dat hieruit duidelijk volgt dat verzoeker op dat moment ontslag neemt als bestuurder van VHGG en dat die enkele omstandigheid voldoende grondslag zou hebben geboden om verzoeker destijds uit het handelsregister uit te schrijven.

6.2

Het bestuur van VHGG heeft evenwel het verzoek van verzoeker tot uitschrijving niet ingewilligd en heeft daarentegen verzoeker per e-mailbericht van 1 december 2016 te kennen gegeven dat het niet akkoord gaat met het door verzoeker genomen ontslag en dat het bestuur niet over zal gaan tot het laten uitschrijven uit het handelsregister van verzoeker. De voorzieningenrechter is eveneens met verweerster van oordeel dat voor het nemen van ontslag als bestuurder niet noodzakelijk is dat die ontslagname wordt geaccepteerd. In zoverre doet de reactie van het toenmalige bestuur dus niet af aan de op 29 november 2016 door verzoeker afgelegde wilsverklaring. Dat neemt niet weg dat de ontslagname van verzoeker toen niet ter kennis van verweerster is gebracht en ook voor het overige geen externe gevolgen heeft gehad.

6.3

Op 17 december 2016 heeft een algemene ledenvergadering van VHGG plaatsgevonden waarbij verzoeker te kennen heeft gegeven dat hij bereid is door te gaan als bestuurder. Over de mogelijke terugkeer van verzoeker als bestuurder dan wel het mogelijk aanblijven van verzoeker als bestuurder is tijdens deze vergadering gestemd door de leden van VHGG. De uitkomst van deze stemming is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onduidelijk, omdat er twee (en mogelijk zelfs drie) verschillende uitslagen van die stemming zijn. Indien hierover duidelijkheid zou moeten komen zou dat ter beoordeling aan de civiele rechter moeten worden voorgelegd. Op zichzelf kan de voorzieningenrechter verweerster nog volgen dat de notulen van deze ledenvergadering inclusief de correspondentie omtrent de stemuitslag onvoldoende grondslag bieden om uit te gaan van een herbenoeming van verzoeker als bestuurder. Er kan echter wel uit worden afgeleid dat verzoeker al was teruggekomen op zijn besluit tot ontslagname. Gelet op de bewoordingen van de aan de leden voorgelegde voorstellen kregen zij de keuze tussen het laten doorgaan van óf verzoeker als bestuurder samen met door hem aan te zoeken nieuwe (kandidaat-)bestuursleden óf het laten doorgaan van het zittende bestuur behalve verzoeker. Kennelijk ging iedereen binnen de VHGG er van uit dat verzoeker weer c.q. nog steeds lid van het bestuur was. Verder acht de voorzieningenrechter relevant dat ook na deze vergadering verzoeker zelf noch de andere bestuursleden – aangenomen dat zij nog in functie waren, gelet op de ambigue uitkomst van de vergadering met betrekking tot de samenstelling van het bestuur – aan verweerster hebben verzocht verzoeker uit te schrijven als bestuurder.

6.4

Door middel van een op 18 december 2016 gedateerd memo heeft verzoeker aan de leden van VHGG te kennen gegeven dat hij het enig resterend bestuurslid van VHGG is en dat hij daarvoor zijn verantwoordelijkheid zal nemen. Anders dan verweerster is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker hiermee zijn ontslagname van 29 november 2016 expliciet heeft willen herroepen. Het oordeel of aan deze herroeping de betekenis toekomt die verzoeker er nog steeds aan toegekend wenst te zien is aan de civiele rechter. Voorshands kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden uitgesloten dat aan deze verklaring betekenis moet worden toegekend, bezien in samenhang met hetgeen is overwogen in de voorgaande overweging, temeer nu zijn ontslagname op 29 november 2016 tot dan toe intern noch extern effect gesorteerd had. Juist derden te goeder trouw, op wier belang verweerster zich, op zichzelf terecht, steeds beroept in dit geding, worden dan ook niet in hun belang geschaad indien er van wordt uitgegaan dat de ontslagname van verzoeker op 29 november 2016 uiterlijk op 18 december 2016 weer als herroepen moet worden beschouwd. De voorzieningenrechter kan verder niet vaststellen dat de mededeling van verzoeker aan de leden van 18 december 2016 door iemand binnen de VHGG is betwist.

6.5

Eerst naar aanleiding van een op 16 februari 2017 door [naam 2] gedane opgave van de uittreding van verzoeker als bestuurder, naar aanleiding van een ledenvergadering waarvan de rechtsgeldigheid niet vaststaat, heeft verweerster op 28 februari 2017 besloten tot uitschrijving uit het handelsregister van verzoeker als bestuurder per 28 november 2016. Het College heeft deze beslissing tot uitschrijving herroepen bij zijn uitspraak van 12 juni 2018. Volgens het College bestond er voor verweerster aanleiding om de uitschrijving van verzoeker te herstellen, omdat er bij verweerster gerede twijfel bestond over de bevoegdheid van [naam 2] om uit hoofde van zijn bestuursfunctie een opgave bij verweerster te kunnen doen. De voorzieningenrechter verwijst verder naar de uitspraak van 12 juni 2018.

7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerster bij het bestreden besluit zich, gelet op hetgeen onder 6 is overwogen, ten onrechte uitsluitend gebaseerd op de twee e-mailberichten van 29 november 2016 zonder daarbij de omstandigheden te betrekken die zich daarna hebben afgespeeld en die twijfel doen rijzen over de vraag of de ontslagname niet als herroepen moet worden beschouwd. Daarom kan niet worden staande gehouden dat voldoende duidelijk is dat verzoeker geen bestuurder meer is van VHGG en hij daarom ten onrechte in het handelsregister staat ingeschreven als bestuurder van VHGG. Verweerster had daarom niet louter op basis van de e-mail van 29 november 2016 tot uitschrijving van verzoeker uit het handelsregister kunnen overgaan.

8. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat als zij niet zonder meer van de haar ambtshalve bekende e-mailberichten van verzoeker van 29 november 2016 mag uitgaan, dat vérgaande gevolgen heeft voor haar praktijk inzake het op juiste wijze bijhouden van de in het handelsregister opgenomen informatie. Het handelsregister zou dan volgens verweerster‘s verklaringen ter zitting in strijd met de bedoeling van de wetgever constitutief worden en verweerster zou aansprakelijk worden voor onjuistheden in het handelsregister. Ofschoon de voorzieningenrechter niet helemaal inziet hoe deze gevolgen intreden als verweerster ook de overige onder 6 genoemde feiten en omstandigheden, die haar eveneens ambtshalve bekend zijn (daargelaten dat al deze feiten en omstandigheden verweerster alleen ter kennis zijn gekomen als gevolg van een onbevoegd gedane opgave, zoals het College in de uitspraak van 12 juni 2018 heeft geoordeeld) bij haar beoordeling betrekt, zal de voorzieningenrechter afzien van toepassing van artikel 8:86 van de Awb en zich beperken tot het treffen van een voorlopige voorziening. Met het oog op de belangen van verzoeker zal de voorzieningenrechter bevorderen dat de behandeling van het beroep zo spoedig mogelijk zal plaatsvinden.

9. Het verzoek om voorlopige voorziening dient te worden toegewezen gelet op het onder 7 overwogene. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit en treft de voorziening dat verweerster de uitschrijving van verzoeker uit het handelsregister zolang niet op het beroep is beslist ongedaan dient te maken en zijn inschrijving als bestuurder dient te herstellen. Voor het opleggen van een dwangsom bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verweerster de inschrijving van verzoeker als bestuurder van de VHGG herstelt totdat op het door verzoeker ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is beslist door het College.

- draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 170,- aan verzoeker te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2018.

w.g. J.L. Verbeek w.g. S.M. van Ditmarsch

Afschrift verzonden aan partijen op: