Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:373

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
16/513
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

4:95 AWB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/513

27660

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2018 in de zaak tussen

Tess B.V., h.o.d.n. Taskforce Europe, te Den Haag, appellante

(gemachtigde: mr. R.G.M. van Beurden),

en

de Minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman).

Procesverloop

Bij uitspraak van 13 mei 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:145) is het beroep van appellante tegen het besluit van verweerder van 26 november 2013, waarbij verweerder het geheel van de onverschuldigd betaalde subsidiebedragen van appellante als penvoerder heeft teruggevorderd, gegrond verklaard en is dat besluit vernietigd voor zover dat betrekking had op de terugvordering.

Bij besluit van 18 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante gegrond verklaard en zijn besluit van 18 april 2013 herroepen in zoverre dat hij overgaat tot terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Naar aanleiding van de uitspraak van het College van 13 mei 2015 is verweerder in het bestreden besluit overgegaan tot terugvordering van appellante van onverschuldigd betaalde voorschotten ten bedrage van € 36.652,03.

2. Appellante heeft aangevoerd dat de terugvordering disproportioneel is. Zij heeft schade geleden omdat de laatste 10% van de subsidie niet is uitbetaald en het terug te vorderen bedrag komt daar nog bovenop. De terugvordering zal leiden tot haar faillissement. Appellante heeft verder aangevoerd dat sprake is van rechtsongelijkheid omdat alleen bij haar en bij Zwijger Security B.V. bedragen worden teruggevorderd en niet ook bij de overige leden van het consortium.

3. Verweerder heeft onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van het College voorop gesteld dat de hoogte van het vastgestelde bedrag en de rechtmatigheid van de terugvordering in deze procedure niet ter discussie staan. Verder ziet verweerder in de door appellante gestelde schade, die niet is onderbouwd, dan wel de door appellante in deze procedure gemaakte kosten geen grond om van de terugvordering af te zien. Dat alleen bij appellante en Zwijger Security B.V. wordt teruggevorderd is omdat alleen zij (subsidiabele) kosten hebben opgevoerd en ten behoeve van de andere deelnemers ook geen voorschotten zijn uitbetaald. Een eventueel faillissement van appellante en de gevolgschade van het niet betalen van de laatste 10%, die beide door appellante niet nader zijn onderbouwd, is voor verweerder geen reden om van terugvordering af te zien.

4. Zoals verweerder terecht heeft overwogen staan in deze procedure de hoogte van het vastgestelde bedrag en de rechtmatigheid van de terugvordering niet ter discussie. Verweerder heeft verder het belang van de rechtmatige toepassing van de subsidieregeling en het belang van de juiste en doelmatige besteding van overheidsgeld in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan de financiële gevolgen van de terugvordering van appellante. Niet uit de stukken en evenmin uit dat wat appellante ter zitting naar voren heeft gebracht is gebleken dat de financiële gevolgen van de terugvordering voor haar als onaanvaardbaar moeten worden aangemerkt. Naar het oordeel van het College heeft verweerder dan ook in redelijkheid tot terugvordering van het gehele voorschot kunnen besluiten.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. E.R. Eggeraat en mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. L. van Gulick, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

w.g. R.R. Winter w.g. L. van Gulick