Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:367

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
17/1325
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht; de accountant heeft een deskundigenbericht opgesteld in het kader van een arbitrageprocedure. Niet valt in te zien dat betrokkene in zijn onderzoek of de wijze van rapporteren in strijd heeft gehandeld met enig tuchtrechtelijk beginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1325

20150

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2018 op het hoger beroep van:

1. B.V. [naam 1] en

2. B.V. [naam 2] beide gevestigd te [plaats 1] , appellanten
(gemachtigde: E.L.J.M. Schilder),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 14 juli 2017, gegeven op een klacht, door appellanten ingediend tegen [naam 3] RA, betrokkene

(gemachtigde: mr. M.H.S. Verhoeven)

Procesverloop in hoger beroep

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 14 juli 2017, met nummer 16/2398 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2017:44).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2018. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en [naam 4] . Betrokkene was aanwezig en werd bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. [naam 5] .

Grondslag van het geschil

1.1

Betrokkene was ten tijde van belang als registeraccountant verbonden aan [naam 6] te [plaats 2] .

1.2

Op 1 januari 2007 zijn appellante 1 en [naam 7] B.V. een vennootschap onder firma (v.o.f.) aangegaan onder de naam VOF [naam 1] , ter exploitatie van het hotel “ [naam 1] ” te [plaats 1] . Voorts zijn op 1 januari 2007 appellante 2 en [naam 8] B.V. een v.o.f. aangegaan ter exploitatie van het restaurant “ [naam 9] ”.

1.3

[naam 7] B.V. en [naam 8] B.V. (hierna: [naam 10] c.s.) hebben de v.o.f.`s opgezegd tegen 31 december 2012. Tussen appellanten en [naam 10] c.s. is onenigheid ontstaan over onder meer de eindafrekening verband houdende met het einde van de v.o.f., onjuiste winstverdeling in het verleden, onjuiste toerekening van kosten in het verleden en achterstallig onderhoud.

1.4

Appellanten hebben in dat verband op 20 maart 2012 een arbitrageprocedure bij het Nederlands Arbitrage Instituut aanhangig gemaakt. Ter beslechting van het geschil is een scheidsgerecht aangewezen.

1.5

Bij tussenuitspraak van 20 juni 2013 heeft het scheidsgerecht betrokkene benoemd als deskundige met de taak om:

a) de jaarrekeningen van de v.o.f.’s over 2011 en 2012 op te stellen en een samenstellingsverklaring af te geven, met inachtneming van de in die uitspraak gegeven aanwijzingen; en

b) te controleren of de reeds opgestelde jaarrekening van de v.o.f.’s over 2010 voldoet aan de in de uitspraak gegeven aanwijzingen en een samenstellingsverklaring af te geven.

1.6

Bij brief van 17 juli 2013 heeft betrokkene de opdracht bevestigd en voor akkoord getekend en geretourneerd aan het scheidsgerecht met daarop handgeschreven de opmerking:

“van controle is geen sprake, onze werkzaamheden betreffen geen werkzaamheden in het kader van het verschaffen van assurance, zekerheid. Wij zullen bij het samenstellen rekening houden met de aangeduide criteria voor zover dit niet in strijd is met de geldende verslaggevingsregels.”

1.7

Betrokkene heeft aan appellanten en aan [naam 10] c.s. verzocht om informatie aan te leveren. Naar aanleiding daarvan heeft de advocaat van appellanten aan betrokkene de als bijlage 3 bij het klaagschrift gevoegde brief van 10 juni 2014 geschreven. Bij brief van

7 november 2014 heeft de advocaat vervolgens een reactie geschreven aan betrokkene inzake diens conceptrapportage van 17 september 2014, waarin hem verweten wordt zich niet aan de hem gegeven opdracht gehouden te hebben en in strijd met de voor accountants geldende regels gehandeld te hebben.

1.8

Op 28 november 2014 heeft betrokkene zijn deskundigenbericht aan het scheidsgerecht gezonden. In zijn aanbiedingsbrief aan het scheidsgerecht schreef betrokkene onder meer:

“I.1 Opdracht

In het kader van arbitragezaak 4010 hebben wij de opdracht gekregen om op basis van de verstrekte gegevens de jaarrekeningen 2010, 2011 en 2012 van de vof [naam 1] en vof [naam 11] samen te stellen. Hierbij wordt rekening gehouden met de door u geschetste criteria, conform de door ons ontvangen benoemingsbrief met datum 20 juni 2013. In dit kader is het van belang te onderkennen dat wij geen werkzaamheden uitvoeren die bij controle- of beoordelingsopdrachten van jaarrekeningen van toepassing zijn. Derhalve wordt door ons geen zekerheid omtrent de jaarrekeningen verstrekt. Verder merken wij op dat de door ons opgestelde conceptjaarrekeningen de status van deskundigenbericht hebben.

I.2 Stand van zaken

Per datum 28 november 2014 bevindt de opdracht zich in de fase dat wij zijn gekomen tot het inzicht in de boekingen die leiden tot de conceptjaarrekeningen die [naam 1] c.s. in januari 2014 aan ons heeft opgeleverd. Tevens hebben wij de posten in beeld waarover partijen het eens zijn en waarover partijen het oneens zijn en zijn ons de cijfermatige berekeningen en boekingen die aan deze posten ten grondslag liggen bekend geworden.

Wij geven de regie van de opdracht hiermede terug in handen van u als arbiters. Dit doen wij door conceptjaarrekeningen aan u te rapporteren met een uitvoerige toelichting van PM posten. Een post wordt door ons gekenmerkt als PM post door één of meer van de volgende factoren:

a. Op voorhand zijn betreffende posten (voor een deel) als ‘nog nader te bepalen’ beschouwd;

b. Partijen zijn het onderling niet eens over het bestaan dan wel de hoogte van de post;

c. De aan een post ten grondslag liggende boekingen worden vooralsnog onvoldoende onderbouwd met onderliggend bescheiden;

d. De verwerking van kosten is niet conform de op verzoek van arbiters bij benoemingsbrief geldende criteria.

Ten aanzien van betreffende posten hebben wij geen oordeel, het is geen kwestie van goed of fout. Betreffende posten vragen om uw beslissing in deze, zodat partijen zich kunnen neerleggen bij de verwerkingswijze.

Vervolgens kunnen wij met partijen komen tot de definitieve versies van de onderhavige jaarrekeningen.

I.3 Werkwijze en hoor wederhoor

Ten behoeve van de opdracht tot het samenstellen van de jaarrekening is informatie benodigd die voorziet in de beantwoording van de minimumwerkprogramma’s die voldoen aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Tevens hebben wij partijen bij aanvang van onze werkzaamheden uitgenodigd ter communicatie van onze aanpak, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te plaatsen en vragen te stellen.

Met partijen zijn aldus op 6 januari 2014 afspraken gemaakt over de aanpak waaronder de wijze van informatiedeling, hetgeen door partijen is bevestigd. Beide partijen hebben vervolgens meegewerkt aan de oplevering van informatie en het bieden van inzicht in de administratie.

Voorafgaande aan de uitgebreide informatie opvraging van 1 mei jongstleden hebben wij geconstateerd dat de opgeleverde dossiers niet volledig voorzien in de informatie die is benodigd voor het samenstellen van de jaarrekeningen. Conform standaard 4410 ‘Opdrachten tot het samenstellen van financiële overzichten’ is daarom overgegaan tot aanvullende werkzaamheden. Bijvoorbeeld het inwinnen van inlichtingen bij de vof ’s om de betrouwbaarheid en volledigheid van de verstrekte informatie vast te stellen en verificatiewerkzaamheden te verrichten ten aanzien van de ontvangen informatie en nadere toelichtingen te vragen. Hierover bent u door updates via de e-mail geïnformeerd.

Naar aanleiding van ons informatieverzoek op 1 mei 2014, is door [naam 1] c.s. op 10 juni 2014 gereageerd. De reactie van [naam 1] c.s. betrof een aanbiedingsbrief van 42 pagina’s met 63 bijlagen. Deze reactie hebben wij zorgvuldig bestudeerd. Tevens hebben wij van [naam 10] c.s. een reactie hierop ontvangen op 17 juli 2014 van 3 pagina’s met 1 bijlage. Dit heeft geleid tot nieuwe conceptjaarrekeningen van vof [naam 1] en vof [naam 11] over de jaren 2010, 2011 en 2012, die wij partijen op 17 september 2014 ter hoor wederhoor hebben voorgelegd.

Vervolgens hebben wij partijen gevraagd op de concepten te reageren voor 8 november 2014. Van [naam 12] Advocaten ontvingen wij met datum 7 november 2014 een aanbiedingsbrief van 6 pagina’s met als bijlage een brief van [naam 1] c.s. met datum 6 november 2014 van 4 pagina’s met 18 bijlagen. Van [naam 13] Advocaten ontvingen wij een brief met datum 7 november 2014 van 1 pagina met als bijlage de reactie van [naam 10] c.s. van 5 pagina’s. De reacties hebben geleid tot aangepaste conceptjaarrekeningen. Tevens zijn betreffende reacties integraal bijgevoegd als bijlage.

(…)

Zoals aangegeven zijn de reacties van partijen integraal toegevoegd. Graag zien wij van u een reactie op de bezwaren van de heer [naam 14] ten aanzien van de uitvoering van de opdracht.

Wij willen hierbij nogmaals nadrukkelijk vermelden dat wij steeds partijen in de gelegenheid stellen ons vragen te stellen en te reageren op hetgeen voorligt. Wij hebben geen belang in welke uitkomst dan ook en wij oordelen niet. Het is aan de vennoten om te komen tot een voor beide partijen aanvaardbare financiële verantwoording van de vof ‘s. Onze opstelling van de conceptjaarrekeningen is dan ook niet op te vatten als zonder PM posten is fout en met PM posten is goed, vise versa.

Wij hebben de opdracht gekregen de jaarrekeningen samen te stellen, rekening houdende met aanvullende criteria. Om vervolgens tot een samenstelverklaring te komen schrijft Standaard 4410 voor dat ‘de jaarrekeningen toereikend van opzet zijn en vrij van afwijkingen van materieel belang lijken te zijn’. Het is evident dat in deze fase het dispuut een bron zal blijven voor mogelijke materiële afwijkingen in de jaarrekeningen. Wij kunnen pas komen tot een samenstelverklaring op het moment dat de vennoten het eens zijn over de jaarrekeningen. (…)”

1.9

In het arbitraal tussenvonnis/ gedeeltelijk eindvonnis van het scheidsgerecht van
4 maart 2016 is op een groot aantal van de door betrokkene voorgelegde verschillen van inzicht door het scheidsgerecht een beslissing genomen.

1.10

Bij e-mail van 1 april 2016 hebben appellanten het scheidsgerecht verzocht om rectificatie van het arbitraal tussenvonnis, gedeeltelijke eindvonnis van 4 maart 2016. Bij beslissing van 30 mei 2016 heeft het scheidsgerecht dit verzoek afgewezen.

1.11

Bij brieven van 31 mei 2016 heeft betrokkene de jaarrekeningen 2010 tot en met 2012 van de v.o.f.`s aangeboden aan het scheidsgerecht. Daarin schreef hij onder meer:

“Daarnaast benadrukken wij dat de jaarrekening is samengesteld in opdracht van u, als scheidsgerecht. De beide vennoten zijn verwikkeld in een geschil waarbij tevens discussie is ontstaan ten aanzien van verantwoorde cijfers van de vof over 2010, 2011 en 2012. Zoals reeds aangegeven hebben wij de jaarrekening samengesteld op basis van de aan ons aangereikte informatie door u en de vennoten. Daar waar de vennoten het over posten niet eens zijn, hebben wij deze posten aangemerkt als “PM”. Over betreffende posten heeft u bij arbitraal tussenvonnis, gedeeltelijk eindvonnis d.d. 4 maart 2016 besloten, hetgeen is verwerkt in de jaarrekening. De correctie op het resultaat naar aanleiding van de PM posten en de verwerking van de PM posten in de privérekeningen (resultaatverdeling) hebben wij zichtbaar gehouden in de toelichting.”

1.12

Appellanten hebben daarop een klacht tegen betrokkene ingediend bij de accountantskamer.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, betreft een viertal verwijten, die de accountantskamer heeft aangeduid als klachtonderdelen a tot en met d. Met deze klachtonderdelen verwijten appellanten betrokkene:

a. een onjuiste uitvoering van de door het scheidsgerecht gegeven opdracht, het niet volgen van instructies van de arbiters, het verstrekken van eigen niet gevraagde interpretaties;

b. het bewust niet uitvoeren van de werkzaamheden overeenkomstig de samenstellingsopdracht (standaard 4410 van de NVCOS);

c. het schenden van wettelijke richtlijnen/kaders ten aanzien van de omzetbelastingen;

d. een onjuiste en onvolledige communicatie inzake de geconstateerde feiten richting de opdrachtgevers.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in al zijn onderdelen ongegrond verklaard.

2.3

Ten aanzien van de klachtonderdelen a en b heeft de accountantskamer overwogen dat appellanten niet duidelijk hebben gemaakt wat betrokkene bij de uitvoering van zijn opdracht onjuist heeft gedaan en in hoeverre hij de bepalingen van standaard 4410 niet in acht heeft genomen. Appellanten hebben, aldus de accountantskamer, zonder enige toelichting verwezen naar de brieven van hun advocaat aan betrokkene van 10 juni 2014 en 7 november 2014. De bijlagen bij die brieven zijn door appellanten niet overgelegd. Dat geldt ook voor de sideletter en het taxatierapport van 7 januari 2013 van [naam 15] van [naam 16] B.V. (hierna: het taxatierapport). Met de verwijzingen naar deze brieven hebben appellanten volgens de accountantskamer de hier aan de orde zijnde verwijten dan ook onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. In dit verband heeft de accountantskamer voorts van belang geacht dat het scheidsgerecht kennis heeft genomen van die brieven, maar daarin kennelijk geen aanleiding heeft gevonden om te oordelen dat betrokkene de opdracht onjuist heeft uitgevoerd of zich niet aan de instructies van de arbiters heeft gehouden. Daarbij heeft de accountantskamer opgemerkt dat, zelfs als het scheidsgerecht daartoe wel aanleiding had moeten zien, zij daarin geen grond zou hebben gevonden om te oordelen dat betrokkene de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels niet in acht heeft genomen, omdat het oordeel van het scheidsgerecht op dit punt leidend is. Om diezelfde reden heeft de accountantskamer het standpunt van appellanten dat betrokkene heeft gehandeld in afwijking van standaard 4410 door (wat klaagsters omschrijven als) “informatie” om commentaar voor te leggen aan (ook) de [naam 10] vennootschappen, terwijl zij niet (meer) de leiding van de entiteiten vormden, verworpen. Bij die verwerping heeft de accountantskamer meegewogen dat betrokkene het scheidsgerecht voorafgaande aan het uitbrengen van de jaarrekeningen en wel in zijn brief van 28 november 2014 uitdrukkelijk heeft gewezen op de in dit verband van belang zijnde bepalingen van standaard 4410. De accountantskamer heeft voorts overwogen dat de verwijten van appellanten dat betrokkene de afspraak heeft genegeerd dat de kosten voor het onderhoud en de inrichting van de hotelkamers, die door een van de vennoten zijn gemaakt, worden vergoed door de andere vennoot, en dat betrokkene ten onrechte in de jaarrekening de volledige optelsom van de door [naam 16] B.V. getaxeerde activa heeft opgenomen, onvoldoende zijn onderbouwd. De accountantskamer heeft er voorts op gewezen dat een van de door betrokkene in acht te nemen criteria nu juist inhoudt dat door een van de vennoten voorgeschoten kosten van het onderhoud aan de inventaris en inrichting van de hotelkamers, door de betreffende vennootschap aan deze vennoot moeten worden vergoed. Ten aanzien van de vraag of betrokkene met betrekking tot de post huur schilderijen een nieuw dispuut tussen partijen had mogen creëren, heeft de accountantskamer overwogen dat deze vraag ter beoordeling is aan het scheidsgerecht en niet ter toetsing staat van de accountantskamer.

2.4

Ten aanzien van klachtonderdeel c heeft de accountantskamer overwogen dat appellanten onvoldoende hebben onderbouwd dat betrokkene op het punt van de BTW in strijd met standaard 4410 en de Wet op de omzetbelasting 1968 zou hebben gehandeld. De accountantskamer heeft voorts opgemerkt dat appellanten voor de ter zitting geuite verwijten dat betrokkene wat betreft de BTW heeft meegewerkt aan fraude, dat betrokkene zich heeft ontpopt als een meester in het manipuleren van gegevens en dat betrokkene het scheidsgerecht bewust heeft misleid, nog geen begin van bewijs hebben aangedragen.

2.5

Ten aanzien van klachtonderdeel d heeft de accountantskamer overwogen dat - voor zover het klachtonderdeel inzake de communicatie al zelfstandige betekenis heeft en voor zover appellanten de hier verwoorde verwijten al hebben onderbouwd - betrokkene gelet op de wijze waarop hij de gelegenheid heeft geboden om informatie aan te leveren en te reageren op zijn conceptdeskundigenbericht, geen verwijt kan worden gemaakt dat hij onjuist en onvolledig heeft gecommuniceerd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

De accountantskamer heeft in de bestreden uitspraak aangegeven dat appellanten hun klachten onvoldoende hebben onderbouwd en dat zij op basis van de beschikbare informatie niet kon vaststellen dat betrokkene in strijd met de voor hem geldende gedragsregels heeft gehandeld. Appellanten hebben het College er in dit verband op gewezen dat hun door het secretariaat van de accountantskamer te verstaan was gegeven dat zij konden volstaan met toezending van de belangrijkste stukken, omdat zij ter zitting de gelegenheid zouden krijgen hun klacht nader toe te lichten. In de uitspraak hebben zij echter moeten lezen dat hetgeen zij ter zitting van de accountantskamer hebben uiteengezet, door de accountantskamer niet is opgevat als een uitbreiding van hun klacht, doch slechts als ondersteuning van de betwisting van het gestelde door of namens betrokkene ter weerspreking van de klacht. Appellanten hebben daaruit de conclusie getrokken dat zij de mededelingen van het secretariaat niet goed hadden begrepen en hebben daarom hun klachten in het hogerberoepschrift uitvoeriger dan in eerste instantie toegelicht.

3.2

Het College stelt vast dat de omvang van de klacht ook in hoger beroep beperkt blijft tot hetgeen in de klacht, zoals die is ingediend bij de accountantskamer, omschreven is. In hoger beroep kunnen immers aan de klacht, zoals het College eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 2 oktober 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BY0165, geen nieuwe elementen worden toegevoegd. Nadere argumentatie in het licht van de tegenwerpingen van degene op wie de klacht betrekking heeft, is wel toelaatbaar. Hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd maakt niet in detail duidelijk met welke overwegingen en gevolgtrekkingen van de accountantskamer zij zich niet kunnen verenigen. De nader door appellanten aangevoerde informatie betreft het door hen gewraakte handelen van betrokkene en de volgens hen onjuiste opvattingen dienaangaande van het scheidsgerecht. Het College zal zich bij de beoordeling van het hoger beroep beperken tot beantwoording van de vraag of hetgeen appellanten aanvoeren een zodanig nieuw licht werpt op dat handelen van betrokkene, waarover zij reeds geklaagd hadden, dat het oordeel van de accountantskamer over de klacht in het licht daarvan niet ongewijzigd in stand kan blijven.

4. Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 15 november 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:389), strekt een tuchtrechtelijke procedure als de onderhavige er niet toe om de inhoud of de wijze van totstandkoming van een deskundigenbericht, opgesteld in het kader van een civielrechtelijke procedure of arbitrageprocedure, opnieuw en integraal te onderzoeken. Beoordeeld kan slechts worden of de accountant bij het opstellen van zijn deskundigenbericht in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende beroeps- en gedragsregels.

5. Het College stelt vast dat op het hier aan de orde zijnde handelen van betrokkene, bestaande uit het samenstellen van jaarrekeningen en het uitbrengen van een samenstellingsverklaring met inachtneming van de aanwijzingen van het scheidsgerecht, de fundamentele beginselen als bedoeld in de (tot 1 januari 2014 geldende) Verordening gedragscode (RA’s) (VGC) van toepassing zijn, alsmede de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden 4410. Voor zover het handelen van betrokkene na 1 januari 2014 betreft zijn de fundamentele beginselen als bedoeld in de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) van toepassing.

6.1

Het College stelt voorts vast dat appellanten in hun hogerberoepschrift gronden hebben aangevoerd die betrekking hebben op het oordeel van het scheidsgerecht inzake de posten Linnenatwork (matrassen), Rationaal (ovens), [naam 17] kosten, advocaatkosten ETB en accountantskosten. Het vonnis van het scheidsgerecht staat in deze procedure echter niet ter beoordeling. De gronden voor zover die geacht moeten worden te zijn gericht tegen dit vonnis, dienen hier dan ook buiten beschouwing te blijven.

6.2

Appellanten bestrijden niet de weergave van de klacht door de accountantskamer, zodat deze weergave voor het College als uitgangspunt geldt voor de beoordeling van het hoger beroep. Het College stelt vast dat het verwijt van appellanten dat betrokkene in zijn brief van 31 mei 2016 ten onrechte heeft gesteld dat hij de jaarrekeningen heeft opgesteld van de v.o.f.’s, niet eerder in de procedure naar voren is gebracht. Deze nieuwe klacht laat het College dan ook buiten beschouwing.

7.1

Appellanten verwijten betrokkene dat hij het scheidsgerecht in zijn aanbiedingsbrief van 28 november 2014 (onder 1.4) onjuist heeft geïnformeerd inzake het doorbelasten van de onderhouds- en inrichtingskosten. Volgens appellanten heeft betrokkene in deze brief ten onrechte gesteld dat deze kosten vooralsnog niet zijn gemaakt, dat daarvan geen informatie is aangereikt dat daadwerkelijk verplichtingen zijn aangegaan en dat in de betreffende boekjaren geen majeure uitgaande geldstroom in dat kader is aangetroffen. Appellanten stellen hiertoe dat zij hele lijsten met onderhoudskosten hebben aangeleverd, dat de inrichting van de v.o.f.’s is gestoeld op eigendom van appellanten en dat de facturen van de schilderijen aan betrokkene zijn verstrekt. Daarmee heeft betrokkene volgens appellanten het fundamentele beginsel van professioneel gedrag geschonden.

7.2

Betrokkene stelt dat het juist is dat appellanten naar aanleiding van zijn verzoek om informatie van 1 mei 2014 veel stukken hebben aangeleverd. In deze stukken ontbrak echter naar zijn oordeel een deugdelijke onderbouwing voor de stelling dat verschillende kosten ten laste van de v.o.f.’s dienden te komen. Daarnaast zijn alle aan betrokkene aangeleverde stukken eveneens beschikbaar gesteld aan het scheidsgerecht, zodat betrokkene het scheidsgerecht zeker niet onjuist heeft geïnformeerd.

7.3

Het College begrijpt deze grond aldus dat zij is gericht tegen ongegrondverklaring van klachtonderdelen a, b en d. Met betrekking tot het verwijt aan betrokkene dat hij informatie heeft achtergehouden en het scheidsgerecht daarmee verkeerd heeft geïnformeerd, constateert het College dat betrokkene in het kader van de arbitragezaak alle stukken via het digitale platform aan het scheidsgerecht ter beschikking heeft gesteld. Van het (bewust) onjuist en onvolledig informeren van het scheidsgerecht is naar het oordeel van het College niet gebleken.

8.1

Appellanten verwijten betrokkene voorts dat hij de waardering van de activaposten niet heeft getoetst aan de activalijst in het taxatierapport en dat hij de brief van [naam 18] van accountantskantoor [naam 19] (hierna: [naam 18] ) van 28 oktober 2014 niet heeft geverifieerd. Appellanten voeren daartoe aan dat zij zowel aan het scheidsgerecht als aan betrokkene hebben aangetoond dat er in het taxatierapport zaken waren meegenomen die geen eigendom waren van de v.o.f.’s en daarom ten onrechte in de jaarrekeningen waren opgenomen. Ondanks deze wetenschap vermeldt betrokkene in de (concept)jaarrekening de volledige activa zoals vermeld in het taxatierapport. Daarnaast is aangegeven dat versnelde afschrijving in strijd is met de bestendige lijn. Onbegrijpelijk is dat betrokkene en/of het scheidsgerecht geen specificatie van de getaxeerde goederen hebben verlangd van de taxateur. Appellanten hebben op 26 januari 2017 gereageerd op de aanvullende beslissing van het scheidsgerecht van 20 december 2016 en aangegeven dat betrokkene ten onrechte € 368.629,- aan inventaris heeft aangemerkt als activa van de v.o.f.`s. Daarmee heeft betrokkene volgens appellanten het fundamentele beginsel van professioneel gedrag en zorgvuldigheid geschonden.

8.2

Het College begrijpt deze grond aldus dat zij voornamelijk is gericht tegen ongegrondverklaring van klachtonderdelen a en b. Het College stelt met betrokkene vast dat het scheidsgerecht betrokkene heeft geïnstrueerd de activa per 31 december 2012 te waarderen conform het taxatierapport. Betrokkene heeft de waarde van de activa conform de opdracht van het scheidsgerecht aan de hand van dit taxatierapport bepaald. Het scheidsgerecht heeft in zijn vonnis van 4 maart 2016 uitdrukkelijk te kennen gegeven dat appellanten onvoldoende hebben gesteld om aan te nemen dat in het taxatierapport van onjuiste gegevens zou zijn uitgegaan. Gelet op de aard van de aan betrokkene verstrekte opdracht - een samenstellingsopdracht rekening houdend met de door het scheidsgerecht opgestelde criteria en geen assurance-opdracht - was betrokkene bovendien niet gehouden de waardering van de activaposten te toetsen aan de activalijst. Het College volgt appellanten niet in hun stelling dat betrokkene de brief van [naam 18] van 28 oktober 2014 niet heeft geverifieerd, nu deze stelling door betrokkene gemotiveerd is betwist. Niet valt in te zien dat betrokkene in zijn onderzoek of de wijze van rapporteren ten aanzien van deze post in strijd heeft gehandeld met enig tuchtrechtelijk beginsel. Daarbij neemt het College in aanmerking dat het scheidsgerecht meerdere keren door appellanten erop is gewezen dat in het taxatierapport zaken zijn opgenomen die geen eigendom van de v.o.f. waren en dat het scheidsgerecht daarin kennelijk geen aanleiding heeft gevonden om te oordelen dat betrokkene de opdracht onjuist heeft uitgevoerd of zich niet aan instructies van het scheidsgerecht heeft gehouden. Het College acht daarbij voorts van belang dat het scheidsgerecht evenmin aanleiding heeft gezien het vonnis op dit punt te rectificeren, nadat appellanten het scheidsgerecht hierom hadden verzocht.

9.1

Ten aanzien van de inrichting van de hotelkamers voeren appellanten aan dat betrokkene aan het scheidsgerecht ten onrechte niet heeft gevraagd of de schilderijen inrichtingskosten zijn. Ten aanzien van het onderhoud aan de inventaris heeft betrokkene zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit niet een onderdeel was van de bestendige lijn, terwijl hij uit de brief van [naam 20] accountants had kunnen opmaken dat dat wel zo is. In dit verband hebben appellanten betrokkene nog gewezen op punt 45 van het tussenvonnis van het scheidsgerecht van 20 juni 2013. Betrokkene had hierover duidelijkheid dienen te vragen aan het scheidsgerecht en heeft verzuimd dit te doen. Ten aanzien van de kosten ten behoeve van de aanschaf brandmeldinstallatie, zwembad, lift, onroerend goed buiten, noodaggregaat en parkeerplaats heeft betrokkene de criteria van het scheidsgerecht gehanteerd, en verzuimd te vragen naar huurovereenkomsten en/of contracten. Appellanten hebben deze kosten op de juiste wijze in de jaren na 2008 gepresenteerd en betrokkene heeft deze kosten ten onrechte in de concept-jaarrekening “gecorrigeerd”, omdat hij dit niet heeft meegekregen in zijn opdracht. Betrokkene was immers op de hoogte van de onvolkomenheden en had dienen aan te geven dat e.e.a. niet in overeenstemming is met de principes van financiële verslaglegging. Voorts is in het boekhoudpakket exact een extra bedrag extracomptabel geboekt om op de totale egalisatievoorziening te komen ten behoeve van de jaarrekening 2012. In de presentatie naar het scheidsgerecht heeft betrokkene dit als uitgangspunt gehanteerd. Dit suggereert volgens appellanten dat er is gerommeld met de cijfers en geeft ten onrechte een verkeerd beeld. Daarmee heeft betrokkene volgens appellanten het fundamentele beginsel van integriteit, objectiviteit en professioneel gedrag geschonden. Appellanten voeren voorts aan dat zij betrokkene een uitgebreide toelichting hebben gegeven omtrent de opgevoerde egalisatievoorziening inzake achterstallig onderhoud en melding hebben gemaakt van het feit dat het accountantskantoor [naam 19] zijn goedkeuring heeft gegeven aan de gevormde egalisatievoorziening. Desondanks verklaarde betrokkene ter zitting bij de accountantskamer dat hij niet op de hoogte was van de desbetreffende notitie van [naam 19] . Appellanten verwijten betrokkene voorts dat hij niet is nagegaan waarom [naam 19] het wel acceptabel heeft geacht.

9.2

Betrokkene stelt hiertegenover dat blijkens pagina 38 van bijlage C van het deskundigenrapport hij wel degelijk aan het scheidsgerecht heeft voorgelegd een beslissing te nemen over de vraag of de schilderijen onder inrichtingskosten vallen. Betrokkene heeft op geen enkel moment van het scheidsgerecht vernomen dat hij van een foutieve bestendige gedragslijn zou zijn uitgegaan. Indien het scheidsgerecht in de brief van 27 juni 2013 van appellanten aanleiding had gezien om nadere instructies aan betrokkene te verstrekken, dan wel haar instructies aan betrokkene te wijzigen, dan had het dit eenvoudig kunnen doen. Betrokkene diende rekening te houden met het door het scheidsgerecht geschetste criteria. Op betrokkene rustte geen enkele verplichting om zijn opdracht op andere wijze uit te voeren. Ten aanzien van de onderhoudskosten ontbrak een deugdelijke onderbouwing. Van een namens de v.o.f.`s aangegane verplichting was volgens betrokkene niet gebleken. Betrokkene heeft dat ook zo aan het scheidsgerecht te kennen gegeven met het verzoek om een beslissing van het scheidsgerecht. Betrokkene heeft op geen enkele wijze gesuggereerd dat er door appellanten zou zijn gerommeld met cijfers. Volgens betrokkene miskennen appellanten dat de beslissingen op verschillende PM-posten ter beoordeling aan het scheidsgerecht zijn voorgelegd en het scheidsgerecht van alle door appellanten aangedragen informatie op de hoogte was en op basis daarvan heeft beslist. Betrokkene betwist uitdrukkelijk dat hij informatie zou hebben achtergehouden voor het scheidsgerecht.

9.3

Het College begrijpt deze grond aldus dat zij voornamelijk is gericht tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen a en b. Het verwijt dat betrokkene aan het scheidsgerecht niet heeft gevraagd of de schilderijen inrichtingskosten zijn mist feitelijke grondslag. Het College verwijst daartoe naar pagina 38 van bijlage C van het deskundigenbericht. Het College overweegt voorts dat betrokkene blijkens bijlage C van het deskundigenbericht (pagina 45) de “post reservering onderhoud” ad € 900.000,- als PM-post heeft opgenomen en ter beoordeling aan het scheidsgerecht heeft voorgelegd. Daartoe heeft betrokkene besloten omdat partijen het niet eens waren over het al dan niet doorbelasten van de vastgoed- en onderhoudskosten ten laste van de v.o.f.`s en een deugdelijke onderbouwing voor de voor deze kosten op te nemen voorzieningen. Het scheidsgerecht heeft ten aanzien van deze post (SC12.022) beslist dat appellanten onvoldoende hebben gesteld en evenmin voldoende gemotiveerd dat sprake is van voor rekening van de v.o.f. komend onderhoud. Daarnaast is volgens het scheidsgerecht geen sprake van een bestendige lijn. Het oordeel van het scheidsgerecht is in deze leidend. Niet valt in te zien dat betrokkene in zijn onderzoek of de wijze van rapporteren ten aanzien van deze post in strijd heeft gehandeld met enig in de VGC of de VGBA opgenomen beginsel. Voor zover appellanten betrokkene verwijten dat hij niet is ingegaan op de brief van [naam 18] van 28 oktober 2014 kan dat niet slagen. Deze brief is als bijlage 2 opgenomen in de brief van appellanten aan betrokkene van 7 november 2014. Het scheidsgerecht heeft kennis genomen van deze brief en heeft kennelijk geen aanleiding gevonden om te oordelen dat betrokkene de opdracht onjuist heeft uitgevoerd of zich niet aan de instructies van het scheidsgerecht heeft gehouden.

10.1

Appellanten klagen dat betrokkene - kort samengevat - de kosten ten aanzien van de posten huur schilderijen (SC12.019), All-business-control (SC12.016), [naam 21] adv (SC12.018), Beheerskosten (SC12.023), Bouwcombi (SC12.038, 039, 043, 44, 052, 057) en NVT Benelux (SC12.040, 041, 057) ten onrechte uit de (door hen verstrekte) jaarrekeningen heeft verwijderd. Ten aanzien van posten [naam 22] (SC12.002, 012, 053, 055 en 061) voeren appellanten aan dat betrokkene deze kosten ten onrechte voor de helft ten laste van appellanten heeft gebracht. Betrokkene heeft ten aanzien van deze verwijten gemotiveerd verweer gevoerd.

10.2

Ten aanzien van deze gronden, die het College aldus begrijpt dat ook zij voornamelijk zijn gericht tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen a en b, overweegt het College als volgt. Het College stelt vast dat betrokkene in zijn aanbiedingsbrief aan het scheidsgerecht heeft aangegeven dat een post onder meer als PM-post wordt gekenmerkt als partijen het onderling niet eens zijn over het bestaan dan wel de hoogte van de post. Blijkens het deskundigenbericht heeft betrokkene voornoemde posten als PM-post opgenomen, omdat partijen over deze posten geen overeenstemming hebben bereikt. Appellanten miskennen dat betrokkene de geschilpunten op deze posten ter beoordeling aan het scheidsgerecht heeft voorgelegd en betrokkene geen zelfstandige beslissing heeft genomen op deze posten. Dit geldt eveneens voor de posten [naam 22] . Ook deze posten heeft betrokkene als PM-posten opgenomen, omdat op basis van de door appellanten aanleverde facturen niet kon worden vastgesteld of het regulier onderhoud betrof en/of niet kon worden vastgesteld dat de installaties waar de werkzaamheden aan werden verricht “aard en nagelvast” aan het onroerend goed verbonden zaken waren. Naar het oordeel van het College hebben appellanten geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat betrokkene deze posten niet als PM-posten had mogen aanmerken dan wel dat hij deze niet conform het vonnis van het scheidsgerecht heeft verwerkt. Het College is niet gebleken dat betrokkene ten aanzien van deze posten enig tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

11.1

Appellanten voeren aan dat betrokkene de posten “BTW voldaan aan [naam 10] ” (SC12.020) ten onrechte als “niet uit de balans blijkende verplichtingen” in de concept-jaarrekening heeft verwerkt. Daartoe stellen zij dat over winst geen BTW kan worden afgetrokken en dat verrekening van de BTW zonder goedkeuring van de fiscus frauduleus is. Bovendien kunnen volgens de statuten geen bedragen van € 50.000,- of hoger worden onttrokken aan de v.o.f.`s zonder goedkeuring van beide vennoten. Een betaling in strijd met de inhoud van de sideletter en de daarbij behorende bijlage en de statuten van de v.o.f.`s dient te worden geboekt als een vordering van de betreffende v.o.f. op de vennoot die de betaling heeft verricht. Door de boekingen te corrigeren en in de jaarrekening op te nemen als niet uit de balans blijkende verplichtingen heeft betrokkene volgens appellanten in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van “professioneel gedrag”.

11.2

Betrokkene stelt hiertegenover dat appellanten en [naam 10] c.s. van mening verschilden over de vraag of BTW verschuldigd was over de betaling van winstvoorschotten met betrekking tot de managementvergoedingen van [naam 10] . Betrokkene had begrepen dat hierover nog overleg zou worden gepleegd met de fiscus, zodat het voor partijen duidelijk zou worden of deze BTW-posten al dan niet dienden te worden gecorrigeerd. In dat licht had betrokkene deze posten vooralsnog aangemerkt als ”niet uit de balans blijkende verplichting”. In het vonnis van 4 maart 2016 oordeelde het scheidsgerecht dat deze posten niet mochten worden gecorrigeerd, omdat er een terugbetalingsverplichting voor [naam 10] c.s. zou ontstaan indien op enig moment zou blijken dat de bedragen uit deze posten fiscaal worden nagevorderd. Betrokkene heeft vervolgens ten aanzien van deze PM-posten gehandeld conform het vonnis van het scheidsgerecht. Van niet-professioneel handelen op grond van de VGBA is volgens betrokkene geen sprake.

11.3

Het College begrijpt deze grond aldus dat deze is gericht tegen ongegrondverklaring van klachtonderdeel c. Het betoog van appellanten dat betrokkene de posten “BTW voldaan aan [naam 10] ” (SC12.020 en CC12.007) ten onrechte als “niet uit de balans blijkende verplichtingen” in de concept-jaarrekening heeft vermeld en daarmee de door appellanten gemaakte correctie ten onrechte niet heeft doorgevoerd, kan naar het oordeel van het College niet leiden tot gegrondverklaring van dit klachtonderdeel. Ten aanzien van deze posten heeft betrokkene in het deskundigenbericht opgenomen dat hij deze posten alsnog als PM-posten opneemt en dat afhankelijk van het overleg met de fiscus al dan niet een correctie dient plaats te vinden, omdat er vooralsnog onjuistheden in de omzetbelastingadministratie bestaan waarvan de omvang nog niet bekend is. Gelet hierop heeft betrokkene deze posten als “niet uit de balans blijkende verplichtingen” aangemerkt. Betrokkene heeft naar het oordeel van het College de conclusie mogen trekken die hij heeft getrokken. Het scheidsgerecht heeft betrokkene hierin immers gevolgd en betrokkene opgedragen geen correcties door te voeren. Het scheidsgerecht heeft daarbij opgemerkt dat mocht blijken dat het bedrag aan BTW fiscaal op enig moment wordt nagevorderd er een terugbetalingsverplichting voor [naam 10] c.s. ontstaat. Betrokkene heeft vervolgens de PM-posten conform het vonnis van het scheidsgerecht doorgehaald. De beslissing van het scheidsgerecht is in deze leidend. Het verwijt dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van professioneel gedrag kan dan ook niet slagen.

12. Met betrekking tot klachtonderdeel d hebben appellanten in hoger beroep geen substantiële nieuwe argumenten aangevoerd. Het College kan zich verenigen met het oordeel van de accountantskamer, dat betrokkene appellanten voldoende gelegenheid heeft geboden te reageren op hetgeen hij aan het scheidsgerecht voorlegde en dat hem derhalve niet het verwijt gemaakt kan worden dat hij onjuist of onvolledig heeft gecommuniceerd.

13. De slotsom is dat hetgeen in hoger beroep is aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt, zodat het hoger beroep ongegrond is.

14. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. M.M. Smorenburg en
mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

w.g. W.E. Doolaard w.g. A. El Markai