Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:332

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
17/431
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/431

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: R. Scholten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Anvelink).

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2018. Verweerder is bij gemachtigde verschenen. Van de zijde van appellant is niemand verschenen.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij besluit van 10 maart 2016 aan appellant 125,34 betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers toegewezen. Bij het primaire besluit heeft verweerder appellant meegedeeld dat hij geen betalingsrechten krijgt, omdat hij minder dan 0,3 hectare subsidiabele landbouwgrond in gebruik heeft. In het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet dat hij op grond van artikel 23 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden, dat gaat over de intrekking van betalingsrechten, bij het primaire besluit de aan appellant toegewezen betalingsrechten heeft ingetrokken, omdat hij heeft vastgesteld dat hij appellant ten onrechte betalingsrechten heeft toegewezen. Onder verwijzing naar de artikelen 28, tweede lid, van de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en artikel 2.9, derde lid, van de Uitvoeringsregeling heeft verweerder uiteengezet dat appellant alleen betalingsrechten uit de Nationale reserve kan verkrijgen voor subsidiabele hectares die appellant in gebruik heeft, zonder dat appellant daarvoor reeds betalingsrechten heeft. Volgens verweerder is gebleken dat appellant geen subsidiabele hectares in gebruik heeft, omdat hij op 15 mei 2015 niet het beheer had over subsidiabele hectares. Verweerder heeft in dit verband gewezen op het rapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van 13 januari 2016 (rapport). Uit dit rapport volgt dat appellant zijn dieren tegen een kleine vergoeding op basis van diverse overeenkomsten laat grazen op andermans percelen, terwijl niet is gebleken dat appellant de percelen voor eigen rekening en risico in gebruik had. Verschillende eigenaren van de percelen hebben ten overstaan van de inspecteur van de NVWA bevestigd dat er dieren van appellant werden gehuurd om de percelen te begrazen, maar dat deze eigenaren hebben aangeven dat de percelen niet aan appellant in gebruik zijn gegeven, aldus verweerder.

2. Appellant is het niet eens met het bestreden besluit. Hij heeft aangevoerd dat wat verweerder blijkens het bestreden besluit heeft afgeleid uit het rapport, in tegenstelling is met de inhoud van dat rapport. Appellant heeft gewezen op door hem gemarkeerde passages op de bladzijden 2 en 6 van het rapport. Op bladzijde 2 van het rapport heeft appellant gewezen op de passage waarin een medewerker van de gemeente [naam 3] de inspecteur van de NVWA heeft meegedeeld dat appellant de betreffende twee percelen in gebruik heeft en daar schapen weidt. Op bladzijde 6 van het rapport heeft appellant gewezen op de passage waarin een medewerker van de gemeente [naam 4] de inspecteur van de NVWA heeft meegedeeld dat er een pachtovereenkomst of overeenkomst tot feitelijke gebruikgeving schijnt te bestaan met appellant.

3. Het College is van oordeel dat deze beroepsgrond van appellant niet slaagt en overweegt daartoe als volgt.

3.1

Bij uitspraak van 18 januari 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:37) heeft het College geoordeeld over het beroep van onder meer appellant over de vaststelling van de bedrijfstoeslag voor de jaren 2013 en 2014 op grond van de Regeling GLB‑inkomenssteun 2006. Deze beoordeling heeft het College gemaakt in het kader van de toepassing van artikel 34, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009). Daarbij heeft het College aan de hand van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie beoordeeld of de landbouwgrond die appellant had opgegeven deel uitmaakt van zijn bedrijf.

3.2

Met het bestreden besluit heeft verweerder uitvoering gegeven aan regelgeving die Verordening 73/2009 heeft vervangen, namelijk Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Ook onder de werking van Verordening 1307/2013 is vereist dat landbouwgrond waarvoor een landbouwer steun vraagt deel uitmaakt van zijn bedrijf, bij welke beoordeling deze jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt gehanteerd.

3.3

De gemeente [naam 4] heeft de met appellant gesloten overeenkomst aan de NVWA toegezonden en deze overeenkomst maakt onderdeel uit van het rapport. Uit deze overeenkomst, door appellant getekend op 29 december 2011, volgt – kort gezegd – dat appellant dieren heeft verhuurd aan de gemeente [naam 4] ten behoeve van het op ecologische wijze onderhouden van het gemeentelijke terrein. Hoewel het in onderhavige zaak gaat om het jaar 2015, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat in dat jaar een andere overeenkomst van toepassing was. Het College heeft voorts geen aanwijzingen dat de overeenkomst met de gemeente [naam 3] een andere strekking heeft. Over dergelijke door appellant gesloten overeenkomsten – waarbij appellant dieren uitleende (verhuurde) aan de eigenaren van percelen om die percelen te begrazen – heeft het College in genoemde uitspraak overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat appellant met het verhuren of uitlenen van de dieren aan de eigenaren van de percelen het beheer over die percelen heeft overgenomen van de eigenaren van die percelen. De percelen werden niet ter beschikking gesteld aan appellant opdat hij die percelen als weidegrond kon gebruiken, maar appellant stelde zijn dieren ter beschikking aan de eigenaren van de percelen. Mogelijk had appellant beslissingsbevoegdheid over de dieren die op de percelen graasden, maar die beslissingsbevoegdheid betrof niet het gebruik van de percelen. De eigenaren van de percelen bepaalden immers op welke wijze de percelen werden gebruikt, namelijk door begrazing van dieren die aan hen door appellant ter beschikking waren gesteld. Volgens het College kon dan ook niet worden staande gehouden dat appellant ten aanzien van deze percelen ter zake over voldoende autonomie beschikte, zodat de betreffende percelen in 2013 en 2014 niet tot zijn bedrijf behoorden.

3.4

Bij deze stand van zaken ziet het College ten aanzien van het beheer van de percelen in 2015 geen reden anders te oordelen dan over de jaren 2013 en 2014. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat appellant op 15 mei 2015 niet het beheer had over subsidiabele hectares.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

w.g. A. Venekamp w.g. M.B.L. van der Weele