Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:396

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
16/1207
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB, pot- en containerteelt, verweerder kondigt nieuwe beslissing op bezwaar aan, gegrond en pkv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1207

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. T. Pothast)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. J.F. Janmaat).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellant 31,00 betalingsrechten voor 2015 toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 2 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2018.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij beslissing van 22 mei 2018 heeft het College het onderzoek heropend en appellant in de gelegenheid gesteld zijn productieproces nader uiteen te zetten. Bij brief van 1 juni 2018 heeft appellant zijn nadere reactie overgelegd, waarop verweerder met een brief van 26 juni 2018 heeft gereageerd.

Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord, binnen de daartoe door het College gestelde termijn van twee weken, verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. Daarop heeft het College bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aan het bestreden besluit heeft verweerder kort gezegd ten grondslag gelegd dat op perceel 2 potteelt plaatsvindt zodat dit perceel niet als subsidiabele landbouwgrond in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e en f, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid kan worden aangemerkt.

2. Appellant heeft in een brief van 1 juni 2018 gemotiveerd uiteengezet dat perceel 2 kwalificeert als landbouwareaal omdat de grond zelf daadwerkelijk wordt gebruikt om de planten te laten groeien dan wel te telen. Er wordt gebruik gemaakt van de grond indien het gewas door middel van de wortels verbinding maakt met de grond.

3. In zijn reactie van 26 juni 2018 heeft verweerder medegedeeld dat hij in de nadere reactie van appellant, aanleiding ziet om perceel 2 als bouwland, en dus als subsidiabel landbouwareaal, aan te merken. Verweerder zal het bestreden besluit herzien waarbij perceel 2 als subsidiabel zal worden aangemerkt en voor dit perceel betalingsrechten zullen worden toegekend.

4. Het College stelt vast dat verweerder de onrechtmatigheid van het bestreden besluit heeft erkend. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn van acht weken stellen.

5. Het College zal verweerder veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 751,50 (1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere reactie met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 751,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van

mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. C.S. de Waal