Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:328

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
17/338 en 17/339
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB 2015 - toewijzing en uitbetaling betalingsrechten - perceel oppervlaktes

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/338 en 17/339

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2018 in de zaken tussen

Maatschap [naam], te [plaats] , appellante,

(gemachtigde: mr. J.J. Borst),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. van der Zwaard).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan appellante betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 31 mei 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan appellante een bedrag ter zake van betalingsrechten (basisbetaling) en vergroeningsbetaling toegekend op grond van de Uitvoeringsregeling.

Bij besluit van 8 februari 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit I gedeeltelijk gegrond verklaard.

Bij besluit van 13 februari 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit II gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Bij brief van 16 februari 2017 heeft verweerder aangekondigd het bestreden besluit I deels te zullen gaan herzien.

Appellante heeft het beroep gehandhaafd en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2018. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De gemachtigde van verweerder is verschenen.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.

2.1.

Appellante heeft op 3 augustus 2015 bij verweerder een Gecombineerde opgave 2015 ingediend en hierin verzocht om toewijzing van betalingsrechten en uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling. Appellante heeft daarbij 47 percelen landbouwareaal opgegeven met een oppervlakte van in totaal 136,39 hectare (ha).

2.2

Bij het primaire besluit I heeft verweerder aan appellante 132,79 betalingsrechten toegewezen. Daarbij is verweerder uitgegaan van 132,79 ha subsidiabel landbouwareaal. Dit is de door verweerder geconstateerde totale subsidiabele oppervlakte van de door appellante opgegeven percelen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.3.

Bij het primaire besluit II heeft verweerder met inachtneming van het primaire besluit I het aan appellante uit te betalen bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling berekend en vastgesteld. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.4.

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit I gedeeltelijk gegrond verklaard, de subsidiabele oppervlakte van een aantal percelen alsnog groter vastgesteld, en aan appellante 133,02 betalingsrechten toegewezen.

2.5.

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit II gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft met inachtneming van het bestreden besluit I het aan appellante uit te betalen bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling opnieuw berekend en hoger vastgesteld.

2.6.

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

2.7.

Bij brief van 16 februari 2018 heeft verweerder bericht dat hij de subsidiabele oppervlakte van de percelen 16 en 71, 17, 20, 26, 28, 58, 61, 63 en 65 in een nader te nemen besluit alsnog (in totaal 1,36 ha) groter zal vaststellen dan hij in bestreden besluit I heeft gedaan. De aangepaste oppervlakte zal leiden tot een herziene vaststelling van de betalingsrechten.

2.8.

Appellante heeft op 16 mei 2018 een aanvullend beroepschrift ingediend waarin is vermeld dat verweerder de percelen 1, 2, 6, 11, 42 en 55 nog steeds te klein heeft vastgesteld. Appellante stelt dat ook die percelen, evenals de percelen die verweerder bij voormelde brief groter heeft vastgesteld, in overeenstemming met haar opgave subsidiabel moeten worden geacht. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij vanaf de grond genomen foto’s van de percelen 6, 17, 20, 34, 44, 57, 61, 62, 63, 64 in het geding gebracht.

2.9.

Appellante heeft het College op 25 mei 2018 per fax bericht dat zij met verweerder nader overleg heeft gehad over de door verweerder te nemen nadere beslissing. Dit overleg en de daarbij door verweerder verstrekte informatie zijn voor appellante reden aan te geven dat zij zich kan vinden in de herziene beslissing op bezwaar die door verweerder zal worden genomen.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1.

Nu appellante het beroep niet heeft ingetrokken, zal het College ingaan op de percelen waarvoor appellante een grotere oppervlakte heeft opgegeven dan door verweerder is geconstateerd en die, mede gelet op het door appellante ingediende beroepschrift van 29 mei 2017, en het aanvullend beroepschrift van 16 mei 2018, nog in geschil zouden kunnen zijn.

3.2.

Op grond van artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013), wordt onder een subsidiabele hectare verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit. Landbouwareaal is gelet op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013 om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten.

3.3.

In dit geding is eerst de vraag aan de orde of verweerder bij de toewijzing van de betalingsrechten 2015 in het bestreden besluit I is uitgegaan van de juiste, door hem geconstateerde subsidiabele oppervlaktes, van de door appellante opgegeven percelen 1, 2, 6, 11, 16 17, 20, 24, 26, 28, 34, 42, 44, 45, 55, 58, 61, 62, 63, 65 en 71.

3.4.

Het College gaat er gelet op eerdergenoemde overwegingen 2.7, 2.8 en 2.9 van uit dat de subsidiabele oppervlakte van de percelen 16 en 71, 17, 20, 26, 28, 58, 61, 63 en 65 bij het bestreden besluit I niet juist zijn vastgesteld. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de subsidiabele oppervlakte van die percelen in een nader te nemen besluit zal worden vastgesteld als vermeld in zijn brief van 16 februari 2018. Het College stelt vast dat daarmee niet volledig aan de door appellante opgegeven oppervlaktes van deze percelen is tegemoetgekomen. Het College is, na bespreking van de luchtfoto’s ter zitting en gelet op het feit dat appellante het College heeft bericht zich in de nader geconstateerde oppervlaktes van deze percelen te kunnen vinden, van oordeel dat van de juistheid van de door verweerder in zijn brief van 16 februari 2018 nader geconstateerde subsidiabele oppervlaktes van voormelde percelen moet worden uitgegaan.

3.5.

Met betrekking tot de percelen 1, 2, 6, 24, 42, 45 en 55 is door verweerder gesteld en door appellante niet betwist dat het verschil tussen de door appellante opgegeven oppervlakte en de door verweerder geconstateerde oppervlakte minder dan 2% bedraagt. Zoals het College in de uitspraak van 29 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:197 heeft geoordeeld, mag verweerder bij kleine veranderingen aan het referentieperceel binnen de marge van 2%, respectievelijk een verschil tussen de opgegeven en geconstateerde oppervlakte van minder dan 2%, uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van dat verschil. Wat appellante met betrekking tot deze percelen heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking. Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van deze percelen niet juist heeft vastgesteld.

3.6.

Met betrekking tot de percelen 11, 34, 44, 47, 57, 62 en 64 is het verschil tussen de door appellante opgegeven oppervlakte en de door verweerder geconstateerde oppervlakte meer dan 2%. Het College heeft de luchtfoto’s van deze percelen ter zitting bekeken. Het College gaat er van uit dat de percelen 47, 57 en 64 niet in geschil zijn omdat appellante in het aanvullend beroepschrift heeft vermeld haar bezwaren met betrekking tot deze percelen te laten rusten. Appellante heeft met betrekking tot de percelen 11 en 34 aangevoerd dat verweerder ten onrechte als talud aangemerkte stroken grond niet subsidiabel heeft geacht. Die stroken worden volgens appellante gemaaid en bemest en als landbouwgrond gebruikt. Verweerder heeft met betrekking tot de afgekeurde delen van de percelen 11, 34 en 44 verklaard dat het gaat om randen met verruiging langs de sloot. Verweerder heeft in die gevallen de perceelgrens gelegd op het maaipatroon van de rest van het perceel dat wel subsidiabel is geacht. Het College acht dit, mede gelet op het verhandelde ter zitting, niet onjuist. Met betrekking tot perceel 62 heeft appellante in het beroepschrift aangevoerd dat de door haar ingetekende dam door haar wordt gemaaid en bemest en landbouwgrond is die ten behoeve van de bedrijfsvoering wordt gebruikt en subsidiabel is. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat wat appellante een dam noemt wegens verruiging niet subsidiabel is geacht. Een dam zonder verruiging zou wel subsidiabel zijn geacht. Het College ziet in wat partijen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van deze percelen niet juist heeft vastgesteld.

3.7.

Het beroep slaagt. De hiervoor onder 3.3 vermelde vraag moet met betrekking tot de onder 3.4 vermelde percelen bevestigend en met betrekking tot de onder 3.5 en 3.6 vermelde percelen ontkennend worden beantwoord. Het College zal het bestreden besluit I en het bestreden besluit II, dat zijn grondslag mede vindt in het bestreden besluit I, vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van appellante tegen de primaire besluiten I en II moeten beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken.

4. Het College zal verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 februari 2017 gegrond;

- vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 februari 2017 gegrond;

- vernietigt dat besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten op de bezwaren tegen het besluit van 31 maart 2016 en het besluit van 31 mei 2016 te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

w.g. T. Pavićević w.g. J.W.E. Pinckaers