Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:329

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
17/120, 17/198 en 17/1767
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB, teruggave financiële discipline, verhoging waarde betalingsrechten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/120, 17/198 en 17/1767

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2018 in de zaken tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S. van Rijn).

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de teruggave financiële discipline over het jaar 2016 vastgesteld.

Bij besluit van 16 november 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de waarde van de betalingsrechten voor het jaar 2016 verhoogd.

Bij besluit van 16 december 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 5 januari 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 12 september 2017 (het primaire besluit 3) heeft verweerder de teruggave financiële discipline over het jaar 2017 vastgesteld.

Bij besluit van 1 november 2017 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit 3 ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is geregistreerd onder zaaknummer 17/120, het beroep tegen het bestreden besluit 2 onder zaaknummer 17/198 en het beroep tegen het bestreden besluit 3 onder zaaknummer 17/1767.

Verweerder heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op de zitting van 28 mei 2018. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de teruggave financiële discipline vastgesteld op 1,44% van het bedrag aan rechtstreekse betalingen boven de € 2.000,- dat appellant over het begrotingsjaar 2015 heeft ontvangen. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder het primaire besluit 1 gehandhaafd.

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de betalingsrechten met terugwerkende kracht per 15 mei 2016 met 1,874% verhoogd. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder het primaire besluit 2 gehandhaafd.

Bij het primaire besluit 3 heeft verweerder de teruggave financiële discipline vastgesteld op 1,37% van het bedrag aan rechtstreekste betalingen boven de € 2.000,- dat appellant over het begrotingsjaar 2016 heeft ontvangen. Bij het bestreden besluit 3 heeft verweerder het primaire besluit 3 gehandhaafd.

2. Appellant heeft tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 het volgende aangevoerd. Appellant heeft rechtsmiddelen aangewend tegen de primaire besluiten en de beslissingen op bezwaar over de toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling voor de jaren 2015 en 2016. Deze procedures zijn nog niet afgerond. Volgens appellant had verweerder met de besluiten tot teruggave van de financiële discipline over de jaren 2016 en 2017 en met het besluit tot verhoging van de waarde van de betalingsrechten over het jaar 2016 moeten wachten totdat deze procedures zijn afgerond. De aantallen en de waarde van de betalingsrechten staat nu nog niet onherroepelijk vast. Een positieve bijstelling van de subsidiabele oppervlakte binnen de beroepsprocedure heeft gevolgen voor de teruggave financiële discipline. De primaire en de bestreden besluiten zijn daarom prematuur tot stand gekomen en geven geen blijk van een zorgvuldige belangenafweging en een deugdelijke motivering, aldus appellant. Over het bestreden besluit 2 heeft appellant verder aangevoerd dat de weergave van de aantallen en de waarde van de betalingsrechten in het overzicht op de website www.mijnrvo.nl niet klopt en dus ook voor het jaar 2016 geen juist beeld geeft. Ook vraagt appellant zich af of een verwijzing in het bestreden besluit 2 naar de op de website www.mijnrvo.nl geregistreerde aantallen en de daarmee samenhangende waarde van de nieuw berekende waarde van betalingsrechten een juiste wijze van bekendmaken is.

3. Het College overweegt als volgt.

4. Steun in het kader van het Gemeenschappelijk landbouw beleid (GLB) wordt gekort om geld te reserveren voor een crisisfonds voor de landbouwsector (de financiële discipline). Dit volgt uit de artikelen 25 en 26 van Verordening (EU) Nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013). De reserve wordt aangelegd door GLB-steun te verlagen. Hiervoor stelt de Europese Commissie een korting vast op alle GLB-steun hoger dan € 2.000,- In het begrotingsjaar 2015 en 2016 is geen beroep gedaan op deze reserve. Om die reden kan de financiële discipline worden teruggegeven aan de eindontvangers die in het begrotingsjaar 2016 en 2017 onderworpen zijn aan financiële discipline. Dit volgt uit punt 19 van de considerans en artikel 26, vijfde lid, van Verordening 1306/2013. De beschikbare bedragen staan in de bijlage van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/2094 van de Commissie van 19 november 2015 inzake de terugbetaling, overeenkomstig artikel 26, lid 5, van Verordening 1306/2013, van de kredieten die zijn overgedragen van begrotingsjaar 2015 (Verordening 2015/2094). Nederland heeft het teruggave percentage voor 2015 berekend op 1,44% en voor 2016 op 1,37%. De percentages zijn niet in geschil. De teruggave financiële discipline over 2015 moet op grond van artikel 2 van Verordening 2015/2094 plaatsvinden vóór 16 oktober 2016. Voor 2016 moet de teruggave financiële discipline plaatsvinden vóór 16 oktober 2017, zo volgt uit artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2016/2073 van de Commissie van 23 november 2016 inzake de terugbetaling, overeenkomstig artikel 26, lid 5, van Verordening 1306/2013, van de kredieten die zijn overgedragen van begrotingsjaar 2016 (Verordening 2016/2073).

Op grond van artikel 30, zevende lid, onder e, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) kunnen lidstaten hun nationale of regionale reserves gebruiken om de waarde van alle betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsrechten op nationaal of regionaal niveau op permanente basis lineair te verhogen, mits voldoende bedragen beschikbaar blijven voor toezeggingen op grond van lid 6, onder a) en b), en van lid 9 van dit artikel.

5. Het College stelt vast dat de teruggave financiële discipline over het jaar 2016 en de verhoging van de waarde van de betalingsrechten over het jaar 2016 zijn gebaseerd op het besluit tot uitbetaling van de rechtstreekse betalingen over het jaar 2015. De teruggave financiële discipline over het jaar 2017 is gebaseerd op het besluit tot uitbetaling van de rechtstreekse betalingen over het jaar 2016. De besluiten tot uitbetaling van de rechtstreekse betalingen over de jaren 2015 en 2016 zijn op hun beurt gebaseerd op het besluit tot toewijzing van de betalingsrechten. Appellant heeft rechtsmiddelen aangewend tegen deze besluiten.

6. Zoals het College eerder, in de uitspraak van 28 juli 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:286) heeft overwogen, heeft een wijziging van het bedrag dat aan rechtstreekse betalingen over de jaren 2015 en 2016 wordt uitbetaald, gevolgen voor de berekening van de teruggave financiële discipline over de jaren 2016 en 2017, nu die teruggave een percentage is van dat bedrag. Dit betekent niet dat verweerder gehouden is te wachten met het nemen van het besluit tot teruggave van de financiële discipline totdat de procedure over de rechtstreekse betalingen over het begrotingsjaar is afgehandeld. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat de teruggave financiële discipline over het jaar 2015 moet plaats vinden vóór 16 oktober 2016 en over het jaar 2016 vóór 16 oktober 2017. Dat appellant bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten tot uitbetaling van de betalingsrechten over de jaren 2015 en 2016 (en het besluit tot toewijzing van de betalingsrechten), vormde voor verweerder voorts geen beletsel om op basis daarvan de besluiten tot teruggave van de financiële discipline over de jaren 2015 en 2016 en tot verhoging van de waarde van de betalingsrechten over het jaar 2016 te nemen, reeds omdat het bezwaar de werking van die besluiten gelet op artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht niet opschort. Verder is van belang dat verweerder in de bestreden besluiten, de verweerschriften en ter zitting uiteen heeft gezet dat, indien het bedrag dat aan rechtstreekse betalingen 2015 en 2016 wordt uitbetaald wordt gewijzigd, al dan niet naar aanleiding van een daartegen ingesteld rechtsmiddel, verweerder ook een nieuwe beslissing over de teruggave van de financiële discipline zal nemen. Voor de conclusie dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand gekomen zijn of niet deugdelijk zijn gemotiveerd bestaat zodoende geen grond.

7. Appellant heeft voorts zijn stelling over het bestreden besluit 2 dat de weergave van de aantallen en de waarde van de betalingsrechten in het overzicht op de website www.mijnrvo.nl niet klopt en dus voor het jaar 2016 geen juist beeld geeft, niet concreet gemaakt of onderbouwd. Het College ziet verder in de omstandigheid dat verweerder in het primaire besluit 2 voor de waarde van de betalingsrechten verwijst naar de website www.mijnrvo.nl, anders dan appellant mogelijk heeft willen betogen, geen aanleiding voor de conclusie dat het besluit tot verhoging van die waarde om die reden niet juist bekend gemaakt zou zijn. Appellant heeft zijn standpunt hieromtrent ook niet nader toegelicht. Zodoende ziet het College ook in dit opzicht geen grond voor de conclusie dat het bestreden besluit 2 onrechtmatig zou zijn.

8. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

w.g. J.A. Hagen w.g. D. de Vries