Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:353

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
16/1251
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

randvoorwaardenkorting, I&R registratie, art 7 Vo 1760/2000

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1251

5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. A.J. Roos),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 14% op de aan appellante voor het jaar 2015 te verlenen rechtstreekse betalingen.

Bij besluit van 9 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 4% op de aan appellante voor het jaar 2015 te verlenen rechtstreekse betalingen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 februari 2018 heeft verweerder nadere informatie verstrekt.

Bij brief van 7 februari 2018 heeft appellante stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018.

Namens appellante is verschenen [naam 2] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Op 10 maart 2015 en op 26 november 2015 heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controles uitgevoerd op het landbouwbedrijf van appellante. Van de controle op 10 maart 2015 is een “Rapport verkorte verificatie I&R Rund” van 23 maart 2015 opgemaakt en van de controle op 26 november 2015 zijn een “Rapport Fysieke Controle I&R Runderen” van 27 november 2015 en een “Inspectieverslag” van 5 januari 2016 opgemaakt. Ter zake van elke controle is voorts opgemaakt een “Checklist toepassen randvoorwaarden voor handmatig beoordelen NVWA rapporten 2015” (Checklist). Wat betreft de controle van 10 maart 2015 blijkt daaruit dat is geconstateerd dat vijf mutaties niet tijdig of juist waren doorgegeven, omdat vier runderen bij de buurman van appellante in de stal stonden terwijl zij wel op de stallijst van appellante stonden en een rund van de buurman bleek in de stal van appellante te staan. Uit de controle van 26 november 2015 blijkt dat is geconstateerd dat van de 1611 aanwezige runderen negen runderen slechts één oormerk en twee runderen geen oormerk droegen en dat 40 runderen zijn aangetroffen die met een onjuiste haarkleur waren geregistreerd. Uit een door verweerder bij het verweerschrift gevoegd overzicht blijkt dat veertien van die 40 runderen waren geboren na 10 maart 2015.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder appellante voor het subsidiejaar 2015 een randvoorwaardenkorting van 14% opgelegd.

1.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de randvoorwaardenkorting voor het subsidiejaar 2015 verlaagd naar 4%. Hiertoe heeft verweerder het volgende uiteengezet. Verweerder handhaaft niet meer dat sprake is van een niet-naleving van de randvoorwaarde mestopslag/opslag kuilvoer. Wat betreft de randvoorwaarde identificatieplicht runderen heeft verweerder uiteengezet dat tijdens de controle van 26 november 2015 is geconstateerd dat negen van de 1.611 aanwezige runderen slechts één oormerk droegen en dat er twee runderen waren zonder oormerken en dat aldus volgens de toepasselijke regelgeving sprake is van een niet-naleving van deze randvoorwaarde. Volgens verweerder hoeft niet eerst een waarschuwing gegeven te worden, omdat er twee runderen aanwezig waren zonder oormerken en aldus niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder 9, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Beleidsregel). Verweerder heeft de korting van dit onderdeel verlaagd naar 3%, omdat sprake is van verlichtende omstandigheden. Hij heeft hiertoe vastgesteld dat de niet-naleving betrekking heeft op slechts enkele van appellantes – zeer grote aantal – runderen, waarvan slechts twee – identificeerbare – dieren beide merken waren verloren, zodat de ook de overtreding in zijn totaliteit bezien in verhouding tot het totaal aantal dieren gering is. Wat betreft de randvoorwaarde mutaties I&R-systeem en bedrijfsregister heeft verweerder uiteengezet dat tijdens de controle van 10 maart 2015 is geconstateerd dat vijf mutaties niet tijdig/juist waren doorgegeven en dat tijdens de controle van 26 november 2015 is geconstateerd dat er 40 runderen waren aangetroffen met een onjuiste registratie van de haarkleur en dat aldus volgens de toepasselijke regelgeving sprake is van een niet-naleving van deze randvoorwaarde. Volgens verweerder is deze niet-naleving niet van een dermate gering belang dat een korting achterwege kan blijven (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder h, van de Beleidsregel), omdat – voor zover thans nog van belang – tijdens de controle van 10 maart 2015 is geconstateerd dat vijf mutaties niet tijdig/juist waren doorgegeven en tijdens de controle van 26 november 2015 40 runderen waren aangetroffen met een onjuiste registratie van de haarkleur. Wel ziet verweerder bij deze niet-naleving, gelet op de aard en omvang ervan, aanleiding om de korting te verlagen naar 1%, omdat sprake is van verlichtende omstandigheden. Daarbij heeft verweerder deze aantallen afgezet tegen het zeer grote totale aantal aanwezige runderen op het bedrijf van appellante. Voorts heeft verweerder uiteengezet dat sprake is van een herhaalde niet-naleving van de verplichting ten aanzien van de mutaties I&R-systeem en bedrijfsregister. Omdat de niet-naleving van deze verplichting is geconstateerd op 10 maart 2015 en 26 november 2015 is sprake van een herhaling. Op basis van de rekenregels zoals weergegeven in de artikelen 73 en 74 van de hierna te noemen Verordening 809/2014 heeft verweerder een kortingspercentage opgelegd van in totaal 4%.

2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij het College voor zover dat besluit gebaseerd is op de Uitvoeringsregeling. Voorts heeft appellant bij de rechtbank Den Haag beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover dit is gebaseerd op het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer. De rechtbank Noord-Nederland heeft dit beroep bij uitspraak van 14 juli 2017 gegrond verklaard. Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).

3.1

Appellante heeft aangevoerd dat geen korting kan worden opgelegd omdat het opgemaakte rapport en het verslag niet voldoen aan de voorwaarden die daaraan worden gesteld waardoor het primaire en het bestreden besluit onvoldoende zijn gemotiveerd en onzorgvuldig zijn voorbereid. Zo is appellante niet in de gelegenheid gesteld het verslag te ondertekenen om haar aanwezigheid tijdens de controle te bevestigen en opmerkingen daaraan toe te voegen. Ook heeft appellante geen kopie van het controleverslag ontvangen. Daarnaast vermeldt het rapport niet de normen die niet zouden zijn nageleefd en ontbreekt een evaluatiegedeelte.

3.2

Over het verliezen van de twee oormerken heeft appellante aangevoerd dat dit niet hoeft te worden aangemerkt als een te sanctioneren niet-naleving van de betreffende randvoorwaarde. Appellante meent aan de ter zake geldende regelgeving te hebben voldaan, omdat alle runderen in twee oren zijn gemerkt. Zij kan niet voorkomen dat de dieren oormerken verliezen. Het is een algemeen gegeven dat verlies van oormerken veelvuldig voorkomt bij rundveebedrijven. Zij onderneemt daarop ook actie en bestelt binnen drie dagen na verlies nieuwe oormerken. Appellant heeft een bedrijf van 1600 runderen. Tijdens de controle op 26 november 2015 misten twaalf dieren één oormerk en twee dieren beide oormerken. Dit percentage is ver beneden de 1% en om die reden verwaarloosbaar klein. Van nalatigheid van de kant van appellante is geen sprake, terwijl de niet-naleving haar bovendien niet kan worden toegerekend. Appellante beroept zich voorts op overmacht, omdat het niet in haar macht ligt deze situatie te voorkomen. Verweerder had hier geen korting mogen opleggen.

3.3

Appellante heeft voorts aangevoerd dat van een herhaling van de niet-naleving van de verplichting ten aanzien van de mutaties I&R-systeem en bedrijfsregister op 26 november 2015 geen sprake is. In de eerste plaats heeft appellante erop gewezen dat de NVWA heeft verzuimd de vermeende overtredingen eerder, namelijk op 10 maart 2015, op te merken. Een herhaling is voor appellante nadelig, omdat iedere volgende kleine overtreding weer een herhaling oplevert, waarbij de korting nogmaals met factor drie wordt vermenigvuldigd. In de tweede plaats heeft appellante erop gewezen dat het niet melden van een gewijzigde haarkleur van de runderen of het registreren van een onjuiste haarkleur niet leidt tot een niet-naleving van de betreffende randvoorwaarde. Als al sprake is van een niet-naleving dan is de aard en omvang ervan bijzonder gering en dient daaraan geen sanctie te worden verbonden. Ter zitting van het College heeft appellante voorts erop gewezen dat geen sprake is van dezelfde eis of norm die is overtreden, zodat ook om die reden geen sprake is van een herhaling. Ter zake van de randvoorwaarde mutaties I&R-systeem en bedrijfsregister kan volgens appellante hooguit een korting van 1% worden opgelegd.

3.4

Appellante heeft ook gewezen op het door haar ingediende hoger beroepschrift bij de Afdeling. In aanvulling op de hiervoor weergegeven beroepsgronden heeft appellante daarin aangevoerd dat verweerder voor de ontbrekende mutaties op 10 maart 2015 had moeten volstaan met het geven van een waarschuwing. Appellante heeft in dit verband gewezen op het grote aantal dieren op haar bedrijf en op de geringe omvang, duur en ernst van de niet-naleving. Appellante stelt dat de beleidsregel waarin is bepaald dat bij maximaal drie niet gemelde mutaties wordt volstaan met een vroegtijdige waarschuwing, is gebaseerd op bedrijven met een gemiddelde veestapel van 400 dieren. Omdat appellante ruim vier maal zoveel dieren heeft, meent zij dat een redelijke uitleg van de beleidsregel in haar geval meebrengt dat bij minder dan twaalf mutatiefouten geen korting zou moeten worden opgelegd. Voorts heeft appellante in aanvulling op de beroepsgronden aangevoerd dat zij na verlies van de oormerken nieuwe oormerken heeft besteld en dat de runderen binnen tien dagen zijn hermerkt, waarmee zij heeft voldaan aan de toepasselijke regelgeving bij verlies van oormerken.

4.1

Het College overweegt als volgt.

4.2.1

Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen.

4.2.2

In deze bijlage wordt verwezen naar de artikelen 4 en 7 van de Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake etikettering van rundvlees en rundvleesproducten (Verordening 1760/2000). De beheerseisen zijn in Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, en bijlage 3, punt 7.1 en 7.2, van de Uitvoeringsregeling.

4.2.3

Daarin wordt onder punt 7.1 verwezen naar de artikelen 4, eerste lid, en 4bis van Verordening 1760/2000 en artikel 11, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren.

Artikel 11 van de Regeling identificatie en registratie van dieren bepaalde ten tijde en voor zover hier van belang dat de houder ervoor zorgdraagt dat de merken aan of in de dieren die hij houdt, bevestigd, onderscheidenlijk aanwezig blijven.

4.2.4

Onder punt 7.2 wordt verwezen naar artikel 7, eerste lid eerste en tweede gedachtestreepje van Verordening 1760/2000 en naar artikel 19 van de Regeling identificatie en registratie van dieren.

Ingevolge artikel 7 eerste lid, van Verordening 1760/2000 houdt elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders een register bij en stelt hij de bevoegde autoriteit binnen een door de betrokken lidstaat vastgestelde maximumtermijn in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden; die maximumtermijn bedraagt minstens drie en hoogstens zeven dagen na het voordoen van een van die gebeurtenissen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren tekent de houder in het bedrijfsregister binnen 3 werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden, de gegevens aan, bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van verordening 1760/2000 en bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met d, van verordening 911/2004 en indien een rund op het bedrijf van de houder is geboren de identificatiecode van de moeder van dat rund.

Artikel 8 van Verordening (EG) nr. 911/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft oormerken, paspoorten en bedrijfsregisters luidde ten tijde en voor zover hier van belang als volgt.

“Het register dat op het bedrijf wordt bijgehouden, moet ten minste het volgende bevatten:

a) de meest recente gegevens als bedoeld in artikel 14, lid 3, punt C.1, eerste tot en met vierde streepje, van Richtlijn 64/432/EEG;

b) de datum waarop het dier op het bedrijf is doodgegaan;

c) voor dieren die het bedrijf verlaten, de naam en het adres van de houder, met uitzondering van de vervoerder, naar wie of de identificatiecode van het bedrijf waarnaar het dier is vervoerd, en de datum van vertrek;

d) voor dieren die op het bedrijf aankomen, de naam en het adres van de houder, met uitzondering van de vervoerder, van wie of de identificatiecode van het bedrijf waarvan het dier afkomstig is, en de datum van aankomst;

(…)”

Artikel 14, derde lid, punt C.1 van Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (64/432/EEG), luidde ten tijde en voor zover hier van belang als volgt.

“C. Het gecomputeriseerde gegevensbestand dient minimaal de onderstaande informatie te behelzen:

1. Voor elk dier:

- de unieke identificatiecode of -codes, voor de gevallen bedoeld in artikel 4, lid 1, artikel 4 ter, artikel 4 quater, lid 1, en artikel 4 quinquies, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad,

- datum van geboorte,

- geslacht,

- ras of kleed,
(…)”

In de Duitse en Engelse versie van deze richtlijn staat onder het vierde gedachtestreepje van deze bepaling respectievelijk “die Rasse oder die Farbe” en “breed or colour of coat”.

4.3

De rapporten en het verslag en de ter zake opgemaakte checklisten vormen samen het controleverslag in het kader van een randvoorwaardencontrole als bedoeld in artikel 72 van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014). Daarin zijn de in die bepaling vermelde gegevens opgenomen. Hoewel de rapporten en het verslag zelf niet specifiek de besluiten en normen bevatten ten aanzien waarvan niet-nalevingen van de onderscheiden verplichtingen zijn vastgesteld, moet worden vastgesteld dat deze besluiten en normen wel specifiek worden vermeld in de checklist, zodat de eisen en normen waarop de controle betrekking had voor appellante in zoverre duidelijk waren. Artikel 72 stelt niet de eis dat de landbouwer in de gelegenheid wordt gesteld om het controleverslag te ondertekenen. Anders dan appellante aanvoert, bevatten de checklisten onder het kopje ‘Beoordeling” een evaluatie van de vastgestelde niet-nalevingen. Tot slot acht het College van belang dat de rapporten en verslag aan appellante ter beschikking is gesteld via “Mijn dossier” op de website “mijnrvo.nl” en dat appellante in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij ook gebruik heeft gemaakt, te reageren op de voorgenomen randvoorwaardenkorting alvorens verweerder het primaire besluit heeft genomen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zijn besluitvorming niet mocht baseren op de rapporten en het verslag.

4.4.1

Uit artikel 11 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, gelezen in samenhang met artikel 4 van Verordening 1760/2000, volgt dat runderen een oormerk in elk oor moeten dragen. Als onbetwist staat vast dat ten tijde van de controle negen runderen één oormerk en twee runderen geen oormerken droegen. Het College volgt appellante niet in haar standpunt dat de op haar rustende verplichting bij verlies van oormerken beperkt is tot het binnen drie werkdagen na het verlies bestellen van nieuwe oormerken die binnen tien werkdagen moeten worden bevestigd. Er is sprake is van een niet-naleving van deze randvoorwaarde.

4.4.2

Van een overmachtssituatie of een niet aan appellante toe te rekenen dan wel niet verwijtbare niet-naleving is geen sprake, aangezien appellante verantwoordelijk is voor de identificatie en registratie van de runderen op haar bedrijf.

4.4.3

Verweerder is, gezien het voorgaande, op grond van artikel 97, eerste lid, van Verordening 1306/2013, in samenhang met artikel 39, eerste lid, van Gedelegeerde verordening (EU) Nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014) in beginsel gehouden om voor de geconstateerde niet-naleving een randvoorwaardenkorting van 3% vast te stellen. Op grond van artikel 99, eerste lid, van Verordening 1306/2013 kan in het geval van een niet-naleving van gering belang de randvoorwaardenkorting worden gematigd. Verder kan op grond van het tweede lid, in gevallen van een niet-naleving die gelet op haar geringe ernst, omvang en duur geen aanleiding geeft tot een verlaging of uitsluiting, voor zover geen sprake is van een herhaling, worden volstaan met het doen van een waarschuwing (de zogenoemde “early warning”). Gevallen die een rechtstreeks gevaar voor de volksgezondheid of de gezondheid van dieren vormen, geven altijd aanleiding tot verlaging of uitsluiting. Artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel bepaalt dat verweerder op grond van de beoordeling van de niet-naleving van de randvoorwaarde die, gelet op haar geringe ernst, omvang en duur, in naar behoren gemotiveerde gevallen geen aanleiding geeft tot een verlaging of uitsluiting, eerst een waarschuwing wordt gegeven als bedoeld in artikel 99, tweede lid, van Verordening 1306/2013, mits geen sprake is van een herhaling. In artikel 2, tweede lid, aanhef en onder g van de Beleidsregel is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde niet-nalevingen van de randvoorwaarden in ieder geval betreffen artikel 4 van Verordening 1760/2000 en artikel 11 van de Regeling identificatie en registratie van dieren in het geval van het verlies van één oormerk bij maximaal 10 procent tot het absolute aantal van 20 runderen en de identiteit van de runderen kan worden aangetoond. Op grond van dit artikel is wat betreft de twee runderen zonder oormerken, de in geding zijnde overtreding niet een niet-naleving waarvoor aan de landbouwer eerst een waarschuwing wordt gegeven. Verweerder hoefde daarom voor die niet-naleving niet eerst een waarschuwing aan appellante geven. De afwezigheid van beide oormerken bij een rund - anders dan het geval waarin sprake is van het verlies van één oormerk - betekent dat het dier niet te identificeren is met de daarvoor vastgestelde middelen. Deze inbreuk op de identificatieverplichting kan niet worden aangemerkt als een geval van gering belang. Verweerder was gehouden om een randvoorwaardenkorting vast te stellen. Verweerder heeft aanleiding gezien om de randvoorwaardenkorting van 3% te verlagen naar 1%. Voor een verdere verlaging van de korting tot nihil bestaat geen grond.

4.5.1

Appellante betwist niet dat tijdens de controle van 10 maart 2015 is geconstateerd dat vier runderen bij de buurman van appellante in de stal stonden terwijl zij op de stallijst van appellante stonden en dat een rund van de buurman in de stal van appellante stond en dat deze vijf mutaties niet tijdig of juist waren doorgegeven. Aldus is sprake van een niet-naleving van artikel 7 van Verordening 1760/2000 en artikel 19 van de Regeling identificatie en registratie dieren. Verweerder is, gezien het voorgaande, op grond van artikel 97, eerste lid, van Verordening 1306/2013, in samenhang met artikel 39, eerste lid, van Verordening 640/2014 in beginsel gehouden om voor de geconstateerde niet-naleving een randvoorwaardenkorting van 3% vast te stellen. In artikel 2, tweede lid, aanhef en onder g van de Beleidsregel is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde niet-nalevingen van de randvoorwaarden in ieder geval betreffen artikel 7 van Verordening 1760/2000 en artikel 19 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het bedrijfsregister onvolledig is bijgehouden ten aanzien van maximaal 10 procent van de runderen tot het absolute aantal van 20 runderen, voor zover maximaal 3 mutaties niet zijn gemeld en de identiteit van de runderen is aangetoond. Op grond van dit artikel is voor de vijf mutaties, de in geding zijnde overtreding niet een niet-naleving waarvoor aan de landbouwer eerst een waarschuwing wordt gegeven. Verweerder behoefde voor die niet-naleving niet eerst een waarschuwing aan appellante te geven. Zoals verweerder heeft toegelicht is bij het vaststellen van deze beleidsregel bewust is gekozen voor een absoluut maximumaantal gelet op het zwaarwegende belang van de volksgezondheid en de gezondheid van dieren die vereist dat het Europese registratiesysteem te allen tijde op orde is. Deze inbreuk op het belang van juiste registratie kan niet worden aangemerkt als een geval van gering belang. Verweerder was gehouden was om een randvoorwaardenkorting vast te stellen. Verweerder heeft in de bedrijfsgrootte van appellante geen aanleiding hoeven zien om van het beleid af te wijken, omdat de bedrijfsgrootte als zodanig niet afdoet aan de ernst van de overtredingen en de eventuele gevolgen daarvan.

4.5.2

Appellante betwist niet dat tijdens de controle van 26 november 2015 is geconstateerd dat 40 runderen zijn aangetroffen die met een onjuiste haarkleur waren geregistreerd. Uit de hiervoor onder 4.2.4 weergegeven bepalingen volgt dat het kleed van een rund moet worden vermeld in het bedrijfsregister en dat, meer in het bijzonder, onder kleed ook de haarkleur moet worden verstaan. Derhalve is sprake van een niet-naleving van deze randvoorwaarde. Aangezien uit een door verweerder bij het verweerschrift gevoegd overzicht blijkt dat veertien van die 40 runderen waren geboren na 10 maart 2015 en appellante deze informatie niet heeft betwist, volgt het College appellante niet in haar standpunt dat de NVWA de niet-naleving van deze randvoorwaarde reeds tijdens de controle op 10 maart 2015 had kunnen constateren.

Anders dan appellante heeft aangevoerd was verweerder niet gehouden ter zake van de niet-naleving van deze randvoorwaarde een waarschuwing te geven, omdat uit artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel volgt dat verweerder geen waarschuwing geeft indien sprake is van herhaalde niet-naleving. Zoals hierna wordt overwogen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een herhaalde niet-naleving.

4.5.3

De registratie van een onjuiste haarkleur kan worden aangemerkt als een eerste herhaling van dezelfde niet-naleving van in r.o. 4.2.4 genoemde randvoorwaarde. Verweerder heeft de verlaging van 1% terecht vermenigvuldigd met de factor 3 en terzake terecht een korting heeft opgelegd van 3%. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van Verordening 640/2014 wordt, wanneer een geconstateerde niet-naleving het gevolg is van nalatigheid van de begunstigde, een verlaging toegepast. Ingevolge het vierde lid van die bepaling wordt – kort gezegd – de verlaging die voor een niet-naleving overeenkomstig het eerste lid is toegepast, bij de eerste herhaling van dezelfde niet-naleving vermenigvuldigd met de factor drie. Onder een “herhaling” van een niet-naleving wordt, voor zover hier van belang, verstaan een meer dan eenmaal binnen een periode van drie opeenvolgende kalenderjaren geconstateerde niet-naleving van dezelfde eis of norm (artikel 38, eerste lid, van Verordening 640/2014). Uit bijlage II bij Verordening 1306/2013 volgt dat de artikelen 4 en 7 van Verordening 1760/2000 tot dezelfde beheereis behoren, namelijk beheerseis 7, zodat appellante niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat de niet tijdige of onjuiste registratie van de vijf mutaties onder een andere beheerseis vallen dan de registratie van een onjuiste haarkleur.

4.6

Ingevolge artikel 74, tweede lid, van Verordening 809/2014 worden, wanneer een herhaling wordt geconstateerd samen met een andere niet-naleving of een andere herhaling, de daaruit voortvloeiende verlagingspercentages bij elkaar opgeteld. De maximale verlaging is evenwel niet hoger dan 15% van het in artikel 73, vierde lid, bedoelde totale bedrag. Verweerder heeft terecht een randvoorwaardenkorting van 4% vastgesteld voor de aan appellante voor het jaar 2015 te verlenen rechtstreekse betalingen.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, mr. A. Venekamp en mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2018.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. J.B.C. van der Veer