Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:302

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-06-2018
Datum publicatie
26-06-2018
Zaaknummer
18/1132
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondelinge uitspraak verzoek voorlopige voorziening. Begunstigingstermijn van feitelijk een dag om huisvesting 100 honden op orde te maken te kort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1132

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Aamimi).

Procesverloop

Bij besluiten van 20 juni 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder verzoekster een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft op 21 juni 2018 op de voet van artikel 8:83, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht de primaire besluiten geschorst tot de behandeling ter zitting en het doen van de uitspraak en hiervan telefonisch mededeling gedaan aan partijen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2018.

Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn voorts verschenen
drs. E. Luiten, H.J. Legters, J. Nijeboer en H. Hoiting.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek toe, in die zin dat de primaire besluiten worden geschorst tot vrijdag 29 juni 2018 om 12:00.

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.002,-.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2.1

Op 23 maart 2018 heeft bij de fokkerij van verzoekster een controle plaatsgevonden.

Naar aanleiding van deze controle heeft verweerder verzoekster bij besluit van diezelfde dag

een last onder bestuursdwang opgelegd voor de meest spoedeisende maatregelen. Op

26 maart 2016 heeft vervolgens een hercontrole plaatsgevonden. De bevindingen van deze

hercontrole hebben verweerder geen aanleiding gegeven om bestuursdwang toe te passen.

2.2

De bevindingen van de controle van 23 maart 2018 en de hercontrole van

26 maart 2018 zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 1 mei 2018. Het rapport

van bevindingen is, met de voornemens tot het opleggen van een last onder bestuursdwang en

een last onder dwangsom, op 1 juni 2018 naar verzoekster verzonden. Verzoekster heeft op

15 juni 2018 haar zienswijze omtrent de voornemens naar voren gebracht.

2.3

Op 16 juni 2018 heeft opnieuw een controle bij de fokkerij van verzoekster

plaatsgevonden. Verweerder heeft op dat moment aanleiding gezien om spoedbestuursdwang

toe te passen in de vorm van het meevoeren van ongeveer 150 honden. Verweerder heeft,

zoals toegelicht op de zitting, wat betreft de overige circa 100 honden de inschatting gemaakt

dat verzoekster de huisvesting van deze honden op orde kan maken en deze onder redelijke

omstandigheden kan houden. Het besluit tot toepassen van spoedbestuursdwang noch de

bevindingen van de controle op deze dag zijn tot op heden op schrift gesteld.

3. De primaire besluiten zijn van toepassing op de door verzoekster gehouden overige circa 100 honden. Met de primaire besluiten zijn aan verzoekster een achttal maatregelen opgelegd welke zien op de huisvesting en de verzorging van de honden. De maatregelen zijn gebaseerd op het rapport van bevindingen van 1 mei 2018. Verzoekster diende de maatregelen uit te voeren voor vrijdagochtend 22 juni 2018 om 10:00. Blijkens de primaire besluiten is deze begunstigingstermijn ten opzichte van de voornemens van 1 juni 2018 ingekort vanwege de bevindingen op 16 juni 2018.

4.1

Verzoekster heeft aangevoerd dat de in de primaire besluiten gegeven begunstigingstermijn onredelijk kort is en het voor haar onmogelijk is om binnen deze termijn alle opgelegde maatregelen uit te voeren. Verzoekster verzoekt daarom de primaire besluiten te schorsen.

4.2

Verweerder stelt dat het totaal aan omstandigheden ter plaatse dusdanig is dat niet ter plekke en op korte termijn een einde kan worden gemaakt aan de geconstateerde overtredingen. Verweerder heeft er geen vertrouwen in dat verzoekster op korte termijn overeenkomstig de primaire besluiten handelt.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder op 16 juni 2018 de inschatting heeft gemaakt dat ter plaatse ongeveer 100 honden onder redelijke omstandigheden kunnen worden gehouden, mits de huisvesting hiervoor wordt verbeterd. De opgelegde maatregelen strekken ertoe deze verbetering te waarborgen. De voorzieningenrechter acht deze maatregelen op zichzelf noodzakelijk en voldoende duidelijk, maar vastgesteld moet worden dat verzoekster voor de uitvoering feitelijk slechts één dag de tijd heeft gekregen. Deze termijn wordt onredelijk kort geacht, nu verzoekster hiermee naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende de tijd heeft gekregen om haar bedrijfsvoering wat betreft de nog circa 100 aanwezige honden (verder) op orde te brengen. Daarnaast wordt betrokken dat eind maart 2018 is gebleken dat, anders dan verweerder stelt, het opleggen van een last effectief is geweest, nu verzoekster hieraan toen uitvoering heeft gegeven. Gelet op een en ander bestaat aanleiding ten aanzien van de primaire besluiten een voorlopige voorziening te treffen.

6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2018.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. A. Verhoeven