Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:382

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
17/40
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

NV COS 2400. Hebben om bij het gebruik maken van de werkzaamheden van een deskundige na te gaan dat die werkzaamheden toereikend zijn geweest in het kader van het doel van een beoordelingsopdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/40

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2018 op het hoger beroep van:

[naam 1] AA, te [plaats 1] , appellant

(gemachtigden: mr. drs. J.F. Garvelink en mr. A.O. Salkazanova),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 5 december 2016, gegeven op een klacht, door wijlen drs. [naam 2] ( [naam 2] ) en [naam 3] B.V. ingediend tegen appellant

(gemachtigde: mr. M.C.J. van den Brekel).


Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 5 december 2016, met nummer 16/1532 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2016:113).

Namens wijlen [naam 2] is een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Voor wijlen [naam 2] zijn verschenen zijn gemachtigde, alsmede [naam 4] en [naam 5] .

Grondslag van het geschil

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2.

Appellant is werkzaam als openbaar accountant en verbonden aan [naam 6] B.V. ( [naam 6] ) te [plaats 1] . Appellant heeft verschillende werkzaamheden verricht voor de particuliere medische [Kliniek] B.V. te [plaats 2] (Kliniek).

1.3.

Wijlen [naam 2] is op 21 december 2011 aangetreden als statutair bestuurder en als medisch directeur van de Kliniek. Hij was tevens certificaathouder en bestuurder van de Stichting Administratiekantoor [Kliniek] B.V. (STAK) en bestuurder van de Stichting [Kliniek] (de Stichting). Drs. [naam 7] ( [naam 7] ) is op 1 december 2011 benoemd als algemeen statutair directeur van de Kliniek en de Stichting.

1.4.

Wijlen [naam 2] heeft appellant in de loop van februari 2013 mondeling en schriftelijk ingelicht over zijn zorgen over de continuïteit van de Kliniek en door hem geconstateerde onregelmatigheden. Voorts heeft wijlen [naam 2] in een brief van 28 mei 2013 zijn zorgen die voornamelijk betrekking hadden op het handelen van [naam 7] uiteengezet in een schrijven aan de aandeelhouders van de Kliniek, de certifcaathouders van de STAK en het bestuur van de Stichting, dat hij ook aan appellant heeft verstuurd.

1.5.

Appellant heeft in juni 2013 aan de Raad van Toezicht van de Stichting (Raad van Toezicht) geadviseerd om extern onderzoek te laten verrichten naar de door wijlen [naam 2] aan het adres van [naam 7] geuite beschuldigingen die een effect kunnen hebben op de jaarrekening. Voor dat onderzoek heeft appellant het bureau Instituut voor Financieel Onderzoek (IFO) aanbevolen, omdat appellant [naam 8] ( [naam 8] ) die aan IFO verbonden was, nog kende uit zijn tijd bij [naam 9] . De Raad van Toezicht heeft vervolgens aan IFO, in de persoon van [naam 8] , de opdracht voor het onderzoek verleend. Op 7 december 2013 heeft [naam 8] het conceptrapport van het onderzoek verstrekt aan de Raad van Toezicht, [naam 7] en wijlen [naam 2] . Eén van de conclusies van het conceptrapport is dat de werkzaamheden, gericht op de in de opdracht genoemde zeven onderwerpen, geen informatie hebben opgeleverd die van belang is voor de beoordeling van de jaarrekening door de externe accountant en dat niet is gebleken van een ernstige integriteitsinbreuk van de huidige bestuurders met mogelijke consequenties voor de aanpak van de accountant.

1.6.

Op 9 januari 2014 heeft de Raad van Toezicht besloten om de onderzoeksactiviteiten naar de beschuldigingen van wijlen [naam 2] jegens [naam 7] te staken en de aan IFO verleende opdracht te beëindigen. Appellant is hiervan op de hoogte gesteld.

1.7.

Op 15 januari 2014 heeft appellant een goedkeurende beoordelingsverklaring bij de jaarrekening van de Kliniek over 2012 afgegeven.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1.

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden houdt in dat het onaanvaardbaar is geweest dat appellant:

I. naar aanleiding van de signalen van wijlen [naam 2] over de door hem gesignaleerde handelwijze van [naam 7] , de Raad van Toezicht van de Stichting heeft geadviseerd inzake het instellen van een onderzoek en de persoon van de onderzoeker, maar daarbij de kritiek van wijlen [naam 2] op de onderzoeksvraag, de onderzoeker, het onderzoek en de conceptrapportage heeft genegeerd;

II. zich bij zijn onderzoek inzake de beoordeling van de jaarrekening 2012 van de Kliniek heeft gebaseerd op de uitkomsten van het financieel onderzoek van [naam 8] , zoals opgenomen in de door wijlen [naam 2] betwiste en nooit vastgestelde conceptrapportage.

In het verweerschrift tegen de klacht heeft appellant doen blijken het klachtonderdeel onder I. te begrijpen als bezwaren van wijlen [naam 2] tegen:

a) de rol van appellant als adviseur van de Raad van Toezicht bij het instellen van het deskundigenonderzoek;

b) de onderzoeksvraag;

c) de persoon van de onderzoeker;

d) het nalaten van appellant om actie te ondernemen naar aanleiding van de onaanvaardbare wijze waarop de onderzoeker zijn onderzoek heeft uitgevoerd;

e) het negeren van de kritiek van wijlen [naam 2] op het conceptrapport

en het klachtonderdeel onder II. te begrijpen als bezwaren van wijlen [naam 2] tegen:

f) het gebruiken van dat conceptrapport, terwijl appellant wist dat het niet geformaliseerd was;

g) het op onjuiste (de accountantskamer begrijpt: ontoereikende) gronden vaststellen van de jaarrekening van de Kliniek;

h) het wijlen [naam 2] bewegen de bevestiging van de jaarrekening van de Stichting te ondertekenen in het belang van de continuïteit van de onderneming.

2.2.

De accountantskamer heeft zich bij zijn beoordeling van de klachtonderdelen aangesloten bij de klachtonderdelen zoals appellant die heeft begrepen en heeft de klachtonderdelen onder I.a, c, d, en e en onder II.f en g gegrond verklaard. De klachtonderdelen onder I.b en onder II.h zijn ongegrond verklaard.

2.3.

De accountantskamer heeft ten aanzien van klachtonderdeel I.a en c in overweging 4.4.4 van de bestreden uitspraak overwogen dat een accountant zorgvuldig en gedegen te werk dient te gaan, indien hij een advies als het onderhavige uitbrengt vanwege een mogelijke fraude bij een cliënt waarvan hij de jaarrekening aan het beoordelen is, en daarom niet zonder meer een hem – als collega in vroeger tijden – bekende deskundige behoort aan te bevelen. In dit geval heeft appellant ervan blijk gegeven dat niet te hebben gedaan, nu hij zelf heeft gesteld dat hij destijds niet op de hoogte was van het negatieve nieuws omtrent [naam 8] , terwijl van hem wel verlangd kon worden dat hij mede aan de hand van de beschikbare actuele gegevens omtrent diens reputatie een oordeel had gegeven over de bekwaamheid van [naam 8] . Door dat kennelijk na te laten, heeft appellant naar het oordeel van de accountantskamer gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in de Verordening gedragscode (AA’s) (VGC).

2.4.

Met betrekking tot de klachtonderdelen I.d en e en II.f heeft de accountantskamer in overweging 4.5.3 van de bestreden uitspraak overwogen dat het IFO op grond van de aan hem verleende onderzoeksopdracht onderzoek diende te verrichten naar 7 onderwerpen. Appellant heeft ter zitting van de accountantskamer erkend dat elk van die onderwerpen van belang kon zijn voor het bestaan van fraude en voorts dat in de bevindingen van het conceptrapport van het onderzoek zonder enige motivering aan vijf van de zeven onderwerpen geen woord is gewijd. Naar het oordeel van de accountantskamer mocht appellant daarom niet zonder meer uitgaan van de juistheid van de hiervoor in 1.5 weergegeven conclusie van het conceptrapport. Ook niet nadat het – daartoe door hem geraadpleegde – vaktechnisch bureau van zijn kantoor dat had goedgevonden. Daarbij is van belang geacht dat appellant niet zelf aan de hand van de bevindingen van IFO heeft vastgesteld, laat staan vastgelegd, dat de door [naam 8] verrichte werkzaamheden in het kader van het doel van de beoordelingsopdracht toereikend waren, terwijl appellant dat ingevolge het bepaalde in paragraaf 16 van Standaard 2400 van de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NV COS) wel had moeten doen. Aan de uitkomst van de consultatie van Bureau Vaktechniek van [naam 6] , inhoudende dat de uitgevoerde werkzaamheden afdoende zijn uitgevoerd om te komen tot afronding van de jaarrekening en het daarbij verstrekken van een goedkeurende beoordelingsverklaring, kan geen betekenis worden gehecht (en kan daarom ook niet als vastlegging dienen). Voor dat oordeel is van belang geacht dat dit bureau expliciet heeft opgetekend dat over “de feitelijke inhoud van het IFO-rapport (…) geen conclusie (wordt) getrokken”. Appellant heeft hiermee in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid en het fundamenteel beginsel van professioneel gedrag als bedoeld in de VGC. Appellant heeft deze beginselen eveneens geschonden door de beoordeling van de jaarrekening van de Kliniek over 2012 te baseren op ontoereikende beoordelingsinformatie en daarom is ook klachtonderdeel II.g gegrond verklaard door de accountantskamer.

2.5.

De accountantskamer heeft de maatregel van berisping passend en geboden geacht. Daarbij heeft de accountantskamer in aanmerking genomen dat appellant het bepaalde in paragraaf 16 van NV COS 2400 verregaand heeft veronachtzaamd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep een grief gericht tegen de gegrondverklaring door de accountantskamer van klachtonderdeel I.a en c. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is volgens appellant geen sprake geweest. Appellant heeft vlak na de door wijlen [naam 2] aan hem verstuurde brief van 28 mei 2013 aan de Raad van Toezicht van de Stichting geadviseerd om onderzoek te laten verrichten door IFO/ [naam 8] . Dit is derhalve geweest voordat de accountantskamer bij zijn uitspraak van 8 juli 2013 aan [naam 8] de maatregel van berisping heeft opgelegd. Appellant kon de Raad van Toezicht hierop dan ook niet attenderen en ook niet op de controverse die rondom [naam 8] was ontstaan. Bovendien was appellant in de periode rondom de betreffende uitspraak op vakantie. De betreffende uitspraak van de accountantskamer was appellant ook hierom niet opgevallen. Daarnaast bestaat er volgens appellant geen verplichting tot het doen van onderzoek naar de reputatie van een potentiële onderzoeker. Voorts zijn tegen de opdrachtverlening van het onderzoek aan IFO en [naam 8] geen bezwaren geuit en was het uiteindelijk de keuze van de Raad van Toezicht om [naam 8] de opdracht te verlenen. Appellant heeft hierop niet aangedrongen.

3.2.

Het College is van oordeel dat de accountantskamer terecht heeft overwogen dat een accountant in een situatie als in het onderhavige geval aan de orde is, waarin hij onderzoek vanwege mogelijke fraude adviseert, zorgvuldig en gedegen te werk dient te gaan en voor dat onderzoek niet zonder meer een oud-collega als deskundige behoort aan te bevelen. Appellant heeft ter zitting van het College verklaard dat hij [naam 8] heeft aangeraden, omdat het iemand met een stevige persoonlijkheid is, die stelling durft te nemen en conclusies durft te trekken en dat dat in deze situatie geboden was. Naar het oordeel van het College blijkt uit de gedingstukken, het verhandelde ter zitting bij de accountantskamer en het College niet dat appellant bij het aanbevelen van [naam 8] er tevens op heeft gewezen dat [naam 8] ook betrokken was (geweest) bij tuchtrechtelijke procedures. Het College is van oordeel dat er voor appellant in dit geval, gezien de aard van het onderzoek waarop zijn advies betrekking had, aanleiding bestond om hiervan wel melding te maken en dat hij, voor zover hij niet op de hoogte was van de eventuele betrokkenheid van [naam 8] bij bedoelde tuchtrechtelijke procedures, hij had moeten nagaan of van dergelijke betrokkenheid sprake was, voordat hij [naam 8] had aanbevolen. Het College is daarom met de accountantskamer van oordeel dat appellant in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. De grief slaagt niet.

4.1.

Met zijn tweede grief heeft appellant zich gericht tegen de gegrondverklaring van klachtonderdelen onder I.d en e en II.f en g. Appellant heeft aangevoerd dat de accountantskamer niet duidelijk heeft gemotiveerd welke concrete bepalingen van NV COS 2400 hij heeft geschonden en waarom. Ook heeft de accountantskamer niet gemotiveerd wat appellant anders had moeten doen om conform NV COS 2400 te handelen. Volgens appellant mist paragraaf 16 van NV COS 2400 bovendien toepassing, omdat niet appellant opdrachtgever voor het door [naam 8] verrichte onderzoek was maar de Raad van Toezicht. Ook heeft appellant zijn beoordelingsverklaring niet als zodanig gebaseerd op het conceptrapport van IFO. Appellant heeft het conceptrapport samen met de door IFO verstrekte toelichting en overige beschikbare informatie uitvoerig gewogen en geoordeeld dat er geen grond was om geen beoordelingsverklaring af te geven. Volgens appellant was het verder niet nodig dat het Bureau Vaktechniek de inhoud van het conceptrapport volledig zou verifiëren, omdat het inschakelen van dit bureau enkel tot doel heeft om vaktechnische vraagstukken voor te leggen. Voorts heeft de accountantskamer miskend dat appellant vele maatregelen heeft genomen, zowel voor, ten aanzien van als na het door [naam 8] opgestelde rapport. Al deze maatregelen wezen in dezelfde richting: er waren geen indicaties voor fraude of andere onregelmatigheden. Zelfs al zou appellant niet zonder meer hebben mogen uitgaan van de juistheid van het rapport dan geldt dat de accountantskamer heeft verzuimd om uit te leggen waarom dit van materiële invloed zou zijn geweest op de verslaglegging of de verklaring. Ook is niet gebleken dat de jaarrekening materiele onjuistheden bevatte.

4.2.

Naar het oordeel van het College heeft de accountantskamer terecht geoordeeld dat op het hier aan de orde zijnde handelen van appellant, bestaande uit het beoordelen van de jaarrekening, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van het door [naam 8] opgestelde rapport, paragraaf 16 van NV COS 2400 van toepassing is. Op grond van deze paragraaf dient de accountant, als hij gebruik maakt van de werkzaamheden van een andere accountant of een andere deskundige, vast te stellen dat de verrichte werkzaamheden in het kader van het doel van de beoordelingsopdracht toereikend zijn. In de begrippenlijst van NV COS wordt het begrip ‘deskundige’ omschreven als de door de accountant en/of de door het management ingeschakelde deskundige. Het College ziet gelet hierop geen aanleiding om appellant te volgen in zijn standpunt dat paragraaf 16 van NV COS in dit geval toepassing mist, omdat niet hij maar de Raad van Toezicht aan [naam 8] de opdracht voor het te verrichten onderzoek heeft verleend. De accountantskamer heeft voorts met juistheid vastgesteld dat [naam 8] op grond van de aan hem verleende onderzoeksopdracht onderzoek diende te verrichten naar zeven onderwerpen die effect konden hebben op de jaarrekening en dat [naam 8] in het conceptrapport bij zijn bevindingen aan vijf van die onderwerpen geen aandacht heeft besteed. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat appellant hierom niet zonder meer mocht uitgaan van de juistheid van de door [naam 8] in het conceptrapport getrokken conclusie dat het onderzoek geen informatie heeft opgeleverd die van belang is voor de controle van de jaarrekening. Appellant heeft ter zitting van het College verklaard dat hij, nadat hij had kennisgenomen van het conceptrapport, telefonisch contact heeft opgenomen met [naam 8] en [naam 8] heeft bevraagd over zijn bevindingen. Het is het College echter niet gebleken dat appellant daarbij of anderszins bij [naam 8] heeft aangekaart dat in het conceptrapport niets staat vermeld over de vijf onderwerpen waarnaar mede onderzoek moest worden gedaan en hem heeft gevraagd dit toe te lichten. Ook is niet gebleken dat [naam 8] het conceptrapport op dit punt nader heeft onderbouwd en dat appellant hierover iets heeft vastgelegd. Het College ziet niet in dat hiervan sprake is in de door appellant overgelegde email van [naam 8] aan appellant van 9 januari 2014, omdat [naam 8] hierin enkel de hiervoor in 1.4 weergegeven conclusie uit het conceptrapport heeft herhaald. Het College is voorts van oordeel dat de overige door appellant aangevoerde omstandigheden niet kunnen leiden tot het oordeel dat de door [naam 8] verrichte werkzaamheden toereikend zijn geweest. Gelet op al het vorenstaande heeft de accountantskamer terecht geconcludeerd dat appellant de bepalingen van NV COS 2400 heeft veronachtzaamd en de beoordeling van de jaarrekening op ontoereikende informatie heeft gebaseerd, zodat hij in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en professionaliteit. Ook deze grief faalt.

5.1.

De accountantskamer heeft, rekening houdend met de aard en de ernst van de verzuimen van appellant en de omstandigheden waaronder deze zich hebben voorgedaan, passend en geboden geacht om aan appellant de maatregel van berisping op te leggen. Daarbij heeft de accountantskamer in aanmerking genomen dat appellant met het nalaten van nader onderzoek om vast te stellen of de door [naam 8] verrichte werkzaamheden in het kader van zijn beoordelingsopdracht toereikend waren, het bepaalde in paragraaf 16 van NV COS 2400 verregaand heeft veronachtzaamd.

5.2.

Anders dan de accountantskamer, acht het College in dit geval, de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij is van belang geacht dat appellant naar aanleiding van de aan hem geuite zorgen over de continuïteit van de Kliniek heeft geadviseerd om daarnaar onderzoek te laten doen. Verder heeft appellant nadat hij kennis had genomen van het conceptrapport telefonisch contact opgenomen met [naam 8] om hem daarover te bevragen. Voorts is van belang geacht dat niet is gebleken dat de door appellant beoordeelde jaarrekening materiele onjuistheden bevat. Naar het oordeel van het College is van verregaande veronachtzaming van het bepaalde in paragraaf 16 van NV COS, waarin de accountantskamer aanleiding heeft gezien de maatregel van berisping op te leggen, daarom geen sprake geweest.

6. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de accountantskamer, voor zover het de opgelegde maatregel betreft, dient te worden vernietigd. Het College zal de zaak zelf afdoen en appellant de maatregel van waarschuwing opleggen.

7. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep gegrond voor zover het de aan appellant opgelegde maatregel betreft;

- vernietigt de bestreden uitspraak in zoverre;

- legt appellant de maatregel van waarschuwing op.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. S.C. Stuldreher en mr. F. van der Wel, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. S.M. van Ditmarsch