Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:370

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
17/276
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB, art 21 Vo 639/2014, art 5 Vo 641/2014, private overeenkomst overdracht betalingsrechten. Overschrijding redelijke termijn (artikel 6 EVRM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/276

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: J.A. Rietveld),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van der Zwaard).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 16 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellant heeft met het doen van de Gecombineerde opgave 2015 toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van de betalingsrechten, de vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwers aangevraagd. Appellant heeft hierbij 18 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 19,02 ha. Die opgave bevat een rubriek “Private overeenkomst”, waarbij als toelichting wordt gegeven: “U kunt een private overeenkomst opstellen om het recht op toegang op betalingsrechten over te nemen of om de referentiewaarde van 2014 over te dragen. De schriftelijke overeenkomst moet uiterlijk 14 mei 2015 door beide partijen zijn ondertekend.” Bij de vraag of een private overeenkomst is afgesloten heeft appellant het vakje “Ja” aangekruist. De rubriek bestaat vervolgens uit twee onderdelen: “Ik ben verwerver” en “Ik ben vervreemder”. Bij het onderdeel “Ik ben verwerver” staan twee mogelijkheden “Ik heb de referentiewaarde 2014 (inclusief betalingsrechten) gekocht of gehuurd met een private overeenkomst” en “Ik heb recht op betalingsrechten overgedragen gekregen”. Appellant heeft het vakje met de eerste mogelijkheid aangekruist. Appellant huurt deze percelen van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland (Natuurmonumenten).

1.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit, waarbij het verzoek om toewijzing betalingsrechten is afgewezen, ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het bedrijf van appellant niet een minimale omvang van 0,3 hectare subsidiabele landbouwgrond heeft, wat de minimale bedrijfsomvang is om in aanmerking te komen voor betalingsrechten. Appellant beschikt niet zelf over subsidiabele landbouwgrond, maar heeft alle landbouwgrond die hij heeft opgegeven in 2015 door middel van een private overeenkomst gehuurd. Omdat de private overeenkomst is goedgekeurd heeft dat tot gevolg dat de door appellant gehuurde betalingsrechten worden vastgesteld bij Natuurmonumenten. De betalingsrechten worden vervolgens overgedragen aan appellant, zodat appellant deze kan laten uitbetalen. Deze uitbetaling heeft ook daadwerkelijk plaatsgevonden.

2. In beroep heeft appellant aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat zijn bedrijf niet voldoet aan de minimum grootte van 0,3 ha. Appellant heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zijn bedrijf 19,02 ha landbouwgrond in gebruik heeft. Het feit dat Natuurmonumenten hiervan eigenaar is, acht hij niet relevant. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de betalingsrechten ten onrechte aan Natuurmonumenten zijn toegekend. Het feit dat Natuurmonumenten de grond middels een private overeenkomst aan appellant verhuurt maakt immers dat Natuurmonumenten geen landbouwer is op deze percelen. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat verweerder de artikelen 20 en 21 van de hierna te noemen Verordening 639/2014 en de artikelen 4 en 5 van de hierna te noemen Verordening 641/2014 niet juist uitvoert.

3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat appellant niet aan alle voorwaarden voldoet voor toekenning van betalingsrechten. Appellant heeft alle landbouwgrond die hij in gebruik heeft (19,02 ha) gehuurd door middel van een private overeenkomst. Door een private overeenkomst met Natuurmonumenten af te sluiten en deze middels de Gecombineerde Opgave op te geven, heeft appellant aangegeven de referentiewaarde (inclusief betalingsrechten) te hebben gehuurd van Natuurmonumenten. In lijn met de ter zake geldende Verordeningen heeft verweerder hieraan uitvoering gegeven door de betalingsrechten op die landbouwgrond vast te stellen bij de verpachter. Nu voor alle subsidiabele landbouwgrond die appellant in gebruik heeft, de betalingsrechten bij Natuurmonumenten zijn vastgesteld, kunnen aan appellant zelf geen betalingsrechten meer worden toegewezen. Zijn bedrijf voldoet immers niet aan de minimumomvang van 0,3 ha waarvoor de landbouwer een aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten kan indienen. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij juiste uitvoering heeft gegeven aan artikel 21, eerste lid, van Verordening 639/2014.

4.1

Artikel 21 Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) bepaalt - kort gezegd - dat in het kader van de basisbetalingsregeling steun beschikbaar wordt gesteld voor landbouwers die in het kader van deze verordening betalingsrechten verwerven door middel van een eerste toewijzing krachtens artikel 24, en dat betalingsrechten die in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1782/2003 en Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn verworven, op 31 december 2014 vervallen. Artikel 24 van Verordening 1307/2013 regelt de eerste toewijzing van betalingsrechten. Deze worden of kunnen worden toegewezen aan landbouwers die recht hebben op de toekenning van rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening. Artikel 9 van Verordening 1307/2013 regelt wie al dan niet als actieve landbouwer moet worden aangemerkt.

4.2

Artikel 24, tweede lid, van Verordening 1307/2013 bepaalt - voor zover hier van belang - dat het aantal toegewezen betalingsrechten per landbouwer in 2015 gelijk is aan het aantal subsidiabele hectaren dat de betrokken landbouwer in zijn steunaanvraag aangeeft voor 2015 en waarover hij beschikt op een door de lidstaat vastgestelde datum. Artikel 24, negende lid, van Verordening 1307/2013 bepaalt - voor zover hier van belang - dat een lidstaat kan besluiten een minimumgrootte per bedrijf te bepalen, uitgedrukt in subsidiabele hectaren, waarvoor de landbouwer een aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten kan indienen. In artikel 2.6, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling is bepaald dat de minimumgrootte van het bedrijf waarvoor een landbouwer een aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten kan indienen, bedoeld in artikel 24, negende lid, van Verordening 1307/2013 0,3 subsidiabele hectare is.

4.3

De lidstaten van de Europese Unie (EU) kunnen bepalen dat landbouwers bij de verpachting van een bedrijf of een deel daarvan middels een contract samen met het betrokken bedrijf of deel daarvan de overeenkomstige, toe te wijzen betalingsrechten kunnen verpachten. Dit volgt uit artikel 21, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 639/2014). In dat geval worden de betalingsrechten aan de verpachter toegewezen en direct aan de pachter verpacht. Diens voordeel ontstaat doordat de betalingen die de verpachter voor 2014 heeft ontvangen dan wel de waarde van de rechten die hij in 2014 bezat, als referentie worden gebruikt voor de vaststelling van de initiële waarde per eenheid van deze betalingsrechten. In Nederland is toepassing gegeven aan deze mogelijkheid bij artikel 2.7, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling. Bij verpachting als bedoeld in artikel 21 van Verordening 639/2014 wordt de aanvraag tot toewijzing van de betalingsrechten gedaan door de verpachter.

Dit volgt uit artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 641/2014 van de Commissie van 16 juni 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 641/2014).

5.1

Het College komt tot de volgende beoordeling.

5.2

Niet in geschil is dat appellant percelen met een totale oppervlakte van 19,02 ha subsidiabele landbouwgrond in gebruik heeft. Hij huurt deze percelen van Natuurmonumenten. De betalingsrechten voor deze percelen zijn in overeenstemming met de private overeenkomst tussen appellant en Natuurmonumenten door verweerder toegekend aan Natuurmomenten en uitbetaald aan appellant, zoals ook is opgegeven in de door appellant ingediende gecombineerde opgave. Dat appellant naar eigen zeggen de betalingsrechten liever zelf had gekregen en zich door Natuurmonumenten onder druk gezet voelde een private overeenkomst te sluiten met als gevolg dat de betalingsrechten aan Natuurmonumenten toegekend worden, maakt niet dat verweerder de betalingsrechten in afwijking van die overeenkomst aan appellant mocht toekennen. Verweerder is bij de beoordeling van de aanvraag terecht uitgegaan van de door appellant met Natuurmonumenten gesloten private overeenkomst. Wat appellant verder heeft aangevoerd maakt dat niet anders.

5.3

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat appellant geen betalingsrechten krijgt omdat hij minder dan 0,3 ha subsidiabele landbouwgrond in gebruik heeft. Bedoeld is dat appellant naast de gehuurde percelen geen andere percelen subsidiabele grond in gebruik heeft en dat daarom aan appellant geen betalingsrechten kunnen worden toegekend. Omdat appellant inderdaad niet meer dan de gehuurde 19,02 ha subsidiabele landbouwgrond in gebruik heeft, heeft verweerder de aanvraag om betalingsrechten toe te kennen terecht afgewezen.

5.4

Gezien het vorenstaande is het beroep ongegrond.

6.1

Appellant heeft ter zitting verzocht om een veroordeling tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6.2

Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

6.3

Het bezwaarschrift dateert van 24 mei 2016. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met bijna twee maanden overschreden. Van factoren die aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellant heeft daarom recht op € 500,- schadevergoeding.

6.4

Omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep minder dan anderhalf jaar heeft geduurd is de overschrijding volledig toe te rekenen aan verweerder. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,-.

7. Het College ziet in hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 6.4 tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de door appellant in beroep gemaakte proceskosten Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 0,5). Het College vindt aanleiding om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak - als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht - te hanteren van 0,5 (licht).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 500,- aan appellant wegens geleden immateriële schade;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 501,- te betalen aan appellant;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan appellant te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. B. Bastein en mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. L.N. Nijhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2018.

w.g. A. Venekamp de griffier is verhinderd deze uitspraak
mede te ondertekenen