Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:361

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
17/432
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun, percelen, fysieke controle, luchtfoto's

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/432

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2018 in de zaak tussen

[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Bosma).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 6 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit gedeeltelijk herroepen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2018. Voor appellante is verschenen [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante heeft bij het doen van haar Gecombineerde opgave voor het jaar 2015 op 15 juni 2015 toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling aangevraagd en hiertoe 19 percelen met een totale oppervlakte van 38,41 ha opgegeven.

1.2

Op 21 en 23 september 2015 is het bedrijf van appellante bezocht door een inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waarbij er een gewascontrole en oppervlaktebepaling voor de percelen 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 20, 23 en 30 heeft plaatsgevonden. Hiervan is op 23 september 2015 een Rapport Verzamelaanvraag BBR (Basisbetalingsregeling) (rapport) opgemaakt.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder 38,31 ha subsidiabele landbouwgrond en 2,87 ha subsidiabele landbouwgrond verhuurd met een private overeenkomst geconstateerd. Het totale aantal betalingsrechten van appellante is door verweerder vastgesteld op 41,18.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en het totale aantal betalingsrechten van appellante vastgesteld op 41,44.

3. Appellante kan zich niet vinden in de door verweerder bij het bestreden besluit vastgestelde subsidiabele oppervlakten van de percelen 11, 12, 13, 23 en 30, en het daarmee samenhangende aantal betalingsrechten. Appellante verwijst daarbij naar het rapport en voert aan dat verweerder de door de NVWA gemeten (grotere) oppervlakten moet volgen bij de bepaling van de betalingsrechten. Het College stelt bij de beoordeling van dit betoog van appellante het volgende voorop.

3.1

Uit artikel 24, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (Verordening 1307/2013) volgt dat het aantal toegewezen betalingsrechten per landbouwer in 2015 gelijk is aan het aantal subsidiabele hectaren dat de landbouwer in zijn steunaanvraag voor 2015 aangeeft en waarover hij op 15 mei 2015 beschikt. Het moet dus gaan om subsidiabele hectaren. Onder ‘subsidiabele hectare’ wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 1307/2013). Uit artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening volgt dat voor de vaststelling van de toe te wijzen betalingsrechten alleen de subsidiabele hectaren in aanmerking worden genomen die zijn geconstateerd overeenkomstig artikel 2, eerste lid, tweede alinea, punt 23 onder a, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden. Volgens laatstgenoemde bepaling wordt onder ‘geconstateerd areaal’ – kort gezegd – verstaan het areaal waarvoor is voldaan aan alle subsidiabiliteitscriteria.

3.2

Zoals het College eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:236)) is in Nederland het systeem voor identificatie van landbouwpercelen gebaseerd op topografische percelen, die dienst doen als referentiepercelen. Samen vormen zij de AAN-laag (Agrarisch Areaal Nederland). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een landsdekkende luchtfoto met een schaal van 1:2.500. Voorts heeft het College reeds geoordeeld dat de functie van het systeem van referentiepercelen is om informatie te leveren wat betreft de maximale subsidiabele oppervlakte, en dat verweerder de AAN-laag mag gebruiken om te controleren of, en zo ja in hoeverre de door de landbouwer opgegeven landbouwpercelen de maximale subsidiabele oppervlakte overschrijden. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat de in het rapport neergelegde resultaten van fysieke controle door de NVWA nauwkeuriger zijn dan de metingen door verweerder op basis van luchtfoto’s (vergelijk de uitspraak van het College van 29 maart 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:83)). Gelet hierop is het College van oordeel dat de methode waarmee verweerder de geconstateerde oppervlakte heeft vastgesteld niet onjuist te achten is. Voor zover het betoog van appellante met betrekking tot haar percelen inhoudt dat verweerder had moeten uitgaan van het rapport, kan dit betoog dus niet slagen.

4. Met betrekking tot de door appellante aan de orde gestelde percelen overweegt het College als volgt.

4.1

Wat betreft de percelen 11, 12 en 13 heeft appellante bij het doen van haar Gecombineerde opgave 2015 een totale oppervlakte opgegeven van 6,59 ha. In het rapport is de totale oppervlakte van deze percelen vastgesteld op 6,74 ha. Verweerder heeft bij het bestreden besluit voor de percelen 11, 12 en 13 een totale oppervlakte van 6,63 ha geconstateerd. In het verweerschrift heeft verweerder uiteengezet dat het verschil van 0,11 ha tussen de meting uit het rapport en de door verweerder geconstateerde oppervlakte te verklaren is doordat verweerder bij de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte geen rekening heeft gehouden met de rondom deze percelen gelegen taluds, bermen en schouwpaden, die wel zijn ingemeten door de inspecteur van de NVWA. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur van de NVWA het perceel heeft gemeten voor zover appellante het in gebruik heeft en dat hieruit volgt dat verweerder de door de inspecteur geconstateerde oppervlakte, zoals vastgelegd in het rapport, moet overnemen. Op de door verweerder overgelegde en ter zitting besproken luchtfoto’s van de percelen 11 en 12 is te zien dat de inspecteur van de NVWA de perceelgrens heeft gelegd op de grens tussen water en land. Verweerder heeft bij de beoordeling van de subsidiabele oppervlakte van de percelen de perceelgrens op de insteek van de sloten gelegd. Ter zitting heeft verweerder gewezen op de op de luchtfoto’s zichtbare verschillen in kleur tussen het gemaaide perceel en de randen rondom de sloten. Daarbij heeft verweerder het verschil tussen de door de inspecteur van de NVWA gemeten perceeloppervlakte en de door verweerder goedgekeurde oppervlakte mede verklaard doordat de oppervlakte van een pad aan de oostzijde van perceel 12 door de NVWA-inspecteur ten onrechte wel is meegenomen bij de oppervlaktebepaling van dit perceel. Mede gelet op de nadere toelichting door verweerder ter zitting ziet het College in hetgeen appellante heeft aangevoerd onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van de percelen 11, 12 en 13 onjuist heeft vastgesteld.

4.2

Wat betreft perceel 23 heeft appellante een oppervlakte van 0,46 ha opgegeven en is tijdens de inspectie een oppervlakte van 0,48 ha vastgesteld. Verweerder heeft voor perceel 23 een oppervlakte van 0,45 ha goedgekeurd en heeft in zijn verweerschrift uiteengezet dat hij geen rekening heeft gehouden met de door de inspecteur van de NVWA wel ingemeten perceelgedeelten die door appellante gebruikt worden als parkeerplaats dan wel ten behoeve van de opslag van goederen. Ter zitting heeft appellante erkend dat delen van perceel 23 worden gebruikt als parkeerplaats en dan niet worden gebruikt als landbouwgrond, maar heeft appellante hierbij aangevoerd dat de opslag van de auto’s op het perceel per moment verschilt. Het College constateert dat op de luchtfoto van perceel 23 lichtere plekken te zien zijn waar de auto’s voor langere tijd moeten hebben gestaan en dat zich op die delen van het perceel die door verweerder niet subsidiabel zijn geacht, meerdere auto’s of andere opslag bevinden. Gelet op het voorgaande ziet het College in hetgeen appellante heeft aangevoerd onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van perceel 23 onjuist heeft vastgesteld.

4.3

Wat betreft perceel 30 heeft appellante een oppervlakte van 6,96 ha opgegeven en is tijdens de inspectie een oppervlakte van 7,08 ha vastgesteld. Verweerder heeft bij het bestreden besluit een oppervlakte van 7,02 ha goedgekeurd en heeft in het verweerschrift uiteengezet dat het verschil van 0,06 ha te verklaren is doordat de inspecteur een deel van het naastgelegen perceel 31 en een deel van het onverharde pad aan de zuidzijde heeft ingemeten. Gelet op de door verweerder overgelegde luchtfoto’s, de toelichting in het bestreden besluit en het verweerschrift, in onderling verband en samenhang beschouwd, ziet het College onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van perceel 30 onjuist heeft vastgesteld.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2018.

w.g. H.L. van der Beek w.g. W.M.J.A. Duret