Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:316

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
16/1249
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB, Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1249

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.F. Bosma en E.J.H. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant in 2015 voor de uitbetaling van betalingsrechten (basis- en vergroeningsbetaling) op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 22 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2018. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellant heeft op 20 april 2015 bij de Gecombineerde opgave 2015 om uitbetaling van de basis-en vergroeningsbetaling gevraagd.

1.2

In de Gecombineerde opgave 2015 heeft appellant aangegeven dat hij 34,72 hectare (ha) landbouwgrond in gebruik of beheer heeft. Onder het kopje ‘Ecologisch aandachtsgebied’ heeft hij ‘collectieve invulling’ aangekruist.
1.3 Bij besluit van 21 april 2016 heeft verweerder aan appellant 34,73 betalingsrechten toegewezen.

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerder blijkens het daarbij meegezonden overzicht van de voor uitbetaling opgegeven percelen met een oppervlakte van 34,72 ha slechts 29,12 ha in aanmerking genomen bij het vaststellen van de vergroeningsbetaling.

1.5

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat appellant niet (volledig) voldoet aan de vergroeningseisen van het ecologisch aandachtsgebied, omdat hij niet voldoet aan de verplichting om 5% van het bouwland in te richten als ecologisch aandachtsgebied. Appellant heeft slechts 0,40 ha van de verplichte 0,9605 ha als ecologisch aandachtsgebied ingericht. Deze hectaren worden vermenigvuldigd met de verschilfactor (= 0,9605 ha minus 0,40 ha, gedeeld door 0,9605 ha = 0,58355). Dit brengt met zich dat een kortingsoppervlakte van 5,60 ha geldt. Deze korting heeft verweerder gebaseerd op artikel 26 van Gedelegeerde verordening (EU) Nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014). Ecologisch aandachtsgebied kan worden ingevuld met onbeheerde akkerranden. Appellant heeft, voor zover hier van belang, het gehele perceel 24 (1,30 ha) opgegeven als “Rand, grenzen aan bouwland, hoofdzakelijk bestaand uit een ander gewas dan gras” (gewascode 345). Binnen de akkerrand ligt het perceel 16, waarop suikerbieten worden geteeld. Akkerranden zijn ten minste 1 meter breed en maximaal 20 meter breed en dienen ondergeschikt te zijn aan de oppervlakte van de akker. Ook moet het niet beteelde deel van de rand te onderscheiden zijn van het beteelde deel van de akker. Op basis van de luchtfoto’s heeft verweerder vastgesteld dat de akkerrand van het perceel 24 op verschillende plaatsen breder is dan 20 meter. Om een deel van de akkerrand in aanmerking te kunnen nemen voor het ecologisch aandachtsgebied heeft verweerder het door appellant opgegeven perceel 24 gesplitst in de percelen 24 en 26. Perceel 24 is niet breder dan 20 meter en deze akkerrand is daarom in aanmerking genomen voor de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied. Voor perceel 24 is 0,40 ha subsidiabele oppervlakte geconstateerd. Perceel 26 is aan de noordzijde breder dan 38 meter en aan de zuidzijde breder dan 83 meter. Deze akkerrand komt volgens verweerder niet in aanmerking voor de invulling van het ecologisch aandachtsgebied. Voor perceel 26 is 0,95 ha subsidiabele oppervlakte geconstateerd.

2.1

Artikel 2.17, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling luidde, voor zover ten tijde en hier van belang, als volgt:

Als ecologisch aandachtsgebied zoals bedoeld in artikel 46, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt beschouwd:

a. akkerranden als bedoeld in artikel 45, vierde lid, onderdeel e, van Verordening (EU) nr. 639/2014, die zijn gelegen op of direct grenzend aan bouwland;

(…)

d. areaal, anders dan het areaal waarop artikel 45, negende lid, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 639/2014 van toepassing is, waarop combinaties van vanggewassen worden geteeld als bedoeld in bijlage 2, onder de voorwaarden die per categorie voor de desbetreffende soorten in deze bijlage zijn vermeld;

2.2

Artikel 45, vierde lid, onderdeel e van Verordening 639/2014 vermeldt als landschapselement: akkerranden met een breedte tussen 1 en 20 m waarop geen landbouwproductie plaatsvindt.

2.3

Artikel 26, tweede lid, van Verordening 640/2014 bepaalde, ten tijde en zover thans van belang, het volgende.

“Indien het vereiste ecologische aandachtsgebied, rekening houdend met de weging van ecologische aandachtsgebieden (…), groter is dan het geconstateerde ecologische aandachtsgebied, wordt het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling overeenkomstig artikel 23 van de onderhavige verordening wordt berekend, verlaagd met 50 % van het totale geconstateerde bouwland (…), vermenigvuldigd met de verschilfactor.

De in de eerste alinea bedoelde verschilfactor komt overeen met het aandeel van het verschil tussen het vereiste ecologische aandachtsgebied en het geconstateerde ecologische aandachtsgebied in het vereiste ecologische aandachtsgebied.”

3 Appellant is het niet eens met de door verweerder opgelegde korting op de vergroeningsbetaling. Daartoe voert hij aan dat verweerder het perceel 24 ten onrechte zonder overleg heeft gesplitst en vervolgens aan deze percelen niet de juiste omschrijving heeft toegekend. De omschrijving had moeten zijn: voor perceel 24 “onbeheerde akkerranden” als bedoeld in artikel 2,17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling en voor perceel 26, “overige arealen met vanggewassen” als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder d, van de Uitvoeringsregeling.

4. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat appellant, indien hij een deel van het perceel 24 anders had willen opgeven, de Gecombineerde Opgave 2015 op een andere wijze had moeten worden ingevuld. Appellant had in dat geval perceel 24 moeten splitsen in twee percelen en daarbij een andere categorie moeten opgeven. “Overige arealen met vanggewassen” betreft een volgteelt; een volgteelt moet steeds in combinatie met een (hoofd)teelt worden opgegeven. Verweerder kon perceel 26 daarom niet zonder meer afsplitsen. In beroep kan appellant de aanvraag niet meer wijzigen. Dit had appellant voor de uiterste indientermijn van de verzamelaanvraag moeten doen, welke inmiddels is verstreken, aldus verweerder.

5.1

Het College oordeelt als volgt.

5.2

Ten tijde van de aanvraag en het bestreden besluit was in artikel 2.17, eerste lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling in samenhang met artikel 45, vierde lid, onderdeel e, van Gedelegeerde verordening (EU) Nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid bepaald dat akkerranden ten behoeve van het inrichten van het ecologisch aandachtsgebied een breedte tussen 1 en 20 m dienen te hebben. Appellant heeft ter zitting erkend dat het door appellant opgegeven perceel 24 daaraan gedeeltelijk niet voldeed.

5.3

Appellant heeft in de Gecombineerde opgave 2015 perceel 24 niet gesplitst en een gedeelte daarvan opgegeven als “overige arealen met vanggewassen” als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder d, van de Uitvoeringsregeling. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij in mei en juni 2015 geen wijzigingen in zijn aanvraag meer kon doorgeven. Nu appellant eerst in beroep, dus na het verstrijken van de uiterste datum voor het doen van de Gecombineerde opgave 2015, heeft gesteld dat verweerder dit gedeelte van het perceel - door verweerder genummerd als perceel 26 - bij de beoordeling van de aanvraag om vergroeningsbetaling had moeten betrekken met een andere gewascode dan die hij bij de verzamelaanvraag heeft opgegeven, heeft verweerder daarin terecht geen aanleiding hoeven zien om alsnog op zijn besluit terug te komen.

5.4.1

Voor wijziging van de aanvraag om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 is na de uiterste indieningstermijn van 10 juli 2015 alleen plaats indien sprake is van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit wordt erkend op basis van een algemene beoordeling van het specifieke geval en mits de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld. De bevoegde autoriteit mag kennelijke fouten slechts erkennen indien deze gemakkelijk kunnen worden geconstateerd bij een administratieve controle van de informatie in de in de eerste alinea bedoelde documenten. Dit volgt uit artikel 4 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014).

5.4.2

De Europese Commissie heeft met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig moet worden erkend het hiervoor genoemde werkdocument vastgesteld, waarin richtsnoeren zijn gegeven die een handvat bieden voor de uitleg van het begrip “kennelijke fout” in de zin van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Verordening 2419/2001). Dit werkdocument wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningsdatum nog wijzigingen in de aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld.

5.4.3

Uit het werkdocument blijkt dat de beslissing of het al dan niet om een kennelijke fout gaat volgens de Europese Commissie afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in elk individueel geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Als algemene regel geldt dat een kennelijke fout moet worden ontdekt aan de hand van de gegevens in de steunaanvraag, dat wil zeggen wanneer dergelijke fouten aan het licht komen dankzij een administratieve controle waarbij wordt nagegaan of de tot staving van de aanvraag verstrekte documenten en gegevens (en met name de aanvraagformulieren, de bewijsstukken, verklaringen enzovoort) samenhangend zijn. Een kennelijke fout kan echter alleen worden aangenomen als de landbouwer zelf de tegenstrijdige informatie heeft verstrekt of als deze namens hem is verstrekt. Het kan daarbij onder meer gaan om direct in het oog springende fouten alsmede fouten, die worden waargenomen ten gevolge van een check op de samenhang (tegenstrijdige informatie). Voor de Europese Commissie is voorts van groot belang dat wordt vastgesteld dat een fout onopzettelijk is gemaakt, dat de landbouwer te goeder trouw heeft gehandeld en dat ieder gevaar van bedrog wordt uitgesloten.

5.4.4

De definitie van een kennelijke fout is thans in artikel 4 van Verordening 809/2014 neergelegd. Anders dan in artikel 12 van Verordening 2419/2001 – waarin slechts is bepaald dat in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde na de indiening kan worden aangepast –, heeft de Uniewetgever in artikel 4 van Verordening 809/2014, gelet op de daarin gebezigde bewoordingen, bij het definiëren van het begrip “kennelijke fout” onmiskenbaar aangesloten bij de inhoud van het werkdocument.

5.4.5

Het werkdocument is op zichzelf niet bindend. Dit neemt niet weg dat, nu het werkdocument afkomstig is van een gezaghebbende instantie en door verweerder wordt gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van een kennelijke fout, het College dit werkdocument bij de beoordeling van het geschil zal betrekken.

5.4.6

Het College is van oordeel dat de Gecombineerde opgave 2015 van appellante niet een tegenstrijdigheid bevat die bij een eenvoudige administratieve controle van de aanvraag had moeten opvallen en die wijst op een vergissing van appellante. In het onderhavige geval week de intekening op de bedrijfskaart door appellant af van de feitelijke situatie zoals kenbaar uit de door verweerder overgelegde luchtfoto van het perceel. Van een kennelijke fout in de zin van artikel 4 van Verordening 809/2014 is derhalve geen sprake. Het betoog van appellant faalt.

5.5

Voor zover appellant met zijn betoog dat in het bestreden besluit niets valt terug te lezen over hetgeen tijdens de hoorzitting is besproken, heeft bedoeld aan te voeren dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid of ondeugdelijk is gemotiveerd, wordt daaraan voorbij gegaan nu appellant niet heeft geconcretiseerd op welke bezwaargronden verweerder in het bestreden besluit niet of onvoldoende is ingegaan.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, mr. T. Pavićević en mr. C.M. Wissels, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. J.B.C. van der Veer