Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:365

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
16/771
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Toewijzing betalingsrechten, vennote van VOF die als maat in een andere lidstaat in 2013 rechtstreekse betalingen heeft ontvangen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/771

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2018 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante,

(gemachtigde: mr. E.A.W. Hof)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag om toekenning van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) van appellante afgewezen.

Bij besluit van 2 maart 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag om uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling op grond van de Uitvoeringsregeling afgewezen.

Bij besluit van 19 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2017. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde appellante de gelegenheid te bieden om nadere stukken in te dienen.

Appellante heeft bij brief van 17 maart 2017 nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 4 april 2017 op de nadere stukken van appellante gereageerd.

Bij brief van 23 mei 2017 heeft het College appellante om nadere inlichtingen gevraagd.

Bij brief van 2 juni 2017 heeft appellante op het verzoek van het College gereageerd.

Bij brief van 23 juni 2017 heeft verweerder gereageerd op de brief van appellante van 2 juni 2017.

Bij brieven van 4 oktober 2017 en 21 november 2017 heeft appellante nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 4 december 2017. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Appellante is landbouwer en heeft met het doen van haar Gecombineerde opgave op 15 juni 2015 toekenning van betalingsrechten en uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling aangevraagd. Zij heeft hiertoe zes percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 32,14 ha en de gewascode blijvend grasland.

1.2

Op 18 juni 2015 heeft appellante het formulier ‘Melding overdracht’ gestuurd naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Naar aanleiding hiervan heeft RVO het oude relatienummer 040010494 en het nieuwe relatienummer 204763009 aan elkaar gekoppeld.

1.3

Bij het primaire besluit I heeft verweerder de aanvraag van appellante om toekenning van betalingsrechten afgewezen. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat appellante geen recht heeft op betalingsrechten, omdat (-) appellante in 2013 geen recht had op een directe betaling van minimaal € 500,- vanuit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), (-) zij niet minimaal 0,3 hectare groente, fruit (inclusief wijngaard), pootaardappelen, consumptieaardappelen, siergewassen of bollen heeft geteeld in 2013 en (-) verweerder niet voor appellante heeft kunnen vaststellen dat zij in 2013 landbouwactiviteiten heeft uitgevoerd of verweerder wel voor appellante heeft kunnen vaststellen dat zij in 2013 landbouwactiviteiten heeft uitgeoefend maar dat zij ook toeslagrechten in eigendom of gebruik heeft gehad.

1.4

Bij het primaire besluit II heeft verweerder de aanvraag van appellante om uitbetaling van betalingsrechten en de vergroeningsbetaling afgewezen omdat zij op 15 mei 2015 geen betalingsrechten in gebruik had.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard. Verweerder heeft uiteengezet dat

betalingsrechten kunnen worden toegewezen aan actieve landbouwers die tijdig een aanvraag hiervoor indienen en – kort gezegd – voor 2013 recht hadden op een rechtstreekse betaling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (Verordening 73/2009). Uit het gegevensbestand van verweerder is echter gebleken dat onder het oude relatienummer van appellante in 2013 geen aanvraag is gedaan. Appellantes nieuwe relatienummer is pas in 2014, als gevolg van een overdracht middels juridische wijziging ontstaan, zodat appellante niet aan die voorwaarde voldoet. Actieve landbouwers die in 2013 geen rechtstreekse betaling hebben ontvangen kunnen alsnog in aanmerking komen voor toewijzing van betalingsrechten als ze tijdig een aanvraag hiervoor indienen en uiterlijk 15 mei 2013 ten minste 0,3 hectare fruit, groente, consumptie- en/of pootaardappelen of siergewassen hebben geteeld of een wijngaard van ten minste 0,3 ha hebben geëxploiteerd. Niet is gebleken dat appellante aan deze voorwaarde voldoet. Tot slot komen actieve landbouwers in aanmerking voor toewijzing van betalingsrechten als ze tijdig een aanvraag hiervoor indienen en nooit hebben beschikt over toeslagrechten in eigendom of gehuurd en wel uiterlijk 15 mei 2013 aantoonbaar bepaalde landbouwactiviteiten hebben verricht. Uit het gegevensbestand van verweerder is gebleken dat appellante in het verleden, onder andere in 2010, wel heeft beschikt over toeslagrechten, zodat appellante evenmin aan deze voorwaarde voldoet.

3. Appellante betoogt dat haar bezwaren ten onrechte ongegrond zijn verklaard, dat zij wel aan de door de Europese verordeningen gestelde voorwaarden voldoet en dat verweerder aan haar wel betalingsrechten had moeten toewijzen en uitbetalen. Zij voert hierbij aan dat haar bedrijf een al geruime tijd bestaande landbouwonderneming betreft, waar ook in 2013 landbouwactiviteiten werden verricht, waaronder de exploitatie van 34 hectare grasland en het houden van runderen en schapen. Appellante stelt door verweerder gediscrimineerd te worden nu veel andere landbouwbedrijven wel rechtstreekse betalingen ontvangen vanuit de Europese Unie. De toepasselijke verordeningen hebben rechtstreekse werking en verweerder handelt discriminatoir doordat zij haar eigen nationale regels stelt naast die van de Europese Unie. Dat appellante in 2013 geen recht zou hebben gehad op een rechtstreekse betaling is onjuist nu één van de vennoten van appellante, [naam 2] , voor het jaar 2013 in Duitsland een rechtstreekse betaling heeft ontvangen. Appellante voert aan dat verweerder te weinig rekening houdt met grensoverschrijdend ondernemerschap, en stelt door verweerder ook in zoverre gediscrimineerd te worden. Daarbij stelt zij dat haar bedrijf niet in het verleden over toeslagrechten heeft beschikt nu deze toeslagrechten in verband met de drempelwaarde nooit tot uitbetaling zijn gekomen. Appellante voert ten slotte aan dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat zij geen gebruik wilde maken van de mogelijkheid haar bezwaren mondeling toe te lichten. Zij stelt dat de vraag van het horen haar nooit heeft bereikt en voert aan dat tijdens informeel telefonisch overleg door een medewerker van RVO is te kennen gegeven “dat het in het komende jaar goed zou komen”.

4.1

Met betrekking tot het betoog van appellante dat verweerder ten onrechte ervan heeft afgezien haar naar aanleiding van haar bezwaar te horen, overweegt het College als volgt. Volgens de door verweerder overgelegde, op het telefoongesprek van de gemachtigde van appellante met een medewerker van RVO van 3 mei 2016 betrekking hebbende “Telefoonnotitie andere aanpak” (telefoonnotitie) heeft de gemachtigde van appellante in dat gesprek te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Appellante heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Appellante heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de betrokken RVO-medewerker daadwerkelijk een toezegging heeft gedaan waaraan appellante het gerechtvaardigde vertrouwen heeft mogen ontlenen dat haar bezwaar gegrond zou worden verklaard. Het College ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante als gevolg van mededelingen van de RVO-medewerker heeft afgezien van haar recht om te worden gehoord. Verweerder kon op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afzien van het horen van appellante. Bovendien is niet gebleken dat appellante nadeel heeft ondervonden van het feit dat zij niet in bezwaar is gehoord, nu appellante in beroep haar gronden alsnog mondeling heeft kunnen toelichten. Van een schending van de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb is gelet op het voorgaande geen sprake.

4.2

Naar aanleiding van het betoog van appellante dat verweerder aan haar wel betalingsrechten had moeten toewijzen, overweegt het College als volgt.

4.2.1

Het College stelt vast dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zoals dat sinds 1 januari 2015 geldt, voorziet in rechtstreekse betalingen aan landbouwers. Daartoe wijst verweerder betalingsrechten toe aan landbouwers (artikel 24, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013)). Onder “landbouwer” wordt – kort gezegd – verstaan een natuurlijk persoon of rechtspersoon, van wie het bedrijf zich bevindt binnen het territoriale toepassingsgebied van de verdragen en die een landbouwactiviteit uitoefent, aldus artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a van Verordening 1307/2013. Onder “bedrijf” wordt verstaan alle eenheden op het grondgebied van eenzelfde lidstaat die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt en door een landbouwer worden beheerd, aldus artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b van Verordening 1307/2013. Het College leidt uit de hiervoor genoemde bepalingen af dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid voorziet in inkomenssteun voor een landbouwer, en niet in inkomenssteun voor een bedrijf (zie de uitspraak van het College van 29 mei 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:229)).

4.2.2

Bij uitspraak van 9 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:316) heeft het College onder 5.2 – kort gezegd – geoordeeld dat ingevolge artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder b, van Verordening 1307/2013 alleen dan betalingsrechten worden toegewezen aan landbouwers indien zij, voordat een verlaging en uitsluiting wordt toegepast, naar aanleiding van een daartoe ingediende steunaanvraag voor 2013 recht hadden op betaling van een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,-. Voorts heeft het College in die uitspraak onder 5.3 geoordeeld dat de in genoemde bepaling neergelegde keuze van de Uniewetgever, ook indien deze keuze wordt beschouwd tegen de achtergrond van artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder c, van Verordening 1307/2013, niet tot onevenredige gevolgen leidt.

4.2.3

Aangezien appellante voor 2013 geen recht had op betaling van een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,-, naar aanleiding van een daartoe ingediende steunaanvraag, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante op grond van artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder b, van Verordening 1307/2013 niet in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten. Appellantes stelling dat zij in 2013 wel recht heeft gehad op een rechtstreekse betaling nu één van de vennoten van appellante, [naam 2] , voor het jaar 2013 in Duitsland een rechtstreekse betaling heeft ontvangen, kan het College niet volgen. Uit de door appellante overgelegde stukken blijkt dat [naam 3] in 2013 in Duitsland rechtstreekse betalingen heeft ontvangen. Het feit dat [naam 3] (waarin één van de vennoten van appellante maat is) in 2013 recht had op een rechtstreekse betaling, maakt echter niet dat kan worden geoordeeld dat appellante voor 2013 recht had op een rechtstreekse betaling overeenkomstig Verordening nr. 73/2009, nu niet is gebleken dat appellante en [naam 3] als dezelfde “landbouwer” moeten worden aangemerkt (zie hiervóór onder 4.2.1).

4.2.4

Appellante heeft voorts niet bestreden het standpunt van verweerder dat zij niet uiterlijk op 15 mei 2013 ten minste 0,3 hectare fruit, groente, consumptie- en/of pootaardappelen of siergewassen heeft geteeld of een wijngaard heeft geëxploiteerd. Dit betekent dat appellante evenmin op grond van artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder a, sub i, van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten.

4.2.5

Met verweerder is het College van oordeel dat appellante ook niet op grond van artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder c, van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten. Vast staat dat appellante in 2010 en 2011 toeslagrechten in eigendom heeft gehad en dat een bedrijfstoeslag met deze toeslagrechten niet aan haar is uitbetaald nu de waarde van appellantes toeslagrechten lager was dan de ondergrens van

€ 500,-. De veronderstelling van appellante dat zij niet over de toeslagrechten heeft beschikt omdat deze niet aan haar zijn uitbetaald, gaat uit van een onjuiste uitleg van het begrip “beschikken” in beide hierboven genoemde bepalingen.

4.2.6

Voor appellantes stelling dat verweerder discriminatoir handelt, ziet het College geen grond. Het betoog van appellante dat verweerder te weinig rekening houdt met grensoverschrijdend ondernemerschap stuit erop af dat het oordeel dat appellante en [naam 3] niet als dezelfde landbouwer moeten worden aangemerkt, losstaat van het feit dat beide landbouwers in verschillende lidstaten gevestigd zijn. Voor zover appellante aanvoert dat verweerder ten onrechte nationaal in plaats van Europees recht zou hebben toegepast, treft dit geen doel aangezien verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd op rechtstreeks werkende bepalingen uit Verordening 1307/2013. Appellante heeft in haar beroepschrift verschillende voorbeelden gegeven van bedrijven die wel rechtstreekse betalingen ontvangen vanuit de Europese Unie. Het College begrijpt de verwijzing van appellante zo dat zij zich beroept op het gelijkheidsbeginsel en dat verweerder aan haar voor het jaar 2015 betalingsrechten moet toewijzen en uitbetalen nu deze door verweerder ook aan diverse andere landbouwbedrijven in verschillende samenstellingen worden toegekend en uitbetaald. Appellante heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de door haar genoemde gevallen gelijkheid vertonen met haar situatie. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt dan ook.

4.2.7

Gelet op het voorgaande kan hetgeen overigens door appellante is aangevoerd onbesproken blijven, omdat zij hiermee niet kan bereiken dat zij alsnog in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten. De conclusie is dan ook dat verweerder terecht geen betalingsrechten heeft toegewezen aan appellante.

4.3

Uit de artikelen 32, eerste lid, en 43, eerste lid, van Verordening 1307/2013 volgt dat een landbouwer die in aanmerking wil komen voor respectievelijk de basisbetaling en vergroeningsbetaling dient te beschikken over betalingsrechten. Aangezien appellante in 2015 niet beschikte over betalingsrechten, heeft verweerder de desbetreffende aanvragen terecht afgewezen.

5. Het beroep van appellante is ongegrond.

6.1

Het College stelt – ambtshalve – vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3354 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.13.2). Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. Gelet op vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) geldt in dat geval als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten.

6.2

De redelijke termijn neemt een aanvang met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. De bezwaarschriften van appellante zijn door verweerder ontvangen op 8 april 2016. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 3 juli 2018 de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met ongeveer drie maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake.

6.3

Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat appellante recht heeft op € 500,- schadevergoeding.

6.4

Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, nu de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd.

6.5

Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb de minister van Justitie en Veiligheid veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan appellante (zie voormeld arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 onder 3.14.2).

6.6

Het College ziet in het voorgaande tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb de minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten (vergelijk genoemd arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 onder 3.14.1 en 3.14.2). Op grond van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) kan een veroordeling in de proceskosten uitsluitend betrekking hebben op de kosten die in artikel 1 van het Besluit zijn omschreven. Het bedrag van de kosten wordt vastgesteld volgens de in artikel 2 van het Besluit neergelegde maatstaven voor de hoogte van de vergoeding. De door appellante verzochte reiskosten openbaar vervoer (€ 16,- + € 21,50 = € 37,50) zijn toewijsbaar op grond van artikel 1, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c van het Besluit. De door appellante verzochte verletkosten (4 x € 25,- = € 100,-) zijn toewijsbaar op grond van artikel 1, aanhef en onder d, in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d van het Besluit.

6.7

Appellante heeft voorts verzocht om vergoeding van de kosten van het voorbereiden en opstellen en (aangetekend) verzenden van het beroepschrift en van brieven aan het College, het bijwonen van de zittingen, en advieskosten voor het indienen van de Gecombineerde opgave 2015. Het verzoek inzake de kosten van het voorbereiden en opstellen van het beroepschrift en van het bijwonen van de zittingen honoreert het College niet, nu geen sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit. Met betrekking tot de kosten van aangetekende brieven is het College van oordeel dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen, gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit. Daarin staan immers limitatief genoemd: de kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken. Advieskosten voor het indienen van een Gecombineerde opgave behoren niet tot de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter heeft moeten maken in de zin van artikel 8:75 van de Awb. Ook het verzoek tot vergoeding van deze advieskosten is daarom niet toewijsbaar.

6.8

Het voorgaande brengt mee dat het College de minister van Justitie en Veiligheid zal veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 137,50.

6.9

Tot slot zal het College de minister van Justitie en Veiligheid opdragen het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,- aan appellante te vergoeden.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- te betalen;

  • -

    veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 137,50;

  • -

    draagt de minister van Justitie en Veiligheid op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    wijst af het meer of anders verzochte.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. H.O. Kerkmeester en mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.

w.g. H.L. van der Beek w.g. W.M.J.A. Duret