Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:331

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
17/423 en 17/424
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB, toewijzing betalingsrechten en uitbetaling basis- en vergroeningsbetaling, subsidiabele oppervlakte, eerdere controle ter plaatse, rus en riet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/423 en 17/424

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellanten

(gemachtigde: R. Scholten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S. van Rijn).

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan appellanten 28,78 betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 27 mei 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellanten om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling.

Bij besluit van 10 maart 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen het primaire besluit 1 gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit 1 herroepen en aan appellanten 28,85 betalingsrechten toegewezen.

Bij besluit van 14 maart 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen het primaire besluit 2 gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit 2 herroepen en een bedrag van € 15.294,82 vastgesteld aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015.

Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2018. Appellant [naam 2] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van appellanten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het geschil gaat over de oppervlakte van de percelen 1 en 10 die appellanten in de Gecombineerde opgave 2015 hebben opgegeven. Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van perceel 1 in het primaire besluit 1 vastgesteld op 1,69 hectare (ha) en van perceel 10 op 2,98 ha en heeft deze vaststelling in het bestreden besluit 1 gehandhaafd.

2. Appellanten betogen dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van deze percelen te klein heeft vastgesteld. Appellanten wijzen erop dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van de percelen 1 en 10 eerder, bij de beslissing op bezwaar van 20 mei 2016 over de bedrijfstoeslag voor het jaar 2013, heeft vastgesteld op achtereenvolgens 1,71 en 3,72 ha. Volgens appellanten had verweerder bij het nemen van de bestreden besluiten van deze oppervlakten moeten uitgaan. Perceel 10 is vanaf 2014 gesplitst in perceel 10 en perceel 16, maar de feitelijke situatie op de percelen is niet veranderd, aldus appellanten.

3. Ten aanzien van perceel 1 heeft verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat op het niveau van het referentieperceel sprake is van een verschil van minder dan 2% tussen de oppervlakte die verweerder heeft geconstateerd en de oppervlakte waarop appellanten zich beroepen. Appellanten hebben dit niet betwist. Gelet op artikel 5, derde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014) mag verweerder bij een verschil van minder dan 2% uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van dat verschil. Het College verwijst in dit verband naar zijn eerdere uitspraak van 29 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:197). Gelet hierop kan het betoog van appellanten dat verweerder de oppervlakte voor perceel 1 te klein heeft vastgesteld niet slagen.

4. Ten aanzien van perceel 10 heeft verweerder zich in het bestreden besluit 1 en het verweerschrift op het standpunt gesteld dat op de zuidzijde van dit perceel dusdanig sprake is van rus en riet dat deze oppervlakte niet kan worden aangemerkt als landbouwgrond en dus ook niet als subsidiabele oppervlakte. Dat de oppervlakte voor het jaar 2013 is vastgesteld op 3,72 ha, betekent volgens verweerder niet dat voor het jaar 2015 ook van deze oppervlakte moet worden uitgaan. De feitelijke situatie kan immers per jaar verschillen. Volgens verweerder is het gedeelte waarop zich rus en riet bevindt in het jaar 2015 duidelijk uitgebreid ten opzichte van de situatie in het jaar 2013 en is terecht een kleinere oppervlakte vastgesteld.

5. Het College constateert dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 10 oktober 2014 een controle heeft verricht op het bedrijf van appellanten. Zoals blijkt uit de beslissing op bezwaar van 20 mei 2016 heeft verweerder de oppervlakte van perceel 10 naar aanleiding van deze controle voor het jaar 2013 verhoogd naar 3,72 ha. In het rapport van deze controle is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

P10 is grasland. Het perceel is geheel omheind. Er is een drinkvoorziening aangelegd, waardoor het perceel is ingericht voor het houden van vee. Op het moment van controle wordt dit perceel begraasd door 9 runderen (incl. jongvee). Het betreft een hollebollig perceel, met enkele diepe delen, die ten tijde van de controle droog staan. Aan de noordoostelijke kant van het perceel ligt langs de [naam 3] een laaggelegen deel. Op dit deel staan op de drassige grond hogere planten als bies en rus. Het onderscheid is duidelijk vanaf de dijk aan het kleurverschil in vegetatie te zien (zie foto 1). Dit laaggelegen deel is natuurlijk grasland, maar dit vormt gezien de omheining één geheel met het blijvend grasland op de rest van perceel 10. Hoewel er hoefsporen van het rundvee in dit deel zijn te zien, worden planten als rus en bies gezien de lengte ervan door het rundvee veelal ontzien. De oorzaak hiervan ligt ook in het voorradig zijn van goed gras op het overige deel van perceel 10. Toch wordt er ook gegraasd op dit noordoostelijk laaggelegen deel (zie foto 2). In het noordoostelijk laaggelegen deel komen hogere planten als bies en (pit)rus voor, maar grassen (zie foto 8, 9, 10) en kruidachtige planten (foto 11) groeien hier overal tussen. Er is één gedeelte waar bies en rus het gras duidelijk overheersen. Dat betreft een zeer laag deel dat zuidoostelijk van de poel ligt (zie foto 6). Dichter naar de [naam 3] groeit overwegend riet (zie foto 4). Tussen het riet langs de omheining (zie foto 5) zijn open plekken met een beginnende verruiging (zie foto 3). Met een meting heb ik zo goed mogelijk getracht een grens vast te stellen van het begraasde deel van perceel 10, waarbij op het noordoostelijk laaggelegen deel de zichtbaar kort begraasde delen tussen bies (zie foto 7) zijn meegenomen in de meting. Perceel 10 is gemeten met een GPS Satcon met een oppervlakte van 3,7181 ha, afgerond 3,72 ha en een omtrek van 2092 meter. Tevens heb ik nog een lijnmeting in perceel 10 gedaan van de grens waar oostelijk hoofdzakelijk riet groeit. Op de bijlage plattegrond ligt oostelijk van deze lijnmeting de rietkraag met de open verruigde plekken. Als bijlage zijn enkele foto’s (zie foto’s 1 tot en met 11) van de vegetatie op perceel 10 gevoegd.”

6. Het College heeft de door verweerder overgelegde luchtfoto’s van het jaar 2015 vergeleken met de luchtfoto’s van het jaar 2013. Naar het oordeel van het College blijkt uit een vergelijking van deze foto’s onvoldoende dat het gebied met rus en riet in het jaar 2015 is toegenomen en dat de situatie dus ten opzichte van het jaar 2013 is veranderd. De donkere plekken aan de zuidzijde van het perceel lijken op de foto’s uit beide jaren nagenoeg hetzelfde. Op de foto’s van het jaar 2015 is te zien dat de zuidzijde van het perceel, welk gedeelte op de foto voor een deel onder de slagschaduw van de bomen valt, anders van kleur en structuur is dan het gedeelte ten noorden daarvan dat verweerder wel subsidiabel heeft geacht. Op basis van de foto’s is echter niet zonder meer duidelijk dat hier in zodanige mate sprake is van rus en riet dat dit gedeelte niet als landbouwgrond en dus niet als subsidiabele oppervlakte kan worden aangemerkt. Ook is niet duidelijk wat het verschil is met de situatie in het jaar 2013, nu de foto’s uit 2013 eenzelfde beeld laten zien. Het College acht verder van belang dat appellanten ter zitting hebben verklaard dat het perceel een zogenoemd oerperceel is, met veel hoogteverschillen. Volgens appellanten is het gebied onder de slagschaduw van de bomen, dat nu door verweerder is afgewezen, hooggelegen en in vergelijking met andere delen van het perceel het best begaanbaar. Appellanten betwisten niet dat er rus en riet groeit, maar volgens appellanten groeit er overal gras tussen. Dit blijkt naar het oordeel van het College ook uit het controlerapport van de NVWA. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat verweerder bij het vaststellen van de subsidiabele oppervlakte van dit perceel ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het controlerapport van de NVWA en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij, in afwijking van de situatie in het jaar 2013, een kleinere oppervlakte heeft vastgesteld. Dat er destijds een andere regeling gold, namelijk de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, vormt, anders dan verweerder ter zitting heeft gesuggereerd, op zichzelf geen grond voor de conclusie dat verweerder daarom geen rekening heeft hoeven houden met de situatie in het jaar 2013. Wat onder het begrip subsidiabele hectare wordt verstaan is immers niet veranderd.

7. Gelet op het voorgaande komt het College tot de conclusie dat het bestreden besluit 1 niet in stand kan blijven. Nu de uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling in het bestreden besluit 2 is gebaseerd op het toegewezen aantal betalingsrechten uit het bestreden besluit 1, kan ook het bestreden besluit 2 niet in stand blijven. De beroepen van appellanten zijn gegrond en de bestreden besluiten 1 en 2 moeten worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 (het zorgvuldigheidsbeginsel) en 7:12, eerste lid, (motiveringsbeginsel) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College zal verweerder opdragen opnieuw op de bezwaren van appellanten te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak.

8. Het College veroordeelt verweerder in de door appellanten gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De beroepen zijn daarbij beschouwd als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb. In de nieuwe beslissingen op bezwaar zal verweerder (opnieuw) moeten ingaan op het verzoek van appellanten om vergoeding van de door hen in de bezwaarfase gemaakte kosten op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De in het bestreden besluit 1 opgenomen proceskostenvergoeding komt met vernietiging van dit besluit immers te vervallen.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten 1 en 2;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 168,- aan appellanten te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

w.g. J.A. Hagen w.g. D. de Vries