Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:391

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
17/1001
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB, basis- en vergroeningsbetaling 2016, gewijzigde aanvraag, geen kennelijke fout.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1001

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: J. Kuiper),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: L. Anvelink).

Procesverloop

Bij besluit van 31 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellant ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 31 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2018. Appellant is vertegenwoordigd door [naam 2] , kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder voor de percelen 4, 9, 16, 33 en 34 terecht geen basis- en vergroeningsbetaling heeft uitbetaald, omdat het verzoek tot uitbetaling daarvan te laat is gedaan en geen sprake is van een kennelijke fout.

2. Appellant heeft bij de Gecombineerde opgave 2016 van 19 april 2016 verzocht om uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling voor de percelen 1 tot en met 5, 7, 9 tot en met 13, 15, 16, 18 tot en met 24, 26 tot en met 29 en 31 tot en met 34. Bij de Gecombineerde opgave 2016 van 25 april 2016 heeft appellant de teelt van perceel 16 gewijzigd van ‘Grasland, natuurlijk. Hoofdfunctie landbouw’ in ‘Grasland, natuurlijk. Areaal met een natuurbeheertype dat overwegend voor landbouwactiviteiten-GLB wordt gebruikt’. In de Gecombineerde opgave 2016 van 25 april 2016 zijn, anders dan in de Gecombineerde opgave 2016 van 19 april 2016, de vakjes ‘Betalingsrechten’ voor de percelen 4, 9, 16, 33 en 34 uitgevinkt.

3. Appellant voert aan dat hij de op 19 april 2016 ingediende Gecombineerde opgave 2016 op 25 april 2016 heeft aangepast, omdat perceel 16 onjuist was aangemerkt. Volgens appellant is bij deze aanpassing willekeurig een aantal vinkjes voor de uitbetaling weggevallen, namelijk voor de percelen 4, 9, 16, 33 en 34. Appellant heeft de vinkjes niet zelf weggehaald. Volgens appellant had het verweerder moeten opvallen dat zijn aanvraag van 25 april 2016 onlogisch was, omdat daarin niet verzocht is om uitbetaling van de hiervoor genoemde percelen. Appellant heeft nu slechts 70% van zijn betalingsrechten laten uitbetalen. Dat verschil is dusdanig groot ten opzichte van wat hij maximaal had kunnen aanvragen, dat dit verweerder bij summier onderzoek had moeten opvallen. Er is zodoende sprake van een kennelijke fout, aldus appellant.

4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en het verweerschrift op het standpunt gesteld dat wijzigingen in de Gecombineerde opgave 2016 na de uiterste indieningstermijn van 13 juni 2016, zoals hier aan de orde, alleen kunnen worden geaccepteerd als sprake is van een kennelijke fout. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een kennelijke fout hanteert verweerder als uitgangspunt het werkdocument van de Europese Commissie (nr. AGR 49533/2002) (werkdocument). Op grond van dit werkdocument kan volgens verweerder worden gesproken van een kennelijke fout als er een tegenstrijdigheid zit in de aanvraag die bij summier onderzoek van de aanvraag opvalt, die wijst op een vergissing en het redelijkerwijs is uitgesloten dat dit ten tijde van de opgave conform de bedoeling van de aanvrager was. Volgens verweerder is hiervan in dit geval geen sprake.

5. Het College komt tot de volgende beoordeling.

6. Voor wijziging van de aanvraag is, gelet op het moment waarop deze aanvraag is gedaan, namelijk in de bezwaarfase, alleen plaats indien sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 4 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014).

7. In artikel 4 van Verordening 809/2014 is, voor zover hier van belang, bepaald dat steunaanvragen en eventuele door de begunstigde verstrekte bewijsstukken te allen tijde na de indiening ervan mogen worden gecorrigeerd en aangepast in geval van kennelijke fouten die door de bevoegde autoriteit worden erkend op basis van een algemene beoordeling van het specifieke geval en mits de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld.
De bevoegde autoriteit mag kennelijke fouten slechts erkennen indien deze gemakkelijk kunnen worden geconstateerd bij een administratieve controle van de informatie in de in de eerste alinea bedoelde documenten.

8. De Europese Commissie heeft met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig moet worden erkend het werkdocument vastgesteld, waarin richtsnoeren zijn gegeven voor de uitleg van het begrip “kennelijke fout” in de zin van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Verordening 2419/2001). Anders dan in artikel 12 van Verordening 2419/2001 – waarin slechts is bepaald dat in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde na de indiening kan worden aangepast –, heeft de Uniewetgever in artikel 4 van Verordening 809/2014, gelet op de daarin gebezigde bewoordingen, bij het definiëren van het begrip kennelijke fout onmiskenbaar aangesloten bij de inhoud van het werkdocument.

9. Het werkdocument is op zichzelf niet bindend. Dit neemt niet weg dat, nu het werkdocument afkomstig is van een gezaghebbende instantie en door verweerder wordt gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van een kennelijke fout, het College dit werkdocument bij de beoordeling van het beroep van appellant zal betrekken.

10. Het College is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een kennelijke fout in de Gecombineerde opgave 2016 van 25 april 2016. Weliswaar is er een aanmerkelijk verschil tussen wat appellant in de Gecombineerde opgave 2016 van 25 april 2016 heeft aangevraagd (23 percelen met een totale oppervlakte van 49,21 hectare) en wat hij maximaal kon aanvragen (28 percelen met een totale oppervlakte van 63,72 hectare), maar dat neemt niet weg dat er verschillende redenen kunnen zijn om bepaalde percelen niet voor uitbetaling op te geven. Volgens vaste rechtspraak is het niet de taak van verweerder om zich in de motieven van de aanvrager te verdiepen. Zoals verweerder ter zitting uiteengezet heeft komt het vaker voor dat het gewas van een perceel wordt gewijzigd en dat de betalingsrechten voor een perceel worden uitgevinkt. Verweerder hoefde er zodoende niet op bedacht te zijn dat dit niet de bedoeling was van appellant en hoefde hier ook geen onderzoek naar te doen. Dat appellant alleen de beoogde wijziging ten aanzien van perceel 16 heeft gecontroleerd en niet de overige gegevens, zoals hij in zijn beroepschrift heeft vermeld, komt voor zijn risico. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om een juist ingevulde aanvraag in te dienen, die overeenstemt met zijn bedoelingen. Het is dus aan appellant om steeds als hij een wijziging doorvoert, te controleren of de aanvraag conform zijn bedoeling is.

11. Gezien het voorgaande is geen sprake van een kennelijke fout, zodat verweerder terecht is uitgegaan van de Gecombineerde opgave 2016, zoals appellant die op 25 april 2016 heeft ingediend. Verweerder heeft dus terecht geen betalingsrechten uitbetaald voor de percelen 4, 9, 16, 33 en 34.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Lubberdink, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018.

w.g. H.G. Lubberdink w.g. D. de Vries